← Table of contents
Eene Egyptische Koningsdochter

Derde hoofdstuk.

Hendrik Cornelis Rogge translation

Zes weken na de beschrevene gebeurtenissen naderde eene kleine ruiterschaar in draf de poorten van Sardes. De paarden en hunne berijders waren zeer bezweet en met stof overdekt. De eersten, wier instinct hun de nabijheid van stal en kribbe deed vermoeden, spanden hunne laatste krachten in, doch schenen voor het ongeduld der twee mannen, die in Perzische hofkleeding aan het hoofd van den troep reden, nog veel te weinig spoed te maken.

De goed onderhoudene koningsweg, die over het eerste terras van het Tmolus-gebergte nu eens rees, dan weder daalde, liep door vruchtbaar bouwland van zwarte aarde, en door bosschen van allerlei boomen. Olijven, citroenen, platanen, moerbeziën en wijngaarden bedekten den voet der hoogten, terwijl hooger op de pijn-, cypresse- en noteboomwouden groeiden. Aan den rand der akkers stonden vijge- en granaatstruiken met vruchten beladen. In het gras der weiden en in het lommer der bosschen bloeiden veelkleurige en geurige bloemen. Nu en dan trof men bronnen aan ter zijde van den weg, zorgvuldig door muren afgesloten; en daarnaast waren onder schaduwrijke struikgewassen banken aangebracht, die de reizigers gelegenheid gaven om een wijle te rusten. De weg liep over bergspleten en beken, die tengevolge der zomerhitte half uitgedroogd waren. Op belommerde vochtige plaatsen bloeide de laurierroos, terwijl daar, waar de zon het sterkst brandde, slanke palmen met hunne sierlijke kronen wuifden. Een donkerblauwe, volkomen wolkenlooze hemel welfde zich over dit rijke landschap, dat zuidwaarts de besneeuwde toppen van het Tmolus-gebergte, ten westen de blauwachtig schemerende Sipylus-bergen tot gezichteinder had.

»Wat beduiden die vreemdsoortige aardhoogten?” vroeg Darius, de aanvoerder van deze schaar, aan Prexaspes, den gezant van Cambyzes die naast hem reed.

»Dat zijn de graven van de oude koningen van Lydië,” was het antwoord. »De grootste heuvel, links, niet de middelste, die ter eere van een vorstelijk echtpaar, namelijk Panthea en Abradat, werd opgeworpen, is het gedenkteeken dat men voor Alyattes, den vader van Cresus, opgericht heeft. De koop- en handwerkslieden en de maagden van Sardes hebben dat uit liefde voor hun overledenen koning gesticht. Aan de vijf zuilen op den top kan men lezen, hoeveel arbeids iedere afdeeling van het volk aan dezen berg heeft verricht. De meisjes hebben den grootsten ijver aan den dag gelegd. De grootvader van Gyges moet een bijzonder vriend van het schoone geslacht geweest zijn.”

»Dan is de kleinzoon wel een tegenhanger van zijn grootvader!”

»Hetgeen te vreemder is, omdat ook Cresus in zijne jeugd volstrekt geen vijand van het vrouwelijk geslacht is geweest, en de Lydiërs in den regel voor het mingenot geboren schijnen te zijn. Ginder in het Pactolus-dal, nabij de groote goudwasscherij, staat de tempel der godin van Sardes, Cybele of Ma geheeten. Gij kunt de witte muren zien door de openingen van het bosch, dat hem omgeeft. Daar is menig lommerrijk plekje waar zich de jonge lieden van Sardes, ter eere der godin, gelijk zij zeggen, minnend en koozend vereenigen.”

»Even als te Babylon, op het feest van Mylitta.”

»Op de kusten van Cyprus bestaat dezelfde gewoonte. Toen ik op mijne terugreis uit Egypte daar landde, werd ik door eene schaar der schoonste maagden met liefelijk gezang ontvangen. Al dansende onder den klank van cymbalen voerden ze mij naar het bosch van hare godin. Daar moest ik eenige goudstukken nederleggen, en werd toen door het bekoorlijkste meisje, dat gij u kunt voorstellen, in een purperen tent geleid, die van de heerlijkste geuren vervuld en waar ons een bed van roze- en leliebladeren gespreid was.”

»Zopyrus zal zich dan de krankheid van Bartja wel niet te sterk aantrekken.”

»En zeker meer tijd in het bosch van Cybele, dan aan de zijde van den lijder doorbrengen. Het verheugt mij, den opgeruimden jongen weldra te zullen wederzien.”

»Hij zal die vlagen van neerslachtigheid, waarin gij sedert den laatsten tijd zoo dikwijls vervalt, wel voorgoed verdrijven!”

»Ik zal al mijne krachten inspannen ze voortaan te onderdrukken, ofschoon die sombere stemmingen, welke gij met alle recht afkeurt, hare oorzaak hebben. Cresus zegt, dat men slechts dan kwalijk geluimd is, als men te traag of te machteloos is, om te worstelen met de omstandigheden. Onze vriend heeft gelijk en men zal Darius noch van zwakheid, noch van traagheid kunnen beschuldigen. Kan ik ook de wereld niet beheerschen, dan wil ik toch voor het minst meester van mij zelven zijn!”

Dit zeggende, richtte zich de schoone jongeling hoog in den zadel op. Zijn geleider zag hem met verbazing aan, en riep: »Waarlijk, zoon van Hystaspes, ik geloof, dat gij tot groote dingen bestemd zijt. Niet zonder doel hebben de goden hun lieveling Cyrus, toen gij nog een knaap waart, dien droom ingegeven, die oorzaak was dat hij u door uw vader deed opsluiten.”

»En toch heb ik nog geene vleugels gekregen.”

»Uw lichaam niet, maar wel uw geest. Jongeling, jongeling, gij zijt op een gevaarlijken weg!”

»Heeft de gevleugelde dan voor een afgrond te vreezen?”

»Als zijne krachten hem begeven, ja!”

»Maar ik ben sterk!”

»Doch sterkeren zullen beproeven uwe vleugels te verlammen!”

»Laat hen begaan! Ik weet, dat ik slechts wil wat goed is, en vertrouw op mijn gesternte.”

»Weet gij ook hoe de naam van dat gesternte is?”

»Ik geloof haar beter te kennen. Brandende eerzucht heet de zon, wier stralen uwe handelingen besturen. Neem u in acht, jongeling! Ook ik heb het pad bewandeld, dat òf tot roem òf tot schande, maar slechts zelden tot waar geluk voert. De eergierige gelijkt een dorstige, die zoutwater drinkt. Hoe meer roem hij oogst, hoe dorstiger hij wordt naar eer en grootheid! Van gemeen krijger ben ik gezant van Cambyzes geworden; maar wat blijft u nog na te jagen overig, gij, die thans reeds na den koning de grootste in geheel Perzië zijt?.... Maar, bedriegen mijne oogen mij niet, dan rijden Zopyrus en Gyges aan de spits der ruiterschaar, die ons van de zijde der stad te gemoet komt. De angaar, die vóor ons de herberg verliet, heeft zeker gezegd dat wij in aantocht waren.”

»Ja, zij zijn het!”

»Waarlijk! Zie maar, hoe Zopyrus met het palmblad, dat hij zoo even afbrak, zwaait en wuift!”

»Jongens, snijdt ons spoedig een paar takken van dezen struik!—Zoo is het goed! Laat ons nu met purpere granaatbloesems de groene palmen beantwoorden!”

De zoo even aangekomene Perzen sloegen nauwelijks acht op dit bonte tooneel, dat onder gewone omstandigheden in hooge mate hunne belangstelling zou hebben gewekt. Nu echter wijdden zij hunne gansche aandacht aan hunne vrienden, die hun veel van Bartja verhaalden, en hoe hij de ernstige ziekte gelukkig te boven was gekomen.

Aan de metalen poort van het paleis, dat Cresus vroeger bewoond had, kwam hun de satraap van Sardes, Oroetes, te gemoet. Het was een deftig man, die voor deze gelegenheid zijne, met kostbare versierselen overladene hofkleeding had aangetrokken. Zijne kleine zwarte oogen schenen, van onder een paar borstelige ineengegroeide wenkbrauwen, met hun doordringend scherpen blik, de gedachte van alle menschen te willen raden. De provincie, die door hem bestuurd werd, was eene der belangrijkste en rijkste. Zijne hofhouding streefde die van Cambyzes in glans en rijkdom op zijde, schoon zijne dienaren en vrouwen veel minder in aantal waren, dan die van den koning. Toch werden de ruiters aan de poort door eene groote schaar van lijfwachten, slaven, eunuchen en sierlijk uitgedoste ambtenaren afgewacht.

In de groote zaal vonden de vrienden Bartja, die er bleek uitzag, en van de matras waarop hij lag de armen naar hen uitstrekte. Nadat de hereenigde vrienden aan de tafel van den satraap den maaltijd hadden gebruikt, begaven zij zich naar het vertrek van den herstellende, ten einde ongestoord te kunnen spreken.

Toen zij zich daar hadden neergezet, riep Darius Bartja toe: »Thans moet ge mij allereerst vertellen, hoe gij aan deze ongelukkige ziekte zijt gekomen.”

»In de nabijheid van Ipsus kreeg ik hevige pijn in het hoofd en door al mijne leden. Maar ik schaamde mij te bekennen, dat ik mij niet wel gevoelde, en hield mij goed, totdat wij te Bagis versche paarden moesten bestijgen. Toen ik mij in den zadel wilde werpen, begaven mij mijne krachten en mijn bewustzijn, en viel ik neder.”

»Of wij ook schrikten, toen gij inéenzaktet,” viel Zopyrus den spreker in de rede. »En het was een zegen dat Gyges bij mij was. Ik had geen raad geweten. Hij behield echter zijne volle tegenwoordigheid van geest en handelde, na aan zijne boosheid lucht te hebben gegeven in woorden, die voor ons juist niet zeer vleiend waren, als een omzichtig veldheer. Die ezel van een geneesheer, die aanstonds kwam aanloopen, zwoer bij hoog en laag, dat Bartja reddeloos verloren was, voor welk bewijs van doorzicht ik hem een pak slaag heb gegeven.”

»Dat hij zich gaarne getroostte,” lachte de satraap, »daar gij bevel gaaft, op iedere striem een goudstater te leggen.”

Bartja greep de hand van zijn vriend en zeide, zich tot Darius wendende: »Hem en Gyges dank ik mijn leven. Zij hebben mij, tot op het oogenblik dat zij ulieden te gemoet reden, geene minuut verlaten, en mij verpleegd, gelijk eene moeder haar ziek kind. Ook aan uwe goedheid, Oroetes, ben ik veel verplicht, en dubbel, wijl gij er u zelven onaangenaamheden door hebt berokkend.”

»Hoe was dat mogelijk?” vroeg Darius.

»En Polycrates?” vroeg Prexaspes.

»De hoogmoedige tyran van het eiland zond oogenblikkelijk den bekwamen arts, die mij, zooals gij ziet, geheel genezen heeft, en eerst voor weinige dagen met rijke geschenken Sardes verliet.”

»Wij hebben een diergelijk man leeren kennen,” zeide Darius, lachende om de geestdrift van zijn vriend, »namelijk Phanes, den Athener, die gekomen is om onze onschuld te bewijzen.”

»Democedes, de geneesheer, is uit Kroton, ’t welk dicht bij de plek moet liggen, waar de zon ondergaat.”

»Maar,” liet Oroetes er op volgen, »dat evenals Athene door Hellenen bewoond wordt. Weest op uwe hoede voor deze menschen, mijne jonge vrienden, want ze zijn even listig, bedrieglijk en zelfzuchtig, als sterk, verstandig en schoon.”

»Democedes is edel en waarheidlievend!” riep Zopyrus.

»En Phanes,” verzekerde Darius, »wordt zelfs door Cresus voor even deugdzaam als dapper gehouden.”

»Ook Sappho,” bevestigde Bartja, »heeft van den Athener niets dan goeds getuigd, maar zwijgen wij van de Hellenen. Oroetes is hun vriend niet, wijl zij hem door hunne weêrspannigheid de handen vol werk geven.”

»Dat weten de goden!” zuchtte de satraap. »Eéne Grieksche stad is moeielijker in toom te houden, dan alle landen tusschen den Euphraat en den Tigris.”

Terwijl de satraap sprak, was Zopyrus eens naar het venster gegaan om uit te zien. Thans viel hij den spreker in de rede met te zeggen: »De sterren staan reeds zeer hoog, en Bartja heeft rust noodig; haast u daarom Darius, en verhaal ons wat van huis!”

De zoon van Hystaspes knikte toestemmend, en deed nu omstandig verslag van de voorvallen, die wij reeds hebben bijgewoond. Het uiteinde van Nitetis vond vooral bij Bartja oprechte deelneming, terwijl het ontdekte bedrog van Amasis allen met verbazing en onrust vervulde.

»Nadat de eigenlijke afkomst der overledene onwederlegbaar bewezen was,” vervolgde de verhaler, na eene korte pauze, »scheen Cambyzes een ander mensch te zijn geworden. Hij riep ons allen samen tot het houden van krijgsraad, en had aan tafel, in plaats van rouwkleederen, voor het eerst weder zijn koninklijk gewaad aan. Gij kunt u voorstellen, met welk een gejuich het vooruitzicht op een oorlog met Egypte begroet werd. Zelfs Cresus, die anders Amasis niet ongenegen is, en gewoonlijk voor den vrede stemt, had ditmaal niets hiertegen in te brengen. Den volgenden morgen werd, gelijk dit gewoonlijk geschiedt, nogmaals overwogen, wat in den roes besloten was. Nadat velen hunne zienswijze hadden doen kennen, verzocht ook Phanes het woord te mogen hebben. Hij sprak wel een uur achtereen. Maar welk een taal! Het was alsof de goden hem woord voor woord in den mond hadden gelegd. Onze taal, die hij zich in ongelooflijk korten tijd eigen heeft gemaakt, vloeide als honig van zijne lippen, en perste het eene oogenblik ons allen heete tranen uit de oogen, om ons het volgende in een stormachtig gejuich of in woeste kreten van verontwaardiging te doen losbarsten. Iedere beweging zijner handen was bevallig als het wenken eener danseres, en toch mannelijk en vol waardigheid.

»Ik ben niet in staat zijne rede weder te geven, want mijne woorden zouden bij de zijne klinken, als tromgeroffel bij donderslagen. En toen wij eindelijk, door onze geestdrift weggesleept, eenstemmig tot den krijg besloten, nam Phanes nog eenmaal het woord, en deed de middelen en wegen aan de hand, om op de gemakkelijkste wijze de zege te behalen.”

Darius kon niet voortgaan, want Zopyrus was, onder luid gejuich, hem om den hals gevallen. Ook Bartja, Gyges en de satraap Oroetes verheugden zich van harte over zijne mededeeling, en drongen bij den verhaler aan, om hun het einde te doen kennen.

»Die Hellenen bedenken van alles!” riep Zopyrus, die zich niet het flauwste denkbeeld kon maken van zulk eene voorstelling van de aarde.

»Ik zal u morgen mijne tafel laten zien,” zeide Oroetes; »thans echter moeten wij Darius niet meer in de rede vallen.’”

»Phanes trok dus naar Arabië,” vervolgde de verslaggever, »terwijl Prexaspes afreisde, om u, Oroetes, niet slechts te bevelen zoovele soldaten als mogelijk is,—vooral Ioniërs en Kariërs, over wie het bevel aan den Athener zal worden opgedragen,—bijeen te brengen, maar ook om Polycrates een verbond met ons voor te slaan.”

»Een verbond met hem, met den zeeroover?” vroeg Oroetes, wiens gelaat merkbaar betrok.

»Met denzelfden,” antwoordde Prexaspes, zich houdende, als ware hem de trek van onwil op het aangezicht van den satraap ontgaan. »Phanes heeft van den man, die over zoovele voortreffelijke schepen te bevelen heeft, reeds toezeggingen gekregen, zoodat wij ons van den gunstigen uitslag uwer zending verzekerd kunnen houden.”

»De Phoenicische, Syrische en Ionische oorlogsschepen,” hernam de stadhouder, »zullen meer dan voldoende zijn, om de Egyptische vloot te overwinnen.”

»Daarin hebt gij volkomen gelijk. Maar indien Polycrates zich tegen ons verklaarde, dan zouden wij ons bezwaarlijk ter zee kunnen handhaven. Uit uw eigen mond toch hebben wij gehoord, dat hij in de Aegaeische zee den schepter voert.”

»Desniettemin keur ik een verbond met den zeeschuimer ten sterkste af!”

