Note 25 — Vijfde hoofdstuk.
Hendrik Cornelis Rogge translation
»Spoed u!” riep Kallias, die thans weder in zijne gewone opgeruimde stemming kwam. »Ook mag de nicht der grootste hymenaeën-dichteres25 niet zonder zang en muziek haar bruidsvertrek binnentreden. Daar het huis van den heer gemaal wat al te ver van hier is, zullen wij onderstellen, dat het ledige andronitis zijne woning zij. Daarheen geleiden wij door de middeldeur de jonge vrouw, en gebruiken aan den huiselijken haard een vroolijk bruiloftsmaal.—Hier, slavinnen, verdeelt u in twee koren. Gij neemt de rol der jongelingen en gij die der maagden op u, en zingt voor ons de hymenaeus van Sappho: ‘Zooals in het gebergte’. Ik speel voor fakkeldrager26, eene waardigheid, die mij in ieder geval toekomt. Gij moet weten, Bartja, dat mijne familie het erfelijk recht bezit, bij de mysteriën van Eleusis de fakkels te dragen, waarom men ons dadoechen of fakkeldragers noemt.—Hei daar, slaaf! Zorg voor kransen aan de deur van het andronitis, en beveel uw onderhoorigen, dat zij ons bij ons binnentreden met suikerwerk bestrooien27. Zie eens aan, brave Melitta, van waar hebt gij die schoone bruids- en bruigomskronen van violen en mirten zoo spoedig gehaald28?—Waarlijk, de regen stort bij stroomen door de opening van het dak!—Ha! Ha!—Hymen heeft Zeus overgehaald ook een handje te helpen, opdat er niets aan uw bruiloftsfeest ontbreke. Daar gij het bad niet hebt kunnen nemen, dat bruid en bruigom, volgens oud gebruik, aan den morgen van den bruiloftsdag moeten gebruiken, moet gij voor een oogenblik hieronder staan en den regen van Zeus het geheiligd bronwater laten vervangen! Heft gij thans het lied aan, meisjes! Laat de jonkvrouw het verlies van haren maagdelijken staat betreuren en de jongelingen het lot der jonggehuwden nemen.”