Note 21 — Zesde hoofdstuk.
Hendrik Cornelis Rogge translation
Onder de voorname Egyptenaren, die het volk tot tegenstand hadden aangezet, nam Neithotep, de opperpriester van Neith, de eerste plaats in. Hij werd met honderd zijner ongelukkige medeschuldigen te Memphis in boeien geklonken. Het grootste deel van de koninklijke hofbeambten huldigde Cambyzes echter vrijwillig te Saïs. Zij noemden hem Ramestoe, dat is kind der zon, en verlangden dat hij zich plechtig tot koning van Opper- en Neder-Egypte zou laten kronen en zich volgens oud gebruik in de priesterkaste zou doen opnemen. Cambyzes liet zich dit alles op raad van Cresus en Phanes welgevallen, hoewel tegen zijn zin. Wat meer zegt: hij offerde zelfs in den tempel van Neith, en deed zich van den nieuwen opperpriester eene vluchtige verklaring geven van de beteekenis der mysteriën. Eenige oude hovelingen nam hij in zijne omgeving op, en aan vele rijksbeambten gaf hij hooge posten. Inzonderheid verstond de admiraal van Amasis’ Nijlvloot de kunst om zich in de gunst te dringen, hij werd zelfs door Cambyzes tot zijn dischgenoot benoemd21. Toen de Perzische vorst eindelijk de stad verliet, stelde hij Megabyzus tot gouverneur aan. Doch nauwelijks had de koning Saïs verlaten of het volk, dat zich met moeite had ingehouden, gaf aan zijne woede lucht. Perzische wachten werden heimelijk vermoord, de bronnen vergiftigd en de stallen der ruiterij in brand gestoken. Megabyzus ging tot den koning, om zich over het voorgevallene te beklagen; hij trachtte Cambyzes te doen inzien hoe zulke vijandelijkheden licht tot openbaren opstand konden leiden, wanneer men ze niet onderdrukte door krachtig op te treden. »Laat,” zoo zeide hij, »aan de tweeduizend jongelingen van Memphis, die gij ten zoenoffer voor den moord aan ons gezantschap gepleegd ter dood veroordeeld hebt, op staanden voet hun vonnis voltrekken. Ook zou het niet kwaad zijn den zoon van Psamtik, om wien het volk zich anders eens zeker ten opstand scharen zal, mede te doen sterven. De dochters van den vorigen koning en van den opperpriester Neithotep moeten, gelijk ik vernomen heb, water dragen voor de baden van den edelen Phanes.”