»Vóor alle dingen zoeken wij goede bondgenooten, en de zeemacht van Polycrates boezemt ons ontzag in. Eerst wanneer wij met zijne hulp Egypte veroverd hebben, dan komt de tijd, om zijn overmoed te fnuiken. Maar wat ook verder van de zaak zij, ik moet u verzoeken allen persoonlijken wrok ter zijde te stellen, en slechts op het welslagen van het groote ontwerp bedacht te zijn. Deze woorden spreek ik in den naam des konings, wiens ring ik draag, en verplicht ben u te toonen.”

Oroetes boog zich zwijgend voor dit teeken van het vorstelijk gezag, en vroeg: »Wat verlangt Cambyzes van mij?”

»Hij beveelt u, alle mogelijke pogingen in het werk te stellen, om een verbond met den Samiër tot stand te brengen, en verder, dat gij uwe troepen hoe eer hoe liever naar het hoofdleger in de Babylonische vlakte laat oprukken.”

De satraap boog, en verliet in trotsche houding het vertrek.

Zoodra men het geluid zijner schreden in de zuilengang van het binnenhof hoorde, sprak Zopyrus: »De arme man! Het is bijster hard voor hem, den overmoedige, die zich zoo menige beleediging jegens hem veroorloofde, met zulk eene boodschap aan boord te komen. Denk slechts aan de geschiedenis met den arts!”

»Gij zijt al te toegevend,” hernam Darius, zijn vriend in de rede vallende. »Deze Oroetes bevalt mij niet! Zóo mag men een bevel des konings niet opnemen. Zaagt gij niet, dat hij zijne lippen aan bloed beet, toen Prexaspes hem den zegelring van onzen vorst toonde?”

»In dezen man woont een hoogmoedig hart,” voegde de gezant er bij. »Hij verliet ons zoo spoedig, omdat hij zijn toorn niet langer meester was.”

»Toch moet ik u verzoeken,” zeide Bartja, »het gedrag van den satraap, wien ik grooten dank verschuldigd ben, voor mijn broeder te verzwijgen.”

Prexaspes boog even, doch Darius hernam: »In ieder geval moet men dezen man in het oog houden. Juist te dezer plaatse zoover van ’s konings poorten, te midden van vijandige volken, hebben wij stadhouders noodig, die hun heer gewilliger gehoorzamen, dan Oroetes, die zich schijnt te verbeelden koning van Lydië te zijn!”

»Zijt gij verstoord op den Satraap?” vroeg Zopyrus.

»Ik geloof ja,” luidde het antwoord. »Als ik iemand ontmoet, dan gevoel ik aanstonds iets, dat mij tot hem trekt, of dat mij een onverwinnelijken afkeer van dien persoon inboezemt. Deze plotselinge, onverklaarbare gewaarwording heeft mij nog nooit bedrogen. Oroetes mishaagde mij reeds, voordat ik nog een woord uit zijn mond had vernomen. Evenzoo ging het mij met den Egyptenaar Psamtik, terwijl ik mij door Amasis voelde aangetrokken.”

»Gij zijt nu eenmaal geheel anders dan wij!” hernam Zopyrus in scherts. »Maar doe mij het genoegen, en laat den armen Oroetes rusten. Het is goed dat hij weg is, want nu kunt gij vrijer van huis spreken. Hoe maakt het Cassandane en uwe godin Atossa? Hoe is het met Cresus? Wat voeren mijne lieve vrouwtjes uit? Zij zullen binnenkort eene nieuwe deelgenoote harer vreedzame uitspanningen krijgen, want ik ben van plan morgen om de hand van het schoone dochterken van Oroetes te vragen. Met de oogen hebben wij elkaar reeds allerlei lieve dingen verteld. Ik weet niet, of de hare Perzisch of Syrisch spraken; maar wij begrepen elkander toch volkomen.”

De vrienden lachten, en Darius riep, weder in de algemeene vroolijkheid deelende: »En nu zult gij eene blijde boodschap vernemen, die ik eigenlijk, als het beste, tot nagerecht bewaard heb. Hé! Bartja, spits de ooren, vriend! Uwe moeder, de edele Cassandane, heeft het gezicht teruggekregen!—Ja, ja, het is de zuivere waarheid!—Wie haar genezen heeft?—Wie anders dan die Egyptische knorrepot, die nu zoo mogelijk nog somberder en gemelijker is dan voorheen. Maar houd u nu stil en laat mij voortgaan, anders wordt het nog morgen eer Bartja kan gaan slapen.—Eigenlijk moesten wij u thans aan uw lot overlaten, want het beste weet gij, en gij kunt daarvan dus droomen.—Gij wilt niet? Dan moet ik in Mithra’s naam maar verder verhalen, al bloedt mijn hart er ook bij.

