Note 13 — Zesde hoofdstuk.
Hendrik Cornelis Rogge translation
’t Was intusschen nacht geworden. Daar de onversterkte legerplaats der Perzen ieder oogenblik blootlag voor een aanval van den vijand, stonden de soldaten op den hun aangewezen post in het gelid. De voetknechten leunden op hunne schilden en speren, en de ruiters hielden zich bij hunne gezadelde en getoomde paarden naast de wachtvuren strijdvaardig. Cambyzes reed de rijen zijner helden langs, en verhoogde aller moed en strijdlust door groet en toespraak. Alleen het centrum van het leger had zich nog niet geordend, daar dit was samengesteld uit de Perzische lijfwachten, de stafdragers, de Onsterfelijken en de bloedverwanten des konings, die onder zijn onmiddellijk bevel tegen den vijand moesten oprukken. Verder hadden zich de Grieken uit Klein-Azië op last van Phanes ter ruste begeven, in plaats van thans reeds aan te treden. De Athener had begrepen, dat zijne soldaten al hunne krachten voor den aanstaanden strijd van noode hadden, en hun dus toegestaan zich, geheel gekleed en gewapend, te slapen te leggen, terwijl hij over hen waakte. Aristomachus was door de Ioniërs met groot gejuich ontvangen en door den koning met een vriendelijk woord verwelkomd. Hij had van dezen den vereerenden last ontvangen, aan het hoofd van de helft der Hellenen de linkerflank van het centrum te dekken, terwijl Phanes met de andere helft aan de rechterzijde der koninklijke garde zou strijden. De koning had zich voorbehouden aan het hoofd der tienduizend Onsterfelijken, aan wier spits de blauw-rood-gouden rijksbanier en de vaan van Kawe wapperde13, het gevecht te besturen. Bartja had het commando over het regiment Perzische lijfwachten, duizend man sterk, en de van het hoofd tot de voeten gepantserde cavalerie op zich genomen. Cresus eindelijk voerde het bevel over de afdeeling van het leger, belast met het bewaken van de onmetelijke schatten, die het leger met zich voerde, van de vrouwen der edelen, en de moeder en zuster van den koning.