VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
C. M. Mensing translation
OVER TOMS NIEUWEN MEESTER EN VERSCHEIDENE ANDERE DINGEN.
Daar de levensdraad van onzen nederigen held thans met dien van hoogere personen wordt samengestrengeld, is het noodig den lezer eenigszins met hen te doen kennis maken.
Augustine St.-Clare was de zoon van een rijken planter in Louisiana. De familie was uit Canada afkomstig. Van twee broeders, weinig verschillende in karakter en temperament, had de eene zich op eene vruchtbare hoeve in Vermont nedergezet, de andere was een welgesteld planter in Louisiana geworden. De moeder van Augustine was eene protestantsche Fransche dame, wier familie in vroeger tijd naar Louisiana was verhuisd. Augustine en zijn broeder waren de eenige kinderen hunner ouders. Daar hij van zijne moeder eene zwakke gezondheid had geërfd, werd hij op dringenden raad van geneesheeren in zijne kindsheid voor vele jaren naar zijnen oom in Vermont gezonden, opdat zijn gestel door een kouder klimaat versterkt zou worden.
In zijne kindsheid onderscheidde hij zich door eene buitengemeene gevoeligheid, meer grenzende aan de zachtheid der vrouw, dan aan de gewone hardheid van zijn eigen geslacht. De tijd deed echter deze zachtheid met eene ruwe schors overgroeien, en weinigen wisten hoe levendig en frisch zij nog daaronder lag. Zijne talenten waren van den eersten rang, hoewel hij steeds eene voorkeur voor het ideale en de schoone kunsten aan den dag legde, en dien tegenzin voor de bezigheden van het werkelijke leven koesterde, die een gewoon gevolg van zulk eene gemoedsgesteldheid is. Kort nadat hij zijne studiën had volbracht, werd zijne geheele ziel door een romanesken hartstocht in vlam gezet. Zijn uur kwam—het uur dat maar eenmaal komt; zijne ster rees aan den horizon—die ster, die zoo dikwijls vruchteloos opgaat, om naderhand slechts de herinnering van een droom te zijn; en voor hem ging zij vruchteloos op. Om onverbloemd te spreken, hij zag in een der Noordelijke staten een schoon en edelaardig meisje, won hare liefde en zij werden verloofd. Hij keerde naar het Zuiden terug om beschikkingen voor hun huwelijk te maken, toen geheel onverwachts zijne brieven hem werden teruggezonden, met een kort briefje van haren voogd, dat eer dit hem bereikte de dame de vrouw van een ander zou zijn. Razend van spijt, hoopte hij vruchteloos, gelijk zoo menig ander gedaan heeft, de geheele zaak met eene wanhopige inspanning van zich af te werpen. Te trotsch om opheldering te vragen, stortte hij zich terstond in de draaikolk der modewereld; veertien dagen na het ontvangen van dien noodlottigen brief was hij de verklaarde minnaar der heerschende belle van het seizoen, en zoodra de noodige schikkingen konden gemaakt worden, werd hij de echtgenoot van een sierlijk figuurtje, een paar fraaie zwarte oogen en honderdduizend dollars. Natuurlijk hield iedereen hem voor een gelukkig man.
Het jonge paar was nog in de wittebroodsweken en onthaalde op hunne prachtige villa bij het meer Pontchartrain een schitterenden kring van vrienden, toen hem een brief werd gebracht van die welbekende hand. Hij ontving dit geschrift te midden van een vroolijk gesprek, in eene zaal vol gezelschap. Zoodra hij de hand herkende verbleekte hij, maar hij bleef toch bedaard en zette een schertsenden woordenstrijd voort met eene dame, die tegen over hem zat. Eene korte poos later miste men hem uit den kring. In zijne kamer alleen zijnde opende en las hij den brief, nu erger dan nutteloos. Hij kwam van haar en gaf hem een wijdloopig verslag van de kunstgrepen, die de familie van haren voogd had gebezigd om haar tot een huwelijk met zijnen zoon te bewegen. Zij verhaalde hoe zij in langen tijd geene brieven meer van hem had ontvangen, hoe zij verscheidene malen geschreven had tot zij dit moede werd en aan hem begon te twijfelen, hoe hare gezondheid onder hare bekommeringen was bezweken, en hoe zij eindelijk het geheele bedrog had ontdekt dat men tegen hen beiden had gepleegd. De brief eindigde met uitdrukkingen van hoop en dankbaarheid en betuigingen van eeuwige liefde, die thans voor den ongelukkigen man bitterder dan de dood waren. Hij schreef haar onmiddellijk:
"Ik heb den uwe ontvangen, maar te laat. Ik geloofde alles wat ik hoorde. Ik was wanhopig. Ik ben getrouwd en alles is voorbij. Vergeten—dit is het eenige wat ons beiden overblijft."