»Intusschen had Cassandane, door de kunst van den Egyptenaar Nebenchari, het gezicht teruggekregen, eene gebeurtenis die natuurlijk veel bijdroeg, om ’s konings zwaarmoedigheid te verdrijven. Wij beleefden goede dagen, en reeds maakte ik plannen om de hand van Atossa te vragen, toen Phanes naar Arabië vertrok, en alles een geheel ander aanzien kreeg. Zoodra namelijk de Athener de poort verlaten had, was het alsof alle booze Diws plotseling in den koning gevaren waren. Somber en zwijgend ging hij in en uit, en om zijne zwaarmoedige gedachten te verdrijven, gebruikte hij reeds in den vroegen morgen kannen vol van den zwaarsten Syrischen wijn. Des avonds was hij in den regel zoo dronken, dat men hem naar zijne vertrekken moest dragen, terwijl hij ’s morgens met heftige krampen en hoofdpijnen ontwaakte. Overdag liep hij rond, als zocht hij iets, en ’s nachts hoorde men hem meermalen den naam van Nitetis uitspreken. De geneesheeren waren zeer bezorgd voor zijne gezondheid, en gaven hem dranken, die hij echter liet wegwerpen. Cresus had volkomen gelijk, toen hij op zekeren dag tot de artsen zeide: ‘Eer men iemand wil gaan genezen, gij heeren magiërs en Chaldaeërs, moet men weten aan te wijzen, welk gedeelte van zijn organisme lijdt. Kunt gij dat?—Neen? Dan zal ik u zeggen, wat den koning deert. Hij lijdt inwendig, en heeft eene onzichtbare wonde. Zijn lijden is verveling, de wonde zit in het hart. Voor het eerste is de Athener de beste geneesmeester, voor het andere weet ik geen middel, want de ondervinding leert, dat zulke wonden of van zelve genezen, of den lijder doen doodbloeden.’

»‘Ik weet een geneesmiddel voor den koning!’ riep Otanes, toen hij dit woord van Cresus vernam. ‘Wij moeten hem zien te bewegen om de vrouwen, of althans mijne dochter Phaedime, van Suza terug te ontbieden. De liefde verstrooit de wolken der zwaarmoedigheid, en doet het bloed sneller door de aderen stroomen!’ Wij deelden alle zijne zienswijze, en drongen bij hem aan, dat hij onzen vorst aan de in ballingschap levende vrouwen zou herinneren. Otanes maakte van de gelegenheid, die de eerste de beste maaltijd hem bood, gebruik, om Cambyzes het voorstel te doen de vrouwen terug te laten komen, doch werd zoo ruw door den koning afgesnauwd, dat het ons allen leed deed.

»De mobeds en Chaldaeërs beraadslaagden lang, en legden den droom alzoo uit, dat Atossa, bij alles wat zij ondernam, door het geluk begunstigd zou worden. Cambyzes stelde zich met dat antwoord tevreden, doch toen hij in den volgenden nacht een diergelijk droomgezicht had, bedreigde hij de mobeds met den dood, als zij hem geene andere verklaring gaven. De wijzen bedachten zich lang, en antwoordden eindelijk: ‘Atossa zal eenmaal koningin en de moeder van machtige vorsten worden.’

»Over deze uitlegging was de koning volkomen tevreden, en met een zonderling lachenden trek om den mond, vertelde hij ons toen zijn droom. Dienzelfden dag werd ik bij Cassandane geroepen, die mij waarschuwde dat ik, als ik mijn leven lief had, alle hoop op het bezit harer dochter moest laten varen. Reeds wilde ik den tuin der eerwaardige vrouw verlaten, toen ik Atossa achter een granaat-boschje gewaar werd. Zij wenkte mij. Ik snelde naar haar toe. Wij vergaten gevaar en smart, en namen eindelijk afscheid, voor eeuwig. Thans weet gij alles. En terwijl ik nu afstand heb gedaan van het lieve schepseltje, omdat alle verdere hoop op haar bezit razernij zou zijn, moet ik mij zelven geweld aandoen, om niet gelijk de koning, ter wille van eene vrouw aan het mijmeren te geraken en mij aan droefgeestigheid over te geven. Ziedaar nu het einde der geschiedenis, dat wij reeds meenden te voorzien, toen Atossa’s roos mij, den ter dood veroordeelde, tot den gelukkigste aller stervelingen maakte. Had ik ulieden in die ure, die wij dachten dat onze laatste zou zijn, mijn geheim niet verraden, het zou met mij in het graf zijn gegaan.—Maar wat bazel ik! Weet ik dan niet, dat ik op uwe geheimhouding rekenen kan? Wat ik u bidden mag, kijk me niet langer zoo droevig aan. Ik geloof dat ik nog altijd te benijden ben, want ik heb een uur van geluk doorleefd, dat tegen honderd jaren van ellende opweegt.—Ik dank u, ik dank u!—Maar, laat mij nu spoedig eindigen!

»Morgen, als gij wilt,” antwoordde deze. »De geneesheeren verzekeren, dat het zeetochtje mij volstrekt niet schaden zal. De reis over land tot Smyrna is slechts kort.”

»En ik,” liet Zopyrus er op volgen, »verzeker u, dat uw liefje u spoediger gezond zal maken, dan alle artsenijmengers in de geheele wereld!”

»Zouden wij ons niet als krijgslieden kunnen vermommen?” vroeg Zopyrus. »Het is wat al te vernederend, voor zulke bedrieglijke schacheraars te worden aangezien. Hoe zoudt gij bijvoorbeeld er over denken, als wij ons voor Lydische soldaten uitgaven, die in het Egyptische leger dienst komen nemen, om eene straf in het vaderland te ontgaan?”

»Dat voorstel is zoo onaannemelijk niet,” zeide Bartja. »Ook geloof ik, dat men ons op ’t uiterlijk eer voor krijgers dan voor kooplieden zal aanzien.”

»Hierin zoudt gij u toch kunnen vergissen,” antwoordde Gyges. »Zulk een Helleensch groothandelaar en scheepsgezagvoerder draagt de borst zoo hoog, als behoorde hem de gansche wereld toe. Overigens vind ik den voorslag van Zopyrus nog zoo slecht niet.”

»Waarom zoudt gij u niet als chiliarchen laten aankleeden?” riep Gyges. »Het zou stellig achterdocht wekken omdat gijlieden nog zoo jong zijt.”

»Maar wij kunnen toch niet als gemeene soldaten optreden.”

»Neen, maar wel als hekatontarchen!”

»Ook al goed,” hernam Zopyrus vroolijk, »als ik maar geen koopman behoefte wezen!—Binnen drie dagen aldus van hier. ’t Doet mij genoegen, dat gijlieden mij toch nog den tijd laat, om mij van het dochtertje van dezen satraap te verzekeren, en nog eens het Cybele-bosch te bezoeken, waar ik reeds sinds lang naar verlang. En nu goeden nacht, Bartja! Slaap morgen een gat in den dag. Wat zou Sappho wel zeggen, als gij met zulke bleeke kaken en zulke fletse oogen tot haar kwaamt!”

Notes in this chapter

Note 1 · De groote, vruchtbaarmakende natuurgodin der Klein-Aziatische volken. De daar wonende Grieken namen haar dienst over, en stelden haar voor, Note 2 · Het Gygaeische meer was Homerus reeds bekend. Herodotus noemde de graven der Lydische koningen de stoutste werken, die door menschenhanden wNote 3 · De planeet Venus.Note 4 · Volgens Herodotus zouden de Lydiërs het spelen met dobbelsteenen en met den bal hebben uitgevonden, maar niet het damspel. Dit laatste schijNote 5 · Het paleis van Persepolis bestond toen nog niet. Dit was gedeeltelijk uit den zwarten steen van den berg Rachmed, gedeeltelijk uit wit marmeNote 6 · Mei.Note 7 · Eene groote handelsstad in Phrygië.Note 8 · Zie boven blz. 36.Note 9 · Dezelfde Oroetes wist Polycrates later met list naar Sardes te lokken, en liet hem daar kruisigen.Note 10 · Helden uit de Perzische sage.Note 11 · Zie boven blz. 193.Note 12 · Maart.Note 13 · Juli.Note 14 · Hij leefde in dezen tijd. Men zou hem “den vader der geographie” kunnen noemen. Hij verbeterde de kaarten van Anaximander en schreef eene “RNote 15 · Zie boven blz. 296.Note 16 · Niebuhr zag op zijne Aziatische reis dit spel nog door jongens te Schiraz spelen.Note 17 · Ook toen hielden de Oosterlingen de ontblooting van het lichaam voor hoogst ongepast, terwijl de Grieken niets schooners kenden dan het naakNote 18 · De koningen van Perzië moesten bij hunne kroning de vrucht van een terpentijnboom eten.Note 19 · Mars.Note 20 · Eene kleur die in de oudheid zeer gezocht werd, en uit de bloesems van den sandix-boom werd geperst.Note 21 · Het Perzisch leger was volgens het tiendeelig stelsel ingedeeld. Eene divisie telde 10,000 man, een regiment 1000, een kompagnie 100. De TaxNote 22 · Thans voerde de weg door een boschje van berken, om welks stammen zich, met een overvloed van druiven beladene wijnranken tot hoog in de topNote 23 · »Anahita3 is de naam der ster, waaronder ik geboren ben.”Note 24 · Weinige oogenblikken later omarmden Prexaspes en Darius hunne vrienden. Daarop trokken de vereende ruiterbenden door de tuinen, die het GygaNote 25 · Het paleis, dat nog altijd prachtig mocht worden genoemd, was ten tijde dat Cresus het bewoonde, de heerlijkste aller vorstenwoningen. Na deNote 26 · »Zoo gezond, als wij maar wenschen konden,” begon de koningszoon, »reisden wij, gelijk gij weet, van Babylon af, en bereikten zonder eenige Note 27 · »Ja, mijn lust om klappen uit te deelen heeft me reeds veel geld gekost. Doch ter zake. Nauwelijks had Bartja de oogen weder geopend, of GygNote 28 · »Die Polycrates van Samos, wiens naam in Egypte zoo dikwerf genoemd werd, heeft den beroemdsten geneesheer, op welken Griekenland ooit trotsNote 29 · »Overigens,” viel Zopyrus zijn vriend in de rede, »kan ik zeer goed begrijpen, waarom de Samiër niet lichtvaardig afstand doet van zijn lijfNote 30 · »In de maand Farwardin12,” begon de jongeling opnieuw, »moeten onze legers aan de grenzen van Egypte staan, wijl in Murdâd13 de Nijl buiten Note 31 · Oroetes gaf over alles zijne goedkeuring te kennen, en zeide: »Ook ik bezit zulk eene afbeelding van de wereld. Een Milesiër, Hecataeus14 geNote 32 · »Laat mij met den koning beginnen!—Zoolang Phanes te Babylon was, scheen hij zijne smart over het verlies der Egyptische niet te gevoelen. DNote 33 · »Kort daarop ontbood Cambyzes op een morgen alle mobeds en Chaldaeërs, om hun de verklaring van een vreemdsoortig droomgezicht te vragen. HiNote 34 · »Drie dagen na mijn afscheid van Atossa moest ik Artystone, de dochter van Gobryas, huwen. Zij is schoon, en zou gewis ieder ander, behalve Note 35 · »Laat ons afspreken, dat wij binnen drie dagen opbreken,” hernam Darius. »Want wij hebben nog velerlei zaken voor de afreis in orde te brengNote 36 · »Het zij zoo!” zeide Darius, na nog een oogenblik nagedacht te hebben. »Dan moet Oroetes ons aan de kleederen van Lydische taxiarchen21 helpNote 37 · De zon van een gloeiend heeten hondsdag was over Naucratis opgegaan. De Nijl was reeds buiten zijne oevers getreden, en had de velden en tuiNote 38 · Langs de haven dezer Helleensche volkplanting zag men groote magazijnen. Daarnaast stonden lichtgebouwde huizen. De muziek, het vroolijk gelNote 39 · Maar allengs verliet de menigte de haven, daar de tijd naderde waarop de markt begon3, en de vrije Helleen was niet gewoon deze onbezocht teNote 40 · Maar niet geheel zonder oponthoud hadden de jongelingen hunne bestemming bereikt. Aan den vrij lastigen aandrang van de vischventers, die ga
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings