ZEVEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK
C. M. Mensing translation
VRIJHEID
"Onverschillig met welke plechtigheden hij op het altaar der slavernij mag gewijd zijn, op het oogenblik dat hij den heiligen Britschen grond aanraakt, zinken het altaar en de god te zamen in het stof, en hij staat daar verlost, herboren, ontslaafd, door den onweerstaanbaren geest der algemeene emancipatie."
Curran.
Wij moeten Tom voor een tijd in de handen van zijnen barbaarschen meester laten, terwijl wij de lotgevallen van George en zijne vrouw nagaan, die wij in eene hoeve aan den weg in handen van vrienden hebben gelaten.
Tom Loker lieten wij kermende en woelende in een voorbeeldig zindelijk kwaker-bed, onder de moederlijke zorgen van Tante Dorcas, die in hem zulk een handelbaar patiënt vond als een zieke bison zou wezen.
Verbeeld u eene rijzige, deftige vrouw, met een schrander uitzicht, wier helderwitte neteldoeksche muts de lokken van zilvergrijs haar beschaduwt, die glad langs een breed, effen voorhoofd zijn gestreken, dat zich boven een paar peinzende oogen welft; een sneeuwwitte halsdoek is met keurige netheid over hare borst geplooid; hare glanzige bruine zijden japon ritselt vreedzaam, terwijl zij in de kamer op en neer trippelt.
"De duivel!" zegt Tom Loker, en werpt met een grooten smak het dek van zich af.
"Ik moet u verzoeken, Thomas, om niet zulke taal te gebruiken," zegt Tante Dorcas, terwijl zij bedaard het dek weder terecht gaat leggen.
"Welnu, ik zal niet, grootje, als ik het laten kan," zegt Tom, "maar het is wel genoeg om iemand te doen vloeken, zoo verwenscht heet!"
Dorcas nam eene deken van het bed, legde het overige dek weder glad en stopte het in, tot Tom eenigszins naar een bakerkindje geleek. Dit gedaan hebbende, zeide zij:
"Ik wenschte, vriend, dat gij dat vloeken en zweren woudt nalaten en over uw levensgedrag eens denken."
"Voor wat duivel, zou ik daaraan denken," antwoordde Tom; "dat is wel het laatste, waar ik ooit lust heb om aan te denken—ik geef er den brui van!" En daarmede wentelde Tom zich om en bracht het dek weder in eene wanorde, die schrikkelijk was om aan te zien.
"Die kerel en die meid zullen wel hier wezen, denk ik?" zeide hij, na eene poos van stilte, op norschen toon.
"Dat zijn zij," zeide Dorcas.
"Zij mogen wel maken dat zij op het meer komen," zeide Tom. "Hoe gauwer hoe beter."
"Waarschijnlijk zullen zij dat doen," antwoordde Tante Dorcas, vreedzaam breiende.
"En hoor eens," zeide Tom, "wij hebben correspondenten te Sandusky, die voor ons op de booten passen. Het kan mij nu niet schelen of ik het zeg. Ik hoop dat zij zullen wegkomen, alleen tot spijt van Marks, dien vervloekten lafbek, die verdoemd mag zijn."
"Thomas, Thomas!" zeide Dorcas.
"Ik zeg u, grootje, als ge iemand al te vast dichtkurkt, moet hij barsten," zeide Tom. "Maar nu over die meid—zeg hun dat zij haar op eene of andere wijs moeten verkleeden, zoodat zij niet meer te kennen is. Haar signalement is naar Sandusky gezonden."
"Wij zullen op die zaak letten," zeide Dorcas met eigenaardige bedaardheid.
Daar wij hier van Tom Loker afscheid nemen, mogen wij nog wel vermelden dat hij, na drie weken in het kwakerhuis te hebben ziek gelegen aan eene rheumatische koorts, die hij zich met zijne andere onheilen op den hals had gehaald, als een eenigszins stiller en wijzer mensch van zijn bed opstond; en in plaats van weder aan het slaven-jagen te gaan, zich naar de nieuwe volksplantingen begaf, waar hij zijne talenten op eene betere wijs gebruikte tot het vangen van beren, wolven en andere boschbewoners, waardoor hij zich zelfs een grooten naam in het land maakte. Tom sprak altijd met veel achting van de kwakers.
"Aardige lui," placht hij te zeggen. "Zij wilden mij bekeeren, maar dat konden zij toch niet recht gedaan krijgen. Maar ik zal u wat zeggen, vreemdeling, om eene zieke op te lappen zijn ze knap. Zij maken bouillon en liflafjes van de allerbeste soort."
Daar Tom gewaarschuwd had dat er te Sandusky op de vluchtelingen zou gepast worden, achtte men het best hen te verdeelen. Jim en zijne oude moeder werden afzonderlijk voortgeholpen; en een paar, nachten later werden George en Eliza met hun kind naar Sandusky gereden en onder een gastvrij dak geherbergd, waar zij zich gereed zouden maken om hun laatsten tocht over het meer te doen.
Hun nacht was nu ver verloopen, en de morgenster der vrijheid rees voor hen op. Vrijheid! Electriseerend woord! Wat is zij? Is zij iets meer dan een naam, eene oratorische spreekwijs? Waarom, gij mannen en vrouwen van Amerika, klopt het hart u hooger bij dat woord, waarvoor uwe vaderen hun bloed hebben gestort, en uwe moeders, nog heldhaftiger, gewillig waren, dat hunne besten en edelsten zouden sterven?
Is er iets in dat woord heerlijk en dierbaar voor een volk, dat ook niet heerlijk en dierbaar voor een mensch zou zijn? Wat is de vrijheid van een volk anders, dan de vrijheid der personen die het uitmaken? Wat is de vrijheid voor den jonkman, die daar met zijne armen over zijne breede borst gekruist zit, met die tint van Afrikaansch bloed op zijne wangen, en dat donkere vuur in zijne oogen—wat is de vrijheid voor George Harris? Voor uwe vaderen was de vrijheid het recht van een volk om een volk te zijn. Voor hem is zij het recht van een man om een mensch en geen beest te zijn; het recht om de vrouw van zijn hart zijne vrouw te noemen en haar tegen losbandig geweld te beschermen; het recht om zijn kind te beschermen en op te voeden, het recht om een eigen huis, een eigen godsdienst, eene eigene ziel te hebben, niet onderworpen aan den wil van een ander. Al deze gedachten woelden in George's borst, terwijl hij peinzend zijn hoofd op zijne hand liet rusten, en naar zijne vrouw zag, terwijl zij bezig was hare ranke gestalte in de mannenkleederen te vermommen, waarin men had gemeend dat zij het veiligste zou kunnen vluchten.
"Nu moeten zij er aan," zeide zij, terwijl zij zich voor den spiegel plaatste en haren overvloed van zwarte, glanzige krullen losschudde.
"Zeg eens, het is haast jammer, George, niet waar?" vervolgde zij, schertsend een gedeelte van die lokken ophoudende. "Is het niet jammer dat alles er af moet?"
George glimlachte treurig en gaf geen antwoord.
Eliza keerde zich naar den spiegel en flikkerend knipte de schaar, terwijl de eene lange lok na de andere van haar hoofd viel.
"Daar, nu zal het goed zijn," zeide zij, "een haarborstel opnemende. "Nu nog maar eens wat opstrijken."
"Daar, ben ik nu geen lieve jongen?" zeide zij zich lachend en blozend tegelijk naar haren man omkeerende.
"Gij zult altijd lief zijn, wat gij ook doen moogt," antwoordde George.
"Wat maakt u zoo ernstig?" zeide zij, voor hem op eene knie zinkende en hare hand op de zijne leggende. "Wij zijn nog maar vier en twintig uren van Canada, zegt men. Maar één dag en nacht op het meer, en dan—o dan!"
"O, Eliza!" zeide George, haar dichter bij zich trekkende; "dat is het! Nu moet mijn lot bijna in een oogenblik beslist wezen. Zoo dichtbij gekomen, bijna in het gezicht, en dan nog alles te verliezen! Dat zou ik niet overleven, Eliza!"
"Vrees niet," zeide zijne vrouw met hopend vertrouwen. "De goede God zou ons niet zoover gebracht hebben, als Hij ons er niet doorheen wilde brengen. Het is alsof ik Hem bij ons voel, George."
"Gij zijt eene gezegende vrouw, Eliza," zeide George, met zekere woestheid zijn arm om haar heenslaande. "Maar o, zeg mij! kan die groote genade voor ons bestemd zijn? Zullen die jaren van ellende ten einde komen? Zullen wij vrij worden?"
"Ik ben er zeker van, George," antwoordde Eliza, met tranen van hoop en geestvervoering in hare donkere oogen naar boven ziende. "Ik gevoel het in mij, dat God ons nog dezen dag uit de dienstbaarheid zal brengen."