En zoo eindigde al het romaneske in het leven van Augustine St. Clare. Doch het werkelijke bleef over—het werkelijke, gelijk het slijk dat op den oever blijft liggen, wanneer de heldere golven, met haar gezelschap van snelle booten en wit gevleugelde schepen, met de muziek van roeislagen en kabbelend water is afgeloopen—en lag daar koud, afzichtelijk en akelig voor hem.
Het spreekt vanzelf, in een roman breekt iemand dan het hart, hij sterft en daarmede is het gedaan, en in een verhaal is dat zeer gemakkelijk. Maar in het werkelijke leven sterft iemand nog niet, wanneer alles wat het leven dierbaar maakte voor hem gestorven is. Hij heeft dan nog een drukken en gewichtigen kringloop over van eten, drinken, kleeden, wandelen, visites doen, koopen, verkoopen, praten, lezen en alles wat te zamen datgene uitmaakt, wat men gewoonlijk leven noemt; en dit bleef ook voor Augustine nog over. Indien zijne vrouw eene echte vrouw geweest was, had zij nog iets kunnen doen—gelijk vrouwen dat kunnen—om de gebroken levensdraden weder aan te knoopen en met de hare tot een schoon geheel samen te weven. Doch Marie St.-Clare kon niet eens zien dat zij gebroken waren. Gelijk vroeger gezegd is, bestond zij uit een sierlijk figuurtje, een paar fraaie oogen en honderdduizend dollars, en geen van die drie bestanddeelen waren juist geschikt om een krank gemoed te genezen.
Toen men Augustine, doodsbleek en eene plotselinge hoofdpijn als reden zijner ongesteldheid voorwendende, op de sofa vond liggen, raadde zij hem aan om hertshoorn te ruiken; en toen de bleekheid en de hoofdpijn week op week aanhielden, zeide zij slechts dat zij nooit gedacht had dat Mr. St.-Clare ziekelijk was, maar dat hij zeer aan hoofdpijn onderhevig scheen te zijn en dat dit een ongelukkig ding voor haar was, dewijl hij dan geen vermaak had om met haar naar gezelschappen te gaan, en het raar voor haar stond zooveel alleen uit te gaan, nu zij zoo pas getrouwd waren. Augustine was heimelijk blijde dat hij eene zoo weinig scherpziende vrouw had getrouwd; maar toen het vernis der wittebroodsweken was afgesleten, ontdekte hij, dat eene schoone jonge vrouw, die al haar leven gewoon was gevleid en gediend te worden, in het huiselijk leven wel eens een harde meesteres kon blijken te zijn. Marie had nooit veel vatbaarheid voor liefde of teergevoeligheid bezeten, en het weinige dat zij daarvan had, was in eene uitsluitende en onwillekeurige eigenliefde overgegaan, eene eigenliefde des te hopeloozer, omdat zij zoo geheel blind was en geene andere rechten kon gewaar worden dan hare eigene. Van hare kindsheid af was zij door dienstboden omringd geweest, die alleen leefden om op hare grillen te letten; het denkbeeld dat ook zij gevoel of rechten hadden, was haar nooit zelfs maar in de verte voor den geest gekomen. Haar vader, wiens eenig kind zij geweest was, had haar nooit iets geweigerd dat binnen het bereik der mogelijkheid lag; en toen zij als een schoon en rijk meisje de wereld intrad, kwamen natuurlijk alle mannen, die haar voor een goede partij hielden, aan haar voeten zuchten, en twijfelde zij niet of Augustine moest zich zeer gelukkig achten dat hij hare hand verwierf. Het is eene groote vergissing dat eene vrouw zonder vatbaarheid voor liefde, daarom minder gehechtheid van een minnaar of echtgenoot zal eischen. Niemand op aarde dwingt met minder barmhartigheid de liefde van anderen af, dan eene door en door eigenlievende vrouw; en hoe beminnelijker zij wordt, des te strenger en ijverzuchtiger wil zij de liefde, waarop zij recht meent te hebben, tot den laatsten penning toe invorderen. Toen dus St.-Clare die galanterieën en kleine oplettendheden begon te verzuimen, waarvan hij als minnaar de gewoonte had aangenomen, vond hij zijne sultane geenszins gewillig om van haren slaaf afstand te doen, en er kwamen tranen, kwade buien, kleine onweders, verdrietelijkheden en verwijten in overvloed. St.-Clare was goedhartig en vredelievend, en poogde zich met presentjes en vleierijen los te koopen; en toen Marie moeder van eene schoone dochter werd, voelde hij inderdaad voor eene poos iets dat naar teederheid geleek ontwaken.
St.-Clare's moeder was eene vrouw geweest van buitengewoon verstand en reinheid van wandel, en hij gaf dit kind den naam zijner moeder, zich vleiende met de hoop dat het geheel haar evenbeeld zou worden. Dit werd door zijne vrouw met wrevelige jaloezie opgemerkt, en zij sloeg de teedere liefde van hare echtgenoot, voor zijne dochter met wangunst en achterdocht gade; alles wat de kleine werd gegeven, scheen haar zelve te worden ontnomen. Na de geboorte van het kind verzwakte hare gezondheid langzamerhand. Een leven van volslagen werkeloosheid naar het lichaam en den geest—het uitputtende van gedurige verveling en ontevredenheid, vereenigd met de verzwakking, welke het kraambed naliet—dat alles veranderde in den loop van weinige jaren de bloeiende, jonge schoone in eene gele, verwelkte, ziekelijke vrouw, die haar tijd tusschen de zorgen voor eene menigte ingebeelde kwalen verdeelde, en zich zelve in alle opzichten voor de ongelukkigste en meest verwaarloosde lijderes op de wereld hield.
Er kwam geen eind aan haar klagen; maar de kwaal, waarvan zij het meeste werk maakte, scheen eene stompe hoofdpijn te zijn, welke haar drie dagen van de zes in hare kamer hield. Daar natuurlijk alle huiselijke beschikkingen en bezigheden aan dienstboden werden overgelaten, vond St.-Clare zijn huishouden alles behalve plezierig. Zijne eenige dochter was zeer teeder van gestel en hij vreesde dat, zonder iemand om voor haar te zorgen en haar op te passen, hare gezondheid en zelfs haar leven zou gevaar loopen, dewijl hare moeder zich zoo weinig aan haar liet gelegen liggen. Hij had haar medegenomen op een reisje naar Vermont, en zijne nicht Miss Ophelia St.-Clare overgehaald om met hem naar zijne woonplaats in het Zuiden terug te keeren. Zoo kwamen zij te zamen op de boot waarop wij hen aan onze lezers hebben voorgesteld.
Terwijl de koepels en de torens van Nieuw-Orleans in de verte voor ons oprijzen, hebben wij nog tijd om Miss Ophelia te introduceeren.
Wie in Nieuw-Engeland heeft gereisd, zal zich wel in een of ander de groote hoeve herinneren met de zindelijke werf, beschaduwd door het dichte gebladerte van suikermastboomen, en zich daarbij nog wel kunnen voorstellen welk een geest van orde en kalmte, van duurzaamheid en onverstoorbare rust de geheele plaats scheen te ademen. Niets verwaarloosd, niets ongeregeld, geene lat los in de schutting, geen het minste vuil op de begraasde werf met hare seringenboschjes die onder de vensters opgroeien. In het huis zal hij zich de ruime, zindelijke kamers herinneren, waar nooit iets schijnt gedaan te worden of te zullen gedaan worden, waar alles voor altijd stijf op zijne plaats staat, en alle huiselijke bezigheden met de regelmatigheid der oude klok in den hoek afloopen. In de grootste kamer zal hij zich de deftige boekenkast met glazen deuren herinneren, waarin Rollins Geschiedenis, Miltons Paradijs Verloren, Bunyans Christens Reize, Scotts Huisbijbel en andere deftige boeken geregeld naast elkander staan. Er zijn geene dienstboden in huis; maar de huisvrouw, met hare sneeuwwitte muts en haar bril op, die daar elken namiddag onder hare dochters zit te naaien, alsof er niets gedaan was—zij heeft met deze meisjes in den lang vergeten vroegen ochtend "den boel beredderd," en voor het overige van den tijd, waarschijnlijk op alle mogelijke uren dat gij kunt inkomen, is hij "aan kant." De keukenvloer schijnt nooit een vlek te krijgen, de stoelen, ja zelfs de potten en pannen, schijnen nooit van hunne plaats te komen, hoewel daar drie en somtijds vier maaltijden daags gereedgemaakt worden, hoewel al het linnen daar gewasschen en gestreken wordt, en hoewel tal van ponden boter en kaas daar op zekere stille, geheime manier tot aanzijn worden gebracht.
Op zulk eene hoeve, in zulk een huis en zulk gezin, had Miss Ophelia een rustig leven van omtrent vijf en veertig jaren gesleten, toen haar neef haar verzocht om met hem mede te komen naar zijne woonplaats in het Zuiden. Hoewel de oudste van een talrijke familie, werd zij door haren vader en hare moeder nog als een van de kinderen beschouwd, en het voorstel dat zij naar Orleans zou gaan, was voor den huiselijken kring van groot gewicht. Haar grijze vader nam den atlas van Morse uit de boekenkast om nauwkeurig de ligging na te zien, en las Flints Reizen in het Zuiden en Westen nog eens na, om over den aard van het land te oordeelen.
