← Table of contents
Eene Egyptische Koningsdochter

Note 4 — Achtste hoofdstuk.

Hendrik Cornelis Rogge translation

»Ten onrechte beklaagt gij u over den god,” antwoordde Phryxus, »want het is niet zijne schuld, dat gij in uwe menschelijke ijdelheid aan zijne uitspraak eene valsche verklaring hebt gegeven. Hij zeide niet: ‘het rijk der Persen’, maar een rijk zal door uw strijdlust ten onder worden gebracht. Waarom hebt ge niet gevraagd, welk rijk hij bedoelde? Heeft Apollo u bovendien niet naar waarheid het lot van uw zoon voorspeld en u gezegd, dat deze op een onheilsdag de spraak terug zou krijgen? En toen gij, na den val van Sardes, van Cyrus verlof hadt gekregen, om aan het orakel van Delphi te vragen, of de Grieksche goden zich tot eene wet hadden gesteld, hunne weldoeners met ondank te beloonen, toen antwoordde Loxias u, dat hij het goed met u had gemeend; maar dat het onverbiddelijke noodlot, hetwelk machtiger is dan hij, reeds aan uw grooten voorvader4 voorzegd had, dat de vijfde na hem en dit waart gij, ten ondergang was bestemd!”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings