Note 1 — Derde hoofdstuk.
Hendrik Cornelis Rogge translation
De zon van een gloeiend heeten hondsdag was over Naucratis opgegaan. De Nijl was reeds buiten zijne oevers getreden, en had de velden en tuinen van Egypte met zijn wateren bedekt. De haven in den mond der rivier wemelde thans van schepen. Egyptische vaartuigen, bemand met de Phoenicische kolonisten van de kust der Delta, brachten fijne weefsels van Malta aan, metalen en gesteenten van Sardinië, wijn en koper van Cyprus. Grieksche triëren brachten fijne oliën en wijnen, mastiktakken, metaalwerken en wollen stoffen van Chalcidice; Phoenicische en Syrische vaartuigen, met bont gekleurde zeilen, voerden purperstoffen, koper, tin, edelgesteenten, specerijen, glas- en tapijtwerken aan, benevens ceders van den Libanon, voor het bouwen van huizen in het aan hout zoo arme Egypte, ten einde deze waren in te ruilen tegen de schatten van Aethiopië: goud, elpenbeen, ebbenhout, veelkleurige tropische vogels, edelgesteenten en zwarte slaven, maar vooral tegen het wereldberoemde Egyptische koren, de wagens van Memphis, Saïtisch kantwerk en fijn papyrusriet. Maar de tijd van uitsluitenden ruilhandel was reeds lang voorbij, en de kooplieden van Naucratis betaalden hunne inkoopen niet zelden met klinkend goud en zorgvuldig afgewogen zilver1.