"Ik wil u gelooven, Eliza," zeide George driftig opstaande. "Ik wil u gelooven. Kom, laten wij gaan. Wel waarlijk," vervolgde hij, haar op armslengte van zich afhoudende en met bewondering aanziende, "gij zijt een lieve, aardige, kleine jongen. Die korte krullen staan u zeer goed. Zet uwe muts op. Zoo—wat op zijde. Ik heb er u nog nooit zóó aardig zien uitzien. Maar het is haast tijd voor de koets. Ik ben benieuwd of Juffrouw Smith Harry al gekleed heeft."
De deur werd geopend en eene fatsoenlijke vrouw van middelbare jaren trad binnen, met kleine Harry in meisjeskleeren aan de hand.
"Welk een lief meisje is hij!" zeide Eliza, hem om- en omdraaiende. "Wij willen hem Harriet noemen. Komt die naam niet juist van pas?"
Het kind stond zijne moeder in hare vreemde kleeding ernstig aan te zien, zweeg bot stil, maar slaakte nu en dan een zwaren zucht, en wierp dan tegelijk een schuinen blik naar haar.
"Kent Harry mama niet?" zeide Eliza, de handen naar hem uitstrekkende.
Het kind hield zich schichtig aan zijne geleidster vast.
"Kom nu, Eliza, wat wilt gij hem lokken, terwijl gij weet dat hij van u vandaan gehouden moet worden?"
"Ik weet dat het dwaas van mij is," antwoordde Eliza, "en toch kan ik het niet uitstaan, dat hij zich van mij afkeert. Maar kom—waar is mijn mantel? Hoe doet een man zijn mantel om, George?"
"Gij moet hem zóó dragen," antwoordde George, den mantel over zijne eigene schouders werpende.
"Zoo dan," zeide Eliza, zijne bewegingen nabootsende, "en ik moet stampen, en groote stappen nemen, en mijn best doen om brutaal te kijken."
"Geef u maar geen moeite," zeide George. "Er is nu en dan wel eens een bedeesd jonkman, en ik geloof dat het gemakkelijker voor u zal zijn die rol te spelen."
"En die handschoenen! Kijk eens," zeide Eliza, "ik verlies mijne handen er in."
"Ik raad u toch om ze zorgvuldig aan te houden," zeide George; "uw fijn smal pootje zou ons allen in gevaar kunnen brengen. Nu, Juffrouw Smith, reist gij in ons geleide en zijt onze tante—onthoud dat wel."
"Ik heb gehoord," zeide Juffrouw Smith, "dat er menschen zijn gekomen, die alle stoombootkapiteins hebben gewaarschuwd tegen een man en vrouw met eenen kleinen jongen."
"Zoo?" zeide George. "Welnu, als wij zulke lieden zien, kunnen wij het hun zeggen."
Een huurkoets kwam nu voor de deur, en de vriendelijke familie drong om hen heen om afscheid te nemen.
De vermommingen welke het gezelschap had aangenomen, waren volgens de wenken van Tom Loker gekozen; Juffrouw Smith, eene fatsoenlijke vrouw uit het etablissement in Canada, waarheen zij vloden, die gelukkig het meer wilde oversteken om daarheen terug te keeren, had bewilligd om zich als tante van den kleinen Harry voor te doen; en om deze aan haar te hechten, was hij de laatste twee dagen geheel bij haar gelaten, in welken tijd een overvloed van liefkoozingen, bij een onbeperkte toelaag van kruidkoekjes en kandijklontjes gevoegd, reeds eene zeer nauwe gehechtheid bij den jongeheer had doen ontstaan.
De koets reed naar de werf. De twee jongelieden—gelijk zij schenen—stapten de plank over en de boot op. Daar gaf Eliza galant den arm aan Juffrouw Smith, terwijl George nu voor de bagage zorgde.
George stond bij het kantoortje van een kapitein, om daar voor zijn gezelschap te betalen, toen hij twee mannen, die naast hem stonden, met elkander hoorde spreken.
"Ik heb op iedereen gelet, die aan boord kwam," zeide de een, "en ik weet wel dat zij niet op deze boot zijn."
Het was de stem van den klerk der boot. De andere, wien hij aansprak, was onze vroegere vriend Marks, die in zijn lofwaardigen ijver naar Sandusky was gekomen, zoekende wien hij zou mogen verslinden.
"Men zou de vrouw haast niet van eene blanke onderscheiden," zeide Marks. "De man is een lichte mulat. Hij heeft een brandmerk in eene van zijne handen."
De hand, waarmede George de plaatsbriefjes aannam, beefde eenigszins; maar hij keerde zich koelbloedig om, zag den spreker onverschillig in het gezicht, en ging op zijn gemak naar den anderen kant der boot, waar Eliza naar hem stond te wachten.
Juffrouw Smith had met kleine Harry de afzondering der dameskajuit opgezocht, waar de donkere schoonheid van het vermeende meisje vele vleiende aanmerkingen uitlokte.
Toen de klok geluid werd om van de Amerikaansche kust afscheid te nemen, had George het genoegen van Marks over de plank naar den wal te zien stappen, en hij verlichtte zijn hart met een langen zucht, toen de afstand tusschen hen het terugkeeren onmogelijk had gemaakt.
Het was een heerlijke dag. De blauwe golven van het meer Erie dansten flikkerend en vroolijk in het zonnelicht. Wie dacht er, toen George met zijnen schuwen makker aan de zijde, zoo kalm het dek der stoomboot op en neer wandelde, aan alles wat in zijnen boezem gloeide? Het geluk, dat hem scheen te naderen, kwam hem al te groot en schoon voor, om ooit werkelijkheid te worden, en ieder oogenblik van dien dag kwelde hem een heimelijke angst, dat er zich nog iets zou opdoen om het hem te ontrukken.
Doch de boot voer voort, de uren vlogen om, en eindelijk kwam de gezegende Engelsche kust duidelijk in het gezicht—de kust, welke door eene machtige tooverspreuk gewijd, met eene enkele aanraking elke helsche bezwering van slavernij vernietigt, onverschillig in welke taal zij is uitgesproken, of door welke nationale macht zij is bekrachtigd. George en zijne vrouw stonden gearmd naast elkander, toen de boot het stadje Amhertsberg in Canada naderde. Zijne ademhaling werd kort en zwaar, er kwam een nevel voor zijne oogen, stilzwijgend drukte hij het handje, dat bevend op zijnen arm lag. De klok luidde—de boot werd gestopt. Nauwelijks ziende wat hij deed, zocht George zijne bagage uit en verzamelde hij zijn klein gezelschap. Hij werd met de zijnen aan land gezet. Zij bleven stilstaan, tot de boot weder was afgevaren; en toen knielden man en vrouw met hun verwonderd kind in de armen, op den oever neder, en verhieven het hart tot God.
"Het was," gelijk een dichter zegt: "iets, dat geleek naar den overstap uit den dood in het leven, uit de windselen des grafs in het gewaad des hemels, uit de heerschappij der zonden en den strijd der hartstochten in de reine vrijheid eener gezaligde ziel, waar alle banden van dood en hel verbroken worden, en het sterfelijke de onsterfelijkheid aandoet, wanneer de genade de gouden poort heeft geopend en hare stem heeft gesproken: "Juich, uwe ziel is vrij!"
Het gezelschap werd door Juffrouw Smith naar de gastvrije woning van een braven zendeling gebracht, die door de christelijke liefde aldaar geplaatst was geworden tot een herder voor de zwervende ballingen, die gedurig op deze kust een vrijplaats komen zoeken.
Wie kan de zaligheid van dien eersten dag van vrijheid beschrijven? Is het gevoel der vrijheid edeler en fijner, dan eenig ander dat de zinnen kan aandoen? Onbespied en zonder gevaar te spreken en te ademen, uit en in te gaan! Wie kan het gezegende beschrijven van die rust, welke op de peluw van den vrijen man nederdaalt, onder de wetten, die hem de rechten verzekeren, welke God den mensch gegeven heeft? Hoe schoon en lief was voor die moeder dat slapende kindergezichtje, haar nog dierbaarder gemaakt door de herinnering aan duizend gevaren! Hoe onmogelijk was het te slapen in het bezit van zulk een overmatig geluk! En toch bezaten deze twee geen voet gronds, geen dak dat zij het hunne konden noemen, en hadden zij alles verteerd tot hunnen laatsten dollar. Zij hadden niets meer dan de vogelen der lucht of de bloemen des velds—en toch konden zij niet slapen van blijdschap. O gij, die den mensch de vrijheid ontneemt, met welke woorden zult gij dat voor God verantwoorden?