← Table of contents
Eene Egyptische Koningsdochter

Note 23 — Zesde hoofdstuk.

Hendrik Cornelis Rogge translation

»Uw gang, edele Lydiër, zou vergeefsch zijn; Necho, de zoon van Psamtik, is reeds niet meer! Ondanks uw bevel, mijn vorst, heb ik, onder voorwendsel dat ik eene volmacht van u bezat, den beul doen bevelen den kleinzoon van Amasis, als zijnde de eerste en aanzienlijkste van al de gevangenen, ter dood te brengen. Het horengeschal, dat gij zoo even vernomen hebt, was het teeken dat de laatste aan den Nijl geboren kroonprins van Egypte den adem had uitgeblazen. Ik weet wat mij te wachten staat, Cambyzes, en bid niet om een leven, welks hoogste doel thans bereikt is. Ook uw verwijtenden blik, o Cresus, versta ik. Gij beklaagt de vermoorde kinderen; maar och, het leven is zulk een samenweefsel van jammer en teleurstelling, dat ik, met uw grooten raadsman Solon, hem het gelukkigst acht, wien de goden, gelijk weleer aan Kleobis en Biton23, een vroegen dood geven. Zoo ik ooit genade in uwe oogen heb gevonden, Cambyzes, zoo mijne raadgevingen u van eenig nut zijn geweest, veroorloof mij dan, als eene laatste gunst, nog enkele woorden te spreken. Gij, Psamtik, weet, wat ons tot vijanden heeft gemaakt. Gij allen, aan wier achting mij veel gelegen is, zult het thans evenzeer vernemen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings