Note 5 — Achtste hoofdstuk.
Hendrik Cornelis Rogge translation
»Uwe woorden,” liet Cresus hier dadelijk op volgen, »zouden mij in de dagen van mijn ongeluk beter te stade zijn gekomen, dan thans. Er is eene ure geweest, waarin ik uw god en zijn orakel vervloekte. Toen ik echter met mijne macht en mijn rijkdom ook mijne vleiers verloren had, en ik mijne daden begon te beoordeelen naar een maatstaf, dien ik mij zelven had gesteld, zag ik in dat niet Apollo maar mijne ijdelheid mij in het verderf had gestort. Het rijk dat vernietigd zou worden, kon toch het mijne, het machtige rijk van den machtigen Cresus, den vriend der goden, die als veldheer nog door niemand overwonnen was, niet zijn! Als een vriend in die dagen mij op het dubbelzinnige van het orakel had gewezen, ik zou met hem den spot hebben gedreven; misschien had ik hem zelfs gestraft. Evenals een paard den arts slaat, die zijne wond betast om te genezen, zoo handelt ook de despoot ten opzichte van een oprecht vriend, die de wonden van zijne kranke ziel durft aanraken. Alzoo heb ik niet opgemerkt, wat ik zoo gemakkelijk had kunnen zien. De ijdelheid verblindt het oog, dat ons gegeven is tot een onbevangen onderzoek, en geeft voedsel aan de begeerlijkheid van het hart, dat toch bovendien, den goden zij dank, zich wijd openzet voor elke hoop op gewin, maar zich ook haastig sluit, wanneer verlies of onheil in aantocht is. Nu ik helder zie en toch niets te verliezen heb, ben ik veel meer bezorgd, dan toen niemand meer te verliezen had dan ik. In vergelijking met hetgeen ik vroeger was ben ik arm, Phryxus; maar Cambyzes laat mij geen gebrek lijden, en ik ben toch nog bij machte een talent5 voor het tot stand brengen van uw tempel bij te dragen.”