← Table of contents
Eene Egyptische Koningsdochter

Note 13 — Vierde hoofdstuk.

Hendrik Cornelis Rogge translation

»Ach, uur en uur dacht ik: ‘hij moet komen!’ Als ik ’s morgens in den tuin trad, en heenzag naar het oosten, uw geboorteland, en een vogeltje van de rechterzijde op mij toevloog, voelde ik een zeker trekken in het rechter ooglid13; wanneer ik mijne kist opruimde, en den laurierkrans vond, die u zoo heerlijk stond, en dien ik daarom tot een aandenken bewaarde,—Melitta zegt, dat het bewaren van zulk een krans de trouwe liefde onderhoudt,—dan klapte ik in de handen, en dacht: »heden moet hij komen,” liep naar den Nijl en wuifde ieder vaartuig met mijn doek het welkom toe, want ieder nieuw vaartuig, docht mij, kon u in mijne armen voeren. En als ik u niet komen zag, keerde ik treurig naar huis terug, en zong een lied, en tuurde in het vuur van den haard in het vrouwenvertrek, tot grootmoeder mij uit den droom kwam wekken, zeggende: ‘hoor eens, meisjelief, wie overdag droomt, loopt gevaar des nachts den slaap niet te kunnen vatten, en ’s morgens droefgeestig, met afgematte hersenen en vermoeide leden, van zijn leger op te staan. De dag werd ons gegeven, om te waken, om onze oogen wijd open te houden, en te zorgen, dat geen uur onnut voorbijga. Het verleden behoort aan de dooden. De dwazen hopen veel van de toekomst. De wijze leeft slechts voor het tegenwoordige, dat altijd jeugdig is en nieuw, en gebruikt dit, om alle gaven, die Zeus ons verleend heeft, die Apollo, Pallas en Cypris ons schonken, door arbeid zóo te gebruiken, dat zij met iederen dag in waarde rijzen, volkomener en edeler worden, en ons denken, handelen, gevoelen en spreken ten laatste zoo rein en welluidend zij, als de liefelijke klank der accoorden van het snarenspel. Gij kunt den man, wien gij uw hart geschonken hebt, en dien gij hooger dan u zelven stelt, wijl gij hem liefhebt, niet beter dienen, en geene sprekender bewijzen geven van uwe trouw, dan wanneer gij uw geest en uw hart, zooveel uwe krachten toelaten, veredelt. Het schoone en goede, dat gij u eigen maakt en aanleert, wordt voor uw geliefde een geschenk. Want als gij hem uw gansche zijn toewijdt, dan ontvangt hij uwe deugden met u. Maar al droomende heeft nog nooit iemand eene overwinning behaald. De dauw, die de bloem der deugd laaft en leven geeft, noemt men zweet!’—Zoo sprak zij; en beschaamd verliet ik ijlings den haard, greep mijn speeltuig, leerde nieuwe liederen, of hing aan den mond mijner leermeesteres, die mij,—in wijsheid overtreft zij menig man,—met woord en schrift onderwees. Zoo gleed de tijd daarheen, een snel vlietenden stroom gelijk, die, als de Nijl, van rusten noch toeven weet, en nu eens eene, met bonte wimpels versierde, gouden boot, dan eene vraatzuchtige booze krokodil voorbij ons stervelingen heenvoert!”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings