← Table of contents
Eene Egyptische Koningsdochter

Note 12 — Zesde hoofdstuk.

Hendrik Cornelis Rogge translation

»Mijne lotgenooten,” vervolgde Aristomachus, »waren deels ter dood veroordeelde moordenaars, doch die genade hadden gekregen, deels van hunne tong beroofde staatsmisdadigers, deels menschen die voor den koning gevaarlijk waren en door hem gevreesd werden, gelijk ik. Drie lange maanden arbeidde ik in het gezelschap van dat gespuis, gedurig bedreigd door den stok der opzichters, versmachtende in de hitte van den middag, verkleumende wanneer de koele dauw van den nacht op mijne naakte huid nederviel, den dood dagelijks voor oogen ziende, en slechts staande blijvende door de hoop op wraak op mijne vervolgers. En de goden bestuurden het zóo dat, bij gelegenheid van het feest van Pacht12, onze wachters, overeenkomstig de in Egypte heerschende gewoonte, zich te buiten gingen aan den wijn, zoodat zij in diepen slaap verzonken, en niet bemerkten hoe ik en een jonge gevangen Jood, wiens misdaad was valsch gewicht te hebben gebruikt, en die daarom van zijne rechterhand was beroofd geworden, op de vlucht gingen. Zeus Lacedaemonius en de groote God van dien jongeling stonden ons ter zijde, en sloegen onze vervolgers, wier stemmen wij dikwerf zoo dicht achter ons hoorden, dat wij ze onderscheiden konden, met blindheid.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings