Note 2 — Vierde hoofdstuk.
Hendrik Cornelis Rogge translation
Op eene afgelegene plaats traden zij aan wal, en kwamen dadelijk daarop in de wijk der handwerkslieden, die, in weerwil van de verbazende hitte, met onverdroten ijver hun werk verrichtten. In den open hof van een bakker zag men knechten, die het grove deeg met de voeten, het fijne met de handen kneedden. Brooden van allerlei vorm werden uit den oven gehaald, cirkelen langwerpig-rond gebakken, wittebrooden in de gedaante van schapen, slakken en harten, in manden gelegd. Sterke knapen plaatsten drie, vier of vijf dier manden op het hoofd, en droegen deze vlug en handig naar de, in de andere deelen der stad wonende klanten2. Een vleeschhouwer slachtte vóor zijn huis een os, wiens pooten bijeengebonden waren, terwijl zijne knechts op slijpsteenen hunne messen scherpten, om het lichaam eener wilde geit te ontleden. Vroolijke schoenmakers riepen uit hunne kramen de voorbijgangers aan, en timmerlieden, kleermakers, schrijnwerkers en wevers3 waren allen ijverig in de weer. De vrouwen der ambachtslieden, met hare naakte kinderen aan de hand, kwamen op straat, om inkoopen te gaan doen, terwijl eenige soldaten naar den wijn- en bierschenker liepen, die zijne bedwelmende waar in het openbaar op de straat uitventte4.