← Table of contents
Eene Egyptische Koningsdochter

Vierde hoofdstuk.

Hendrik Cornelis Rogge translation

»Koopt mijne rozen, schoone heeren!” riep zij met heldere, welluidende stem, »en steekt ze uwe beminden in het haar!”

Zopyrus nam de bloemen aan, riep, de hand van het meisje vasthoudende: »Ik kom zoo pas uit verre landen hier aan, lief kind, en heb nog geene vriendin te Naucratis, laat mij dus deze rozen in uw eigen blonde krullen steken, en dat goudstuk in uw blanke handjes drukken!”

»Neen!”

»Dat is jammer, want wij zijn zusters!”

»Gij wilt zeggen, dat wij anders drie aardige paartjes zouden zijn?”

»Dat heb ik misschien gedacht, maar niet gezegd,” hernam zij heel ondeugend.

»En uwe zusters?”

De meisjes lachten, schenen met genoegen aan zulk eene verbintenis te denken, en boden ook Darius en Bartja rozeknoppen aan.

De jongelingen namen ze aan; betaalden insgelijks voor ieder ruikertje een goudstuk, en konden zich niet van de schoonen afmaken, dan nadat zij hunne helmen met laurierbladeren omkranst hadden.

Het gerucht van de ongemeene mildheid der vreemdelingen verspreidde zich intusschen onder de vele bloemenmeisjes, die linten, bloemen en kransen te koop boden. Ieder maakte de vrienden op hare schoone waar opmerkzaam, en noodigde hen door blikken en woorden tot koopen uit. Zopyrus had gaarne, als zoo menig jongeling uit Naucratis, nog veel langer bij de meisjes vertoefd, die zich bijna alle door schoonheid onderscheidden, en wier genegenheid licht te winnen was; Darius echter herinnerde hem, dat zij spoed moesten maken, en verzocht Bartja den lichtzinnigen vriend te verbieden zich verder op te houden. Eindelijk bereikten zij dan ook, na de tafels der wisselaars en de burgers, die, op steenen banken gezeten, onder den blooten hemel raad hielden, te zijn voorbijgegaan, het huis van Theopompus.

Nauwelijks had deze den brief gelezen, of hij boog zich diep voor den koningszoon neder, en riep: »Bij Zeus, die ons den plicht der gastvrijheid oplegt, grootere eer dan die van uw bezoek, had mijn huis wel niet kunnen te beurt vallen! Beschouw al wat ik heb als uw eigendom, en verzoek ook uwe vrienden hun intrek in mijne woning te nemen. Vergeef mij, dat ik u in uwe Lydische kleeding niet herkende. Ik geloof dat uwe lokken korter en uw baard zwaarder zijn geworden, sedert gij Egypte verliet. Vergis ik mij niet, dan wenscht gijlieden onbekend te blijven?—Zooals gij wilt! De beste gastvrijheid bestaat daarin, dat men zijne gasten geheel vrijlaat. O, nu herken ik uwe vrienden! Ook zij hebben zich vermomd en gelijk gij het haar gekort. Ja, ik zou durven bezweren, dat gij, mijn vriend, wiens naam...”

»Ik heet Darius.”

»Dat gij, Darius, uwe haren zwart geverfd hebt. Is het zoo niet? Gij ziet, dat mijn geheugen mij niet bedriegt. Toch mag ik daar niet al te zeer op roemen; want meermalen heb ik u te Saïs gezien, en ook hier bij uwe aankomst en uw vertrek. Gij, o koningszoon, zult misschien vragen, of anderen u niet evenzeer zullen herkennen? Stellig niet! De vreemde kleeding, het korte haar en uwe donkergekleurde wenkbrauwen hebben u verbazend veranderd. Maar vergun mij, dat ik mij een oogenblik verwijder! Mijn oude portier wenkt mij en schijnt eene belangrijke boodschap te hebben.”

Nauwelijks had de woordenrijke Helleen uitgesproken, of de schrijver, een mager in het wit gekleed man, trad het vertrek binnen. Hij ging naar de vreemdelingen toe, en ondervroeg hen door tusschenkomst van zijn tolk naar hunne afkomst en het doel hunner reis. De jongelingen herhaalden, wat door Theopompus reeds was bericht, namelijk dat zij uitgewekene hekatontarchen waren, en verzochten den beambte hun het middel aan de hand te doen, om onder de Egyptische hulptroepen te worden opgenomen, en hen van passen te voorzien. Nadat hun gastheer zich borg voor hen gesteld had, aarzelde de beambte niet langer, en stelde hen in ’t bezit der verlangde stukken.

Aldus luidde de pas van Bartja:

»Smerdes,—zoon van Sandon, uit Sardes,—ongeveer twee en twintig jaren oud, hoog en rank van gestalte, met een schoon gevormd gelaat, rechten neus en hoog voorhoofd, in het midden waarvan zich een klein litteeken bevindt, mag zich, dewijl voor hem een voldoende borg is aangewezen, daar waar de wet vreemdelingen duldt, in Egypte ophouden.

In naam des Konings.

Sachons, schrijver.”

Toen de beambten het huis verlaten hadden, wreef Theopompus zich in de handen, zeggende: “Nu kunt ge u, zoo gij ten minste mijn raad steeds wilt volgen, vrij en gerust in dit land bewegen. Bewaart deze papierrolletjes zoo zorgvuldig als uwe oogen en houdt ze steeds bij u.—Thans noodig ik u mij aan ’t ontbijt te volgen, en mij, als mijne vraag niet onbescheiden is, te vertellen, of het gerucht, dat zich als een loopend vuurtje over de markt verspreid heeft, niet als gewoonlijk gelogen heeft. Eene van Colophon komende triëre bracht namelijk het bericht, dat uw machtige broeder, edele Bartja, zich tegen Amasis ten strijde toerust.

Aan den avond van den zelfden dag zagen Bartja en Sappho elkander weder. Welk een heuglijke ontmoeting! De verschijning van den koningszoon was voor Rhodopis’ kleindochter eene verrassing, die hare stoutste verwachting verre overtrof. De jonkvrouw kon gedurende het eerste uur geene woorden vinden, om haar geluk, hare blijdschap en hare dankbaarheid te uiten. Toen zij eindelijk weer alleen waren in dat priëel van jasmijnen, waar zij den eersten liefdekus gewisseld hadden, legde Sappho haar hoofdje aan het hart van den dierbaren jongeling. Lang zaten zij sprakeloos naast elkaâr, en hadden geen oog voor maan of sterren, die in den zoelen zomernacht, in de diepste stilte, boven hunne hoofden de zooveel beteekenende cirkels beschreven. Zij hadden geen oor voor het lied van de nachtegalen, die als voorheen, in beurtzang al fluitend hun geliefkoosd »itys ito” zongen. Zij gaven geen acht op den vochtigen dauw, dien de nacht over hunne hoofden en de gesloten bloemklokjes uitgoot.

Eindelijk vatte Bartja beide de handen zijner bruid, en keek haar lang zwijgend aan, als wilde hij zich hare trekken voor immer onuitwischbaar in de ziel prenten; zij echter zag blozend voor zich, tot hij eindelijk uitriep: »Wanneer ik van u droomde, dan waart gij schooner dan alles, wat Aoeramazda geschapen heeft; thans zie ik, dat gij zelfs mijne voorstellingen in den droom in schoonheid nog verre overtreft!”

En toen zij hem voor dit woord met een vriendelijken blik dankte, sloeg hij nogmaals zijn arm om haar middel, drukte haar vaster aan zijne borst, en vroeg: »Hebt gij aan mij gedacht?”

»Alleen, alleen aan u!”

»En hooptet ge, mij spoedig weer te zullen zien?”

»Thans zitten wij neder in die boot des geluks! Och, dat de tijdstroom nu ophield te vlieten! Och, bleef het immer, gelijk het nu is!—Allerliefst meisje, wat spreekt ge verstandig, hoe goed begrijpt gij die schoone lessen, en hoe bevallig geeft gij ze weder. Ja, mijne Sappho, ik ben trotsch op u! In uwe liefde bezit ik een schat, die mij veel rijker maakt dan mijn heer en broeder, voor wien de halve wereld zich buigt!”

»Gij, trotsch op mij, gij, groote vorstenzoon, de schoonste en beste van uw heelen stam?”

»Ik vind in mij geen hooger waarde, dan die, dat gij mij uwer waardig keurt!”

»Groote goôn, hoe kan dit kleine hart zulk een volheid der hoogste zaligheid bevatten, zonder te bersten als eene vaas, die men met zuiver goud heeft overladen!”

»Wijl een ander hart, het mijne, u dien last helpt dragen, wijl uwe ziel de mijne ondersteunt. Met deze hulp tart ik de gansche wereld, en al ’t lijden dat de nacht ons brengt.”

»O, wek den nijd, den toorn der goôn niet op, wien toch te vaak ’t geluk der stervelingen verdriet. Sinds gij van ons zijt weggegaan, hebben wij menigen dag van tranen doorleefd. De arme kinderen van den goeden Phanes, een knaap, schoon als Eros, een meisje zoo zacht en rooskleurig als een wolkje, dat liefelijk door het morgenrood beschenen wordt, brachten eenige dagen door in onze woning. Grootmoeder werd weer vroolijk en jong, toen zij de lieve, bloeiende kinderen aanschouwde. Ik schonk hun van stonde aan mijn hart, schoon dit u geheel alleen behoort. Maar met dat hart is ’t zonderling gesteld. Gelijk de zon, verbreidt het licht en warmte, en ’t wordt toch niet koud; zelfs houdt ’t altijd nog gloed genoeg over, om wie daar aanspraak op hebben mede te koesteren. Ach, die kinderen van Phanes, ik had ze zoo lief!—Op een avond zaten wij met Theopompus alleen in het vrouwenvertrek, toen zich voor het huis een woest getier liet hooren, en de deur als met hamerslagen gebeukt werd. De oude Knakias, onze trouwe slaaf, spoedde zich naar de deur doch had deze nog niet bereikt, toen ze reeds voor ’t geweld bezweek, en een bende woeste krijgsknechten door het voorportaal in het andronitis, en van daar, na de middendeur verbrijzeld te hebben, tot ons doordrong. Grootmoeder vertoonde hun den brief, bij welken Amasis haar huis tot een onschendbare wijkplaats had verklaard. Maar zij lachten met dat geschrift en toonden een gezegeld stuk, waarin de kroonprins Psamtik uitdrukkelijk gebood de kinderen van Phanes op staanden voet aan dien ruwen hoop over te leveren. Theopompus bestrafte de soldaten over hunne onbeschoftheid, en zeide, dat de kinderen, die onze gasten waren, te Corinthe tehuis hoorden, en niets met Phanes gemeen hadden. De hoofdman der krijgslieden beantwoordde den edelen man echter met smaad en spot, stiet mijne bezorgde grootmoeder ruw op zijde, drong met geweld in haar slaapvertrek, waar naast hare kostbare schatten, aan het hoofdeinde van hare eigene legerstede, de twee kinderen vreedzaam sluimerden. Ze rukten de kleinen uit hunne bedjes en brachten ze in eene opene boot,—het was een koude nacht,—naar de koningsstad. Weinige weken later was het knaapje dood. Men zeide, Psamtik had het jongske doen vermoorden. Het lieve meisje zucht nog heden in een duisteren kerker, verlangende naar ons en naar haar vader. O, mijn geliefde, spreek, is het niet hard, dat zelfs het reinste geluk niet onvergald kan blijven? De traan van zaligheid in mijn oog vermengt zich nu reeds met den bitteren traan der smart, en deze mond, die straks nog lachte, kan nu geen woorden vinden, sterk genoeg om ’t lijden uit te drukken, dat dit hart gevoelt.”

»Ik voel, wat gij lijden moet, mijne liefste; doch klagen kan ik niet als gij, teedere vrouw. Wat u slechts de tranen uit de oogen perst, doet mij de vuisten ballen. De schoone knaap die u dierbaar was, het meisje dat in den kerker wegkwijnt, zullen weldra gewroken worden. Geloof, wat ik u zeg! Alvorens de Nijl andermaal buiten zijne oevers treedt, zal een verbazend leger dit land binnendringen, en rekenschap eischen van dien moord!”

»O liefste vriend, hoe gloeien thans uwe oogen! Zoo schoon, zoo heerlijk zag ik u nog nooit! Ja, ja, de knaap moet gewroken worden, en niemand dan gij mag zijn wreker zijn!”

»Mijne zachte Sappho wordt op eens krijgshaftig!”

»Waar de boosheid over hare gruwelen juicht, daar behoort ook de vrouw heldenmoed te toonen. Ook de vrouw verheugt zich als de misdaad gestraft wordt!—Maar zeg mij, is de oorlog reeds verklaard?”

»Nog niet, maar toch trekken reeds van alle zijden legerscharen naar het dal van den Euphraat, van waar het groote leger moet oprukken.”

»O, reeds ontzinkt mij de moed, straks zoo snel ontvlamd. Ik sidder bij het vernemen van het woord ‘krijg.’ Hoevele moeders maakt hij niet kinderloos! Hoevele vrouwen hullen het jeugdig hoofd niet in den sluier der weduwen, als Ares woedt! Hoevele legersteden worden niet door tranen besproeid, als Pallas hare huiveringwekkende Aegis zwaait!”

»Hoe verheft zich daarentegen de man in den woesten strijd, hoe verruimt zich zijn borst, hoeveel krachtiger wordt zijn arm niet! En rekent gij dan uwe vreugde voor niets, wanneer de geliefde held, met roem overladen, als overwinnaar huiswaarts keert? Het hart eener Perzische vrouw moet kloppen van geestdrift, als zij van veldslagen hoort gewagen. Want is het leven van haar gade haar dierbaar, zijn krijgsroem moet haar meer waard zijn.”

»Ga ten strijde! Mijn gebed zal u beschermen.”

»En de rechtvaardige zaak zal zegevieren! Eerst slaan wij het leger van den pharao,—dan wordt Phanes’ dochterke bevrijd....”

»En dan de edele Aristomachus, die de plaats van den gevluchten Phanes heeft ingenomen. Hij is opeens verdwenen; waar hij bleef, weet niemand. Men beweert, dat de kroonprins den dappere, die hem met zijn wraak dreigde over de mishandeling van Phanes’ kinderen, in een donkeren kerker heeft geworpen. Zoo hij hem maar niet—wat erger zou zijn dan de pijnlijkste dood—naar eene afgelegene steengroeve heeft doen sleepen. De arme grijsaard was door booze vijanden onschuldig uit zijn vaderland gebannen. Op den dag zelven van zijn verdwijnen, kwam er eene boodschap van wege de Spartanen hier aan den Nijl, waarbij Aristomachus, door wiens zonen Sparta in aanzien was gerezen, met al de eer, die Hellas een mensch kan schenken, naar de boorden van den Eurotas werd teruggeroepen. Een schip met kransen versierd wachtte den onvolprezen grijsaard, en aan ’t hoofd van het gezantschap stond zijn eigen roemrijke en krachtige zoon.”

»Ik ken dien man met zijn stalen wil, die zichzelven verminkte om de schande te ontgaan. Bij de Anahita-ster, die ginds in het oosten tintelend ondergaat, wij zullen hem wreken!”

»Maar, mijn beste Bartja, is het reeds zoo laat? De tijd is voor mij omgevlogen als een koeltje, dat onze voorhoofden kust en voorbijsnelt. Hoort gij daar niet roepen? Ja, men wacht ons! Vóor het aanbreken van den dag moet gij in de stad, in het huis van uw edelen gastheer zijn. Vaarwel, mijn held!”

»Geliefde, vaarwel! Binnen vijf dagen zingen wij het bruiloftslied.—Gij beeft, als ging ik reeds ten strijde!”

»Mijn zenuwen trillen bij de gedachte aan de grootte van ons geluk, gelijk dit het geval is bij de aanschouwing van al wat grootsch en ontzagwekkend is.”

»De goede Rhodopis roept al weder. Laat ons thans gaan! Ik heb Theopompus verzocht, overeenkomstig het gebruik met uwe grootmoeder te bepalen, wanneer en hoe het huwelijksfeest zal worden gevierd. Ik blijf vermomd in zijn huis, tot ik u, als mijne geliefde gade, tot mij mag nemen.”

»En ik zal u volgen!”

Toen de jongelieden den volgenden morgen met hun gastheer in diens tuin wandelden, riep Zopyrus: »Ik heb dezen ganschen nacht door van uwe Sappho gedroomd, gelukkige Bartja! Zulk een lief schepseltje werd er nog nooit geboren. Wanneer Araspes haar heeft gezien, zal hij mij moeten toestemmen, dat Panthea niet de schoonste van alle vrouwen was. Mijne nieuwe gemalin te Sardes, die ik voor een wonder van schoonheid hield, komt mij thans als een nachtuil voor. Aoeramazda is een verkwister! Met Sappho’s bekoorlijkheden had hij drie vrouwen gelukkig kunnen maken. Klonk haar stemmetje niet als muziek, toen zij ons in ’t Perzisch goeden nacht wenschte?”

»Gedurende mijn afzijn,” antwoordde Bartja, »heeft zij de taal van mijn vaderland geleerd van eene oude vrouw uit Susa, echtgenoote van een tapijthandelaar uit Babylon, die te Naucratis woont, en met dit met zooveel moeite verworven geschenk verraste zij mij.”

»Zij is een voortreffelijk meisje!” riep de groothandelaar. »Mijne overledene gade beminde de kleine, als ware zij haar eigen kind geweest, en had haar gaarne met onzen zoon, die te Milete aan het hoofd mijner zaken staat, zien huwen. Maar de goden hebben het anders gewild! Toch zou mijne ontslapene gade zich verblijden, als zij de bloemguirlandes ten huize van Rhodopis kon zien!”

»Is het dan bij u gebruikelijk, de woning eener bruid met bloemen te versieren?” vroeg Zopyrus.

»Ik vergezel u,” riep Zopyrus, »om kransen voor het huis van Sappho te bestellen!”

»Ha! ha!” hernam de Milesiër lachend, »gij voelt u naar de bloemenmeisjes getrokken? O, spreek mij niet tegen, ik heb het wel geraden. Wanneer gij lust hebt, kunt gij gerust met mij gaan; maar ik bid u wat minder mild te zijn dan gisteren, en aan uwe verkleeding te denken, daar gij anders wel eens in gevaar zoudt kunnen geraken, als er bijgeval stellige berichten kwamen, dat Egypte een oorlog met Perzië boven ’t hoofd hangt!”

De Helleen liet zich door een slaaf de sandalen aanbinden, en begaf zich, door Zopyrus gevolgd, naar de markt, van waar hij weinige uren later terugkeerde. Er moest iets gewichtigs zijn voorgevallen, want de anders zoo opgeruimde man keek bijzonder ernstig, toen hij zich bij de achtergeblevene vrienden neerzette.

»Ik zal er wel voor zorgen,” zeide Bartja, »dat mijn broeder al uwe oude vrijheden bevestigt, en er u nog meerdere verleent.”

»Moge hij spoedig Egypte binnenrukken!” riep de Helleen uit. »Wij weten dat Psamtik, zoodra hij slechts de handen volkomen vrij heeft, ons bevelen zal onze tempels, die hem een gruwel zijn, omver te halen. Reeds sedert lang is ons het bouwen eener offerplaats te Memphis verboden.”

»Hier evenwel”, zeide Darius, »hebben wij schoone tempels gezien, toen wij van de haven kwamen.”

»Wij bezitten er verscheidene.—Doch daar komt Zopyrus met mijn slaven, die hem een berg van kransen nadragen. Hij ziet er zoo recht opgeruimd uit, en heeft zeker al een zeer aangenaam onderhoud met de bloemenmeisjes gehad. Goeden morgen, vriend! Gij schijnt u om de treurige boodschap, die gansch Naucratis met rouw vervult, niet zwaar te bekommeren!”

»Ik gun Amasis nog honderd jaren!” was het antwoord. »Maar als hij sterft, zal men wel wat meer te doen hebben, dan op ons acht te geven. Wanneer denkt gijlieden naar Rhodopis te gaan, vrienden?”

»Zoodra het duister wordt.”

»Breng dan de edele vrouw deze bloemen als een geschenk van mij. Ik had nooit kunnen denken, dat eene oude vrouw zulk een indruk op mij zou maken. Ieder harer woorden klinkt als muziek, en hoe ernstig en verstandig het ook is wat zij zegt, het weet toch, als de vroolijkste scherts, onze ooren binnen te dringen. Ditmaal kan ik u niet begeleiden, Bartja, want ik zou u toch maar hinderen! Wat zijn uwe plannen, Darius?”

»Ik zou niet gaarne de gelegenheid verzuimen, om Rhodopis te spreken.”

»Dat kan ik denken! Gij moet altijd alles weten en leeren; terwijl ik er veel van houd, alles te genieten. Wilt gij mij voor hedenavond verlof geven, vrienden? Ziet eens....”

»Ik weet alles!” viel Bartja den dartelen jongeling lachend in de rede. »Gij hebt de bloemenmeisjes tot heden slechts bij dag opgenomen, en zoudt ook gaarne weten, hoe zij er bij lamplicht uitzien.”

»Gij slaat den spijker op den kop!” antwoordde Zopyrus, die moeite deed, om een ernstig gezicht te zetten. »In dit opzicht ben ik als Darius zeer begeerig naar kennis.”

»Dan wenschen wij u veel genoegen bij de drie zusters!”

»Liever niet;—slechts bij Stephanion, de jongste!”

Toen Bartja, Darius en Theopompus het huis van Rhodopis verlieten, brak de morgen reeds aan. Syloson, een aanzienlijk Helleen, een broeder van Polycrates, door wien hij uit zijn vaderland gebannen was, had ook den avond bij Rhodopis doorgebracht en keerde nu met Theopompus en zijne gasten terug naar Naucratis, waar hij sedert jaren woonde. Deze man, dien zijn broeder wel in ballingschap deed leven, maar het hem evenwel nooit aan geld liet ontbreken, voerde den schitterendsten staat van alle burgers van Naucratis, en was evenzeer beroemd om zijne kwistige maaltijden, als om zijne kracht en behendigheid. Buitendien onderscheidde Syloson zich door schoonheid en prachtige kleeding. Alle jongelingen van Naucratis rekenden het zich tot eene eer, de snede en de schikking der plooien van zijn gewaad na te volgen. Ongehuwd zijnde en zonder bezigheden, bracht hij dikwerf den avond in het huis van Rhodopis door, die hem onder hare beste vrienden telde, en hem dan ook in het geheim harer kleindochter had ingewijd.

Nauw hadden Bartja en Darius de stem van den gebondene gehoord, of zij snelden op hem toe, en herkenden Zopyrus. Syloson en Theopompus hielden de patrouille staande en vroegen den aanvoerder, wat hun gevangene misdaan had. De beambte, die, als ieder kind te Naucratis, den Milesiër en den broeder van Polycrates kende, maakte eene diepe buiging, en vertelde, dat de vreemde jongeling een moord begaan had.

Theopompus nam nu den hoofdman ter zijde, en beloofde hem veel geld, als hij den gevangene wilde loslaten, doch kon van den Egyptenaar niets meer gedaan krijgen, dan dat hij hem toestond met zijn gast even te spreken.

Toen de vrienden bij Zopyrus stonden, verzochten zij hem hun spoedig te verhalen, wat er voorgevallen was, en vernamen dat hun levenslustige vriend, bij het aanbreken van den nacht, de bloemenmeisjes bezocht had, tot aan de eerste ochtendschemering bij Stephanion gebleven en toen de straat opgegaan was. Nauwelijks had hij de huisdeur achter zich gesloten, of hij werd door onderscheidene jongelieden, die hem allerwaarschijnlijkst bespied hadden, aangevallen. Met een hunner, die zich Stephanion’s bruidegom noemde, had hij het ’s morgens reeds aan den stok gehad. De deerne had den lastigen vrijer op vrij snibbige wijze den rug toegekeerd en Zopyrus bedankt, toen deze den indringer met klappen dreigde. Toen de Achaemenide zag, dat hij geheel omsingeld was, trok hij aanstonds zijn zwaard, en sloeg de slechts met stokken gewapende aanvallers zonder moeite terug, doch had daarbij het ongeluk, den jaloerschen vrijer, die vrij woest op hem indrong zoo zwaar te wonden, dat hij nederstortte. Intusschen was de patrouille genaderd, en wilde Zopyrus, op het roepen van den gewonde: »moordenaars, roovers!” in hechtenis nemen. Doch de Pers was niet genegen, tot zoo geringen prijs zijne vrijheid te verkoopen. Door het gevaar waarin hij zich bevond nog meer aangevuurd, vloog de strijdlustige jongeling met opgeheven zwaard op de soldaten los, en had zich reeds ruim baan gemaakt, toen eene tweede bende toesnelde, en hem met de eerste vereenigd opnieuw aangreep. Wederom zwaaide hij zijn wapen, dat ditmaal een Egyptenaar den schedel in tweeën spleet. Een tweede houw wondde een soldaat in den arm. Toen hij echter een derden houw wilde doen, voelde hij plotseling, dat men een strik om zijn hals slingerde, die hoe langer zoo vaster aangetrokken werd. Opeens kon hij geen adem meer halen en verloor zijn bewustzijn. Toen hij weder bijkwam, was hij gekneveld, en moest, in spijt van zijn pas en zijn beroep op Theopompus de bende volgen.

»Hij heeft,” hiermede eindigde hij, »een Egyptenaar vermoord, en moet daarom door een Egyptische rechtbank gevonnist worden. In ieder ander geval ben ik tot uw dienst.”

Intusschen had Zopyrus met zijne beide vrienden gesproken, en hen aangemaand niet bezorgd voor hem te zijn. »Ik zweer u, bij Mithra,” riep hij, toen Bartja hem te kennen gaf dadelijk er voor uit te willen komen wie hij was, ten einde zijne vrijheid te verkrijgen, »dat ik mij, zonder er een oogenblik over te denken, mijn zwaard in het hart stoot, wanneer gij u om mijnentwille in de handen dezer Egyptische honden overlevert. Reeds is het gerucht van den aanstaanden krijg door de geheele stad verspreid; zoodra Psamtik verneemt, welke kostbare vogels in zijn net zitten, zal hij zich niet lang bezinnen, maar het spoedig dichttrekken, om u als gijzelaars te behouden. Aoeramazda schenke u heil en zegen en reinheid! Leeft gelukkig, vrienden, en denkt menigmaal aan den lustigen Zopyrus, die voor strijd en liefde geleefd heeft, en voor liefde en strijd in den dood gaat!”

De hoofdman had zich intusschen weder aan het hoofd der bende gesteld, en zijnen lieden bevel tot oprukken gegeven.

Eenige oogenblikken later was Zopyrus uit het gezicht der hem nastarende vrienden verdwenen.

Notes in this chapter

Note 1 · Zie blz. 101.Note 2 · In elke havenstad der oudheid werden zulke huizen gevonden. Van die aan den Canopischen Nijlmond maakt Strabo opzettelijk melding.Note 3 · Hoe ijverig de Grieken waren om ter markt te gaan, bewijst het volgend verhaal van Strabo. Een fluitspeler te Jasos werd door allen verlatenNote 4 · Het snelle schip.Note 5 · Juno.Note 6 · De onderscheidene waren werden binnen afgeslotene ruimten uitgestald. De plaats der bloemenverkoopsters, die over het algemeen voor meisjes Note 7 · Zulk een ruikertje was met een goudstuk meer dan betaald. Aristophanes laat een slaaf van Lamachus een belachelijk hoogen prijs bieden als dNote 8 · Het mannenvertrek.Note 9 · De aanzienlijkste Grieken schaamden zich niet, in gezelschap van hunne slaven aankoopen op de markt te doen. Eerzame huismoeders durfden zicNote 10 · Zes centen.Note 11 · Zie boven blz. 75.Note 12 · Dergelijke signalementen zijn op papyrussen bewaard gebleven.Note 13 · De vogel die van de rechterzijde kwam aanvliegen, bracht geluk aan. Ook het trekken van het rechter oog gold voor een goed voorteeken.Note 14 · Men ziet: de bekende Haarlemsche kloppertjes zijn al van oude dagteekening.Note 15 · De Grieken plachten daar hunne waren op monsters te verkoopen.Note 16 · Plutarchus verzekert, dat de Atheensche bruiden, volgens een wet van Solon, vóor de bruiloft een kweeappel moesten eten, die buitendien voorNote 17 · De heler van een moord moest met den knoet gestraft worden, en kreeg in drie dagen eten noch drinken.Note 18 · Het meisje schaterde het uit van blijdschap, toonde de buitengewoon rijke gift aan hare zuster7, en riep: »Bij Eros! Jongelingen als gij zijNote 19 · Nauw had hun Grieksche gids den metalen klopper op de deur doen vallen, of deze werd door een slaaf geopend. Daar de heer des huizes zich opNote 20 · Terwijl de jongelingen zich nog onledig hielden met het beschouwen van het schoone schilderwerk op de wanden, en de kunstige bewerking van dNote 21 · Weinige oogenblikken later keerde Theopompus terug, en riep: »Hoort eens, waarde gasten, als gij onbekend wenscht te blijven, dan moet gij uNote 22 · De passen van Zopyrus en Darius waren op dezelfde wijze gesteld12.Note 23 · »Ach, uur en uur dacht ik: ‘hij moet komen!’ Als ik ’s morgens in den tuin trad, en heenzag naar het oosten, uw geboorteland, en een vogeltjNote 24 · »Voorzeker!” antwoordde Theopompus. »Als gij eene met bloemguirlandes behangene deur voorbijgaat, dan weet gij dat daar eene bruid is; ziet Note 25 · »Ik vond de geheele stad in rep en roer,” begon hij te verhalen, »want het gerucht liep, dat Amasis gevaarlijk ziek was. Toen wij zoo even, Note 26 · Op dien avond was men overeengekomen, dat het huwelijk binnen vier dagen, in alle stilte en heimelijk, zou worden voltrokken. Reeds had BartNote 27 · Nadat hij zijn verhaal geëindigd had, gaf de Milesiër den jongeling op de ondubbelzinnigste wijze zijne ontevredenheid te kennen, hem verzekNote 28 · Volgens de Egyptische wet, moest over Zopyrus het doodvonnis worden uitgesproken. Zoodra de vrienden dit vernomen hadden, stond het besluit Note 29 · Op eene afgelegene plaats traden zij aan wal, en kwamen dadelijk daarop in de wijk der handwerkslieden, die, in weerwil van de verbazende hi
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings