Note 9 — Vijfde hoofdstuk.
Hendrik Cornelis Rogge translation
Priesters, rijk getooid in pantervellen of lange witte kleederen, openden den stoet. Op deze volgden hofbeambten, met gouden staven in de handen, op welker spitsen pauwevederen en zilveren lotusbloemen waren bevestigd. Daaraan sloten zich de pastophoren9, die eene gouden koe, het dier van Isis, op de schouders droegen. Nadat het volk zich voor dit heilig voorwerp had neergebogen, verscheen de koningin in priesterlijk gewaad, met een prachtig hoofdtooisel, waarin de gevleugelde zonneschijf en de Uraeus-slang eene voorname plaats bekleedden. Zij hield een heilig gouden sistrum10, welks klank de demonen moest verdrijven, in de linker en lotusbloemen in de rechterhand. De koningin werd wederom gevolgd door de gade, de dochter en de zuster van den opperpriester, in dergelijke doch minder kostbare kleeding11. Dan verscheen de kroonprins in rijken feestdos. Daarop volgde Tachot, de dochter van Amasis en Ladice, de gewaande zuster van Nitetis. Zij werd in een draagstoel, door vier jonge priesters in witte kleederen, gedragen. De wangen der teringlijderes waren, tengevolge van de inspanning van het gebed en de hitte van den zomerdag, met een licht blosje overtogen. Hare blauwe oogen baadden in tranen en waren op het sistrum gevestigd, dat hare zwakke uitgeteerde handen ter nauwernood meer konden vasthouden.