De goede moeder vroeg angstig of Orleans niet "eene ontzettend goddelooze plaats" was en zeide, dat het haar voorkwam bijna gelijk te staan met naar de Sandwich-eilanden of ergens anders onder de heidenen te gaan.
Het werd bij den dominee, bij den dokter en bij Miss Peabody, de wollenaaister, bekend, dat Ophelia St.-Clare er over praatte, om met haren neef naar Orleans te gaan, en natuurlijk kon het geheele dorp niet minder doen dan er mede over helpen praten. De dominee, die tot de abolitionistische begrippen overhelde, twijfelde of zulk een stap de Zuiderlingen niet eenigszins in het stelsel der slavernij zou kunnen steunen; terwijl de dokter, die een ijverig colonisationist was, tot het gevoelen overhelde dat Miss Ophelia behoorde te gaan, om de lieden van Orleans te toonen dat zij toch zoo slecht niet over hen dachten. Toen het echter volkomen zeker was dat zij gaan zou, werd zij veertien dagen achtereen door alle vriendinnen en geburinnen op de thee gevraagd, en bij die gelegenheid werden hare plannen en vooruitzichten naar behooren onderzocht en besproken. Miss Mosely, die aan huis kwam om te helpen naaien, kon dagelijks nieuwe berichten geven aangaande den voorraad van onder- en bovengoed dien Miss Ophelia zou medenemen. Men vernam aldus, dat de oude Sinclare, gelijk zijn naam gewoonlijk werd samengetrokken, zijne dochter vijftig dollars had gegeven, met vrijheid daarvoor te koopen wat zij noodig achtte, en dat men twee nieuwe zijden japonnen en een hoed van Boston had laten komen. Over het voegzame van zulke buitengewone onkosten waren de stemmen van het publiek verdeeld; sommigen zeiden dat men, alles in aanmerking genomen, voor eene enkele maal zoo iets wel doen mocht; en anderen beweerden dat men het geld liever aan de zendelingen had moeten geven; maar allen kwamen daarin overeen, dat men nog nooit zulk een parasol had gezien als er uit Nieuw-York was gekomen, en dat de eene zijden japon heel wel in staat was om alleen op zich zelven te staan, wat men ook in dit opzicht van de eigenares mocht zeggen. Er liepen ook geloofwaardige geruchten van gestikte zakdoeken; en men wilde zelfs zeggen dat Miss Ophelia één zakdoek had, rondom met kant bezet—sommigen voegden er ook bij met geborduurde hoeken; maar dit laatste punt werd nooit geheel uitgemaakt en blijft tot heden toe onbeslist.
Miss Ophelia, gelijk gij haar nu ziet, staat voor u in een reisgewaad van blinkend bruin linnen, rijzig, beenderig en hoekig van figuur. Haar gezicht was mager en had tamelijk scherpe trekken; de lippen waren dichtgeknepen, gelijk van iemand die gewoon is over alle voorkomende dingen terstond eene beslissende meening op te vatten, terwijl hare donkere oogen een bijzonder bedachtzaam zoekenden blik hadden, en over alles heen en weder gingen, alsof zij naar iets zochten waarop gelet en gepast moest worden.
Al hare bewegingen waren snel, vast en krachtig, en hoewel zij nooit veel sprak, waren, wanneer zij dit deed, hare woorden altijd bijzonder puntig en bondig.
In hare gewoonten en manieren was zij de orde, regelmatigheid en nauwkeurigheid in eigen persoon. Zij paste op haren tijd met de juistheid van eene klok en de onverbiddelijkheid van een spoortrein, en voor alles wat zich niet aan zulk een regel hield, koesterde zij evenveel minachting als afkeer.
De allergrootste zonde in hare oogen—de som van alle kwaad—werd aangeduid door eene veel gebezigde en zeer gewichtige uitdrukking in haar woordenboek;—"onbeholpenheid." Haar ultimatum van afkeuring bestond in het nadrukkelijk uitspreken van het woord "onbeholpen;" en daarmede bestempelde zij alle bedrijven en manieren van handelen die niet duidelijk en rechtstreeks op een bepaald doel afgingen. Menschen, die niets deden of niet recht wisten wat zij deden, of niet den kortsten weg namen om uit te voeren wat zij begonnen, waren voorwerpen van hare diepe verachting, eene verachting, welke zij doorgaans minder toonde door iets dat zij zeide, dan wel door zekere steenachtige norschheid van uitzicht, alsof zij het beneden zich achtte iets van de zaak te zeggen.
Wat hare verstandsontwikkeling betrof, zoo had zij een helder en krachtig oordeel, was welbelezen in de geschiedenis en de oudere Engelsche klassieke schrijvers, en redeneerde zeer juist binnen zekere beperkte grenzen. Haar godgeleerde stellingen waren alle in den meest bepaalden en duidelijken vorm gebracht, en werden zoo bewaard gelijk de pakjes garen in haar naaikistje: er waren juist zooveel en er moest nooit eene meer zijn. Zoo was het ook gelegen met hare meeste denkbeelden over wereldsche zaken, bij voorbeeld over het huishouden in al zijne takken, en de politieke aangelegenheden van het dorp harer geboorte. Doch onder dat alles, dieper, breeder en hooger dan iets anders, lag het krachtigste beginsel van haar gemoed—nauwgezetheid van geweten. Nergens heerscht het geweten zoo geheel en boven alles, als bij de vrouwen van Nieuw-Engeland. Het is de granietformatie welke het diepste ligt, en toch zelfs tot aan de toppen der hoogste bergen oprijst.
Miss Ophelia was de slavin van het "moeten." Wanneer het haar eens duidelijk bleek, "dat de baan van haren plicht," gelijk zij het gewoonlijk uitdrukte, in zekere richting lag, konden vuur en water haar niet daarvan doen afwijken. Zij zou recht op een afgrond of op de tromp van een geladen kanon zijn afgegaan, indien zij maar zeker was geweest dat de baan van haren plicht daarheen voerde. Haar regel van recht en plicht was zoo verheven, zoo alles omvattend, ging tot in zulke kleine bijzonderheden en kende zoo weinig oogluiking voor menschelijke zwakheden, dat zij, hoewel zij met heldhaftigen ijver naar haar eigen ideaal streefde, dien toch nooit bereiken kon, en daardoor natuurlijk steeds een kwellend gevoel van hare tekortkomingen met zich omdroeg. Dit gaf hare godsdienstige stemming eene strenge en eenigszins sombere kleur.
Maar hoe in de wereld kan Miss Ophelia met Augustine St.-Clare te recht komen—een vroolijk, onbezorgd, lichtzinnig, vergeetachtig, ongodsdienstig jongmensch, die met onbeschaamde vrijpostigheid tegen al hare geliefkoosde meeningen en gewoonten aanloopt?
Om dan de waarheid te zeggen, Miss Ophelia had hem lief. Toen hij nog een kind was, was zij het die hem zijnen catechismus moest leeren, zijne kleeren verstellen, zijne haren kammen, en over het geheel hem onder opzicht en bedwang houden; en daar haar hart ook een warmen kant had, was het Augustine gelukt zich een groot gedeelte daarvan toe te eigenen, en zoo was het hem niet moeielijk geweest haar te overreden, dat "de baan van haren plicht" in de richting van Nieuw-Orleans lag, en dat zij met hem mede moest gaan om op Eva te passen, en te zorgen dat niet alles door de bestendige ziekelijkheid zijner vrouw in de war liep en hij eindelijk geruïneerd werd. Het denkbeeld van een huishouden zonder iemand om er op te passen, ging haar aan het hart; dan had zij ook de innemende Eva lief gekregen, gelijk weinige menschen konden laten; en hoewel zij Augustine voor een halven heiden hield, had zij hem toch lief, lachte over zijne grappen, en verdroeg zijne gebreken zelfs in eene mate, welke diegenen die hem kenden geheel ongelooflijk voorkwam. Doch wat er meer of anders van Miss Ophelia geweten moet worden, zal de lezer wel door persoonlijke kennismaking ontdekken.
Daar zit zij nu op de stoomboot in haar kamertje, omringd door een aantal groote en kleine reiszakken, doozen en manden, die alle iets bevatten waarvoor zij verantwoordelijk is, met een zeer ernstig gezicht vast te binden, toe te sluiten en bijeen te pakken.
"Wel, Eva, hebt gij nu uw goed nageteld? Neen, zeker niet—kinderen denken daar nooit om. Daar is de geruite reiszak en de blauwe doos met uwen besten hoed—dat is twee; dan dat geverniste zakje, dat is drie; en mijn garendoosje is vier; en mijn lintendoosje is vijf; en mijne kragendoos is zes; en dat koffertje is zeven. Waar hebt ge uw parasol gelaten? Geef haar mij hier, dan zal ik er een papier om doen en haar met mijne parapluie en parasol bijeenbinden. Daar nu."
"Maar, Tante, wij gaan maar naar huis. Waartoe hoeft dat zoo?"
"Om alles netjes te houden, kind. Iemand moet op zijn goed passen, als hij het bewaren wil. Hebt gij uw vingerhoed nu geborgen, Eva?"
"Waarlijk, Tante, ik weet het niet."
"Nu, dat doet er niet toe; ik zal uw doosje wel eens nazien. Vingerhoed, stukje was, twee lepeltjes, schaar, mesje, rijgpen—alles is er. Zet het nu daar maar neer. Hoe hebt gij het toch gemaakt, kind, toen ge met uwen papa alleen op reis waart? Ik zou denken dat gij al wat gij hadt moest verloren hebben."
"Wel, Tante, ik verloor ook veel; maar als we dan ergens stilhielden, kocht papa weder nieuw daarvoor."
"Wel lieve deugd, kind, welk eene manier van doen!"
"O, het was eene heel gemakkelijke manier, Tante," zeide Eva.
"Maar hoe roekeloos!" zeide tante.
"Maar, tante, hoe zult ge het nu maken?" hervatte Eva. "Die koffer is te vol om dicht te kunnen."
"Hij moet dicht," zeide tante op een toon van een commandeerend generaal en stapte boven op het deksel; maar hoe het goed ook werd samengeperst, de koffer bleef nog een weinig gapen.
"Ga hier eens op zitten, Eva," zeide Miss Ophelia onverschrokken. "Wat eens gegaan heeft kan ook weer gaan. Die koffer moet gesloten worden; dat mag niet anders."
En waarschijnlijk door deze vastberadenheid beangstigd, zwichtte de koffer. De kram knipte in het gat, en Miss Ophelia draaide den sleutel om en stak dien zegepralend in haren zak.
"Nu zijn wij klaar. Waar is uw papa? Ik acht het tijd dat zijne bagage uitgezet wordt. Ga toch eens kijken, Eva, waar uw papa is."
"Hij is in de heerenkajuit," antwoordde Eva.
"Hij weet zeker niet hoe dichtbij wij al komen," zeide tante. "Zoudt gij niet eens naar hem toe gaan en hem waarschuwen?"
"Papa haast zich nooit met iets," antwoordde Eva; "en wij zijn nog niet aan land. Kom eens kijken, Tante. Zie, daar staat ons huis, daar in die straat."
De boot begon nu, steunende als een afgemat monsterdier, zich door de menigte van andere stoombooten langs de kade heen te werken. Eva wees met blijdschap naar den toren, koepels en andere voorwerpen, waaraan zij hare geboorteplaats herkende.
"Ja, ja, lieve, alles is heel mooi," zeide Miss Ophelia. "Maar lieve hemel, daar ligt de boot al stil en waar is uw vader?"
Nu kwam de gewone drukte van het landen—knechts wilden naar twintig kanten te gelijk heenloopen—mannen sleepten met koffers, doozen en reiszakken—vrouwen riepen angstig om hare kinderen, en allen drongen dicht op elkander naar de loopplank.
Miss Ophelia zette zich op den laatst overmeesterden koffer, en nadat zij eene verschansing van hare andere goederen had gebouwd, scheen zij zich gereed te houden om die tot het uiterste te verdedigen.
"Zal ik uw koffer dragen, Juffrouw?"—"Zal ik uwe bagage opladen?"—"Laat mij maar voor uw goed zorgen."—"Zal ik u helpen, Juffrouw?" regende het om haar heen, zonder dat zij er op lette. Zij bleef, haar bundel van parapluies en parasols vasthoudende, stokstijf zitten, en keek zoo zuur, dat zelfs een huurkoetsier er bang voor moest worden, tusschenbeide Eva aansprekende om te betuigen dat zij niet begreep waar haar papa bleef.
"Hij kan toch niet overboord gevallen zijn; maar er moet zeker iets gebeurd wezen."
Juist toen zij zich inderdaad angstig begon te maken, kwam St.-Clare met zijne gewone onverschilligheid aankuieren, en nadat hij Eva een vierdepartje van een sinaasappel had gegeven, dien hij nog bezig was te eten, zeide hij:
"Wel, Nicht Vermont, ik geloof haast dat ge klaar zult zijn?"
"Ik heb al haast een uur zitten wachten," antwoordde Ophelia. "Ik begon waarlijk ongerust over u te worden."
"Welnu," zeide hij, "het rijtuig staat te wachten en het gedrang is over, zoodat men nu op eene fatsoenlijke manier aan land kan gaan, zonder geduwd en gestooten te worden. Hier," vervolgde hij tot een koetsier die achter hem stond, "neem die dingen eens op."
"O, ik zal ze zelve wel dragen en bergen," zeide Ophelia.
"Kom, kom, Nicht, waartoe dat?"
"Nu, in allen gevalle wil ik dit, en dit, en dit, zelve dragen," zeide Ophelia, drie doozen en een reiszakje uitzoekende.
"Maar lieve Miss Vermont, gij moet hier niet doen alsof gij in de Groene Bergen waart. Gij moet ten minste iets van onze zuidelijke manieren overnemen en u zelve niet zoo bevrachten. Men zou u voor een kamenier houden. Geef die dingen maar aan dien man; hij zal er zoo voorzichtig mee omgaan alsof het eieren waren."
Miss Ophelia liet zich met een wanhopig gezicht al hare schatten afnemen, en was zeer blijde toen zij er behouden mede in het rijtuig zat.
"Waar is Tom?" zeide Eva.
"Hij zit achterop, poesje. Ik zal hem aan mama geven tot een presentje om vrede te maken en haar dien dronken kerel te doen vergeten, die de kast heeft omgesmeten."
"O, Tom zal zeker een uitmuntend koetsier zijn," zeide Eva. "Hij zal zich nooit dronken drinken."
Het rijtuig hield stil voor een oud huis, hetwelk die zonderlinge mengeling van den Spaanschen en Franschen bouwtrant vertoonde, waarvan men in sommige gedeelten van Nieuw-Orleans nog voorbeelden ziet. Het was een vierkant gebouw, dat een binnenplein omsloot, hetwelk men door eene gewelfde koetspoort opreed. Dit binnenplein was blijkbaar ingericht om aan een schilderachtigen en weelderigen smaak te voldoen. Om al de vier zijden liepen breede galerijen, met bogen, ranke pilaren en arabesken versierd, die den geest als in een droom naar den romanesken tijd van de heerschappij der Oosterlingen in Spanje terugvoerden. In het midden wierp eene fontein haar zilveren waterstraal, die als regen in een marmeren bekken neerviel met een breeden rand van geurige bloemen omzoomd. Het water in dat bekken, zoo helder als kristal, wemelde van goud- en zilvervischjes, die als zoovele levende juweelen flikkerend heen en weder schoten. Om de fontein liep een pad met een mozaïek van keitjes bevloerd, in allerlei grillige figuren geschikt; en dit werd wederom omgeven door een grasperk, zoo effen als groen fluweel, terwijl een breed rijpad het geheel omsloot. Twee groote oranjeboomen, thans met geurige bloesems beladen, gaven eene verkwikkelijke schaduw; en in een kring op het gras stonden fraai gebeeldhouwde marmeren vazen, met de keurigst bloeiende heesters der keerkringslanden. De galerijen om dit plein waren met gordijnen van gebloemde stof gedrapeerd, die naar welgevallen konden neergelaten worden om de zonnestralen af te weren. Het voorkomen van het geheel was bij uitstek weelderig en romanesk. Toen men de poort inreed, geleek Eva, in hare woeste blijdschap, naar een vogeltje dat uit zijne kooi wil breken.
"O, is het hier niet mooi, niet heerlijk?" zeide zij tegen Miss Ophelia. "Hoe vindt gij mijn huis? Is het niet allerliefst?"
"Het is heel aardig," antwoordde Ophelia afstappende, "hoewel het mij wel wat ouderwetsch en heidensch voorkomt."
Tom stapte van het rijtuig en zag met stil maar innig genot om zich heen. De neger, moet men bedenken, is uit het heerlijkste der wereld afkomstig en heeft eene hartstochtelijke zucht voor alles wat prachtig, rijk en veelkleurig is, eene zucht, welke hem, wanneer hij haar met zijnen onbeschaafden smaak involgt, aan den spot der koelere, juister oordeelende blanken blootstelt.
St.-Clare, die in zijn hart een poëtisch wellusteling was, glimlachte bij Ophelia's oordeel over zijne woning, en zich naar Tom wendende, die nog met een glans van bewondering op zijn zwart gezicht stond rond te zien, zeide hij:
"Wel, Tom, mijn jongen, dat schijnt u te bevallen?"
"Ja, meester," antwoordde Tom, "dat lijkt haast het rechte ding te wezen."
Dit alles gebeurde in een oogenblik, terwijl de koffers werden afgeladen, de huurkoetsier betaald werd, en een troep mannen, vrouwen en kinderen door de galerijen boven en beneden kwam aanloopen om meester te zien komen. Vooraan plaatste zich een jonge mulat, blijkbaar een gedistingueerd persoon, die overdreven zwierig en naar de mode gekleed was, en sierlijk met een geparfumeerden zakdoek stond te wuiven.
Deze persoon joeg met grooten ijver den geheelen troep van bedienden terug.
"Ik schaam mij over u," zeide hij op een toon van gezag. "Zoudt gij u bij meesters huiselijke betrekkingen willen indringen, in het eerste uur zijner terugkomst?"
Allen stonden verslagen over deze fraaie bestraffing, die met niet weinig air werd uitgesproken, en bleven op een afstand, met uitzondering van twee sterke negers, die nader kwamen en de bagage begonnen weg te dragen.
Mr. Adolf had het zoo aangelegd, dat er, toen St.-Clare den huurkoetsier had betaald en zich omkeerde, niemand in het gezicht was, behalve Mr. Adolf zelf, die door zijn satijnen vest, gouden horlogeketting en wit linnengoed genoeg in het oog liep en met onbeschrijfelijke gratie en vriendelijkheid stond te buigen.
"Ha, Adolf! zijt gij daar?" zeide zijn meester hem de hand toereikende. "Hoe gaat het mijn jongen?" En daarop bracht Adolf met groote vlugheid eene aanspraak voor den dag, welke hij sedert veertien dagen zorgvuldig had bedacht en van buiten geleerd.
"Goed, goed," zeide St.-Clare, met zijne gewone spottende onverschilligheid voortstappende; "dat is alles heel mooi bijeengelapt, Adolf. Zorg eens dat de bagage goed geborgen wordt. Ik zal zoo meteen bij het volk komen." En met deze woorden bracht hij Miss Ophelia naar eene kamer die op de galerij uitkwam.
Terwijl dit voorviel was Eva als een vogeltje naar een klein boudoir gevlogen, dat insgelijks op de galerij uitkwam.
Eene rijzige, geelbleeke vrouw met donkere oogen richtte zich half op van de sofa waarop zij lag.
"Mama!" riep Eva in eene verrukking van blijdschap, sloeg hare armpjes om haren hals en kuste haar nogmaals en nogmaals.
"Dat is genoeg—pas op, kind—maak niet dat ik hoofdpijn krijg," zeide de Moeder, na haar flauw een kus te hebben gegeven.
Nu kwam St.-Clare binnen, gaf zijn vrouw een echt orthodoxen, echtelijken kus en presenteerde haar daarna zijne nicht. Marie sloeg met zekeren zweem van nieuwsgierigheid hare groote oogen naar Ophelia op en ontving haar met kwijnende beleefdheid. Een troep bedienden verdrong elkander om den ingang; de voorste daaronder was eene mulattin van middelbare jaren en een fatsoenlijk voorkomen, die van vroolijk ongeduld scheen te beven.
"O, daar is Mammy!" riep Eva, vloog de kamer door, wierp zich in hare armen en kuste haar verscheidene malen.
Deze vrouw sprak niet van hoofdpijn, maar liefkoosde haar en lachte en schreide, tot men er aan twijfelen kon of zij wel bij haar verstand was, en toen zij haar losliet, vloog Eva van den een naar den ander, handen gevende en kussende, op eene manier waarvan Miss Ophelia naderhand zeide dat zij inderdaad misselijk was geworden.
"Nu," zeide zij, "uwe kinderen in het Zuiden kunnen iets doen, dat ik niet zou kunnen doen."
"Wat is dat?" zeide St.-Clare.
"Wel, ik wil wel tegen iedereen vriendelijk zijn en zou niemand willen kwaad doen; maar negers…."
"Zoenen te geven," zeide St.-Clare, "daartoe zijt gij niet in staat, niet waar?"
"Ja, dat is het. Hoe kan zij het doen?"
St. Clare lachte en stapte de gang in.
"Holla daar, waar blijft gij nu? Hier, allemaal—Mammy, Jimmy, Polty, Suckey—blij dat ge meester weerziet?" zeide hij en gaf allen achtereen de hand. "Pas op de kinderen," vervolgde hij, toen hij over een pikzwarten kabouter struikelde, die op handen en voeten kroop. "Als ik er op een trap, laat hij het dan maar zeggen."
Gelach en zegewenschen in overvloed beloonden den meester, toen hij kleingeld onder hen uitdeelde.
"En maak nu dat gij wegkomt, als goede jongens en meiden," zeide hij en de geheele vergadering, zwart en bruin, stoof de deur uit naar de galerij, gevolgd door Eva, die een grooten zak medenam, welken zij op de geheele reis naar huis met appelen, noten, kandijklontjes, eindjes lint en kant en allerlei speelgoed had gevuld.
Toen St. Clare zich omkeerde om heen te gaan, viel hem Tom in het oog, die onrustig nu op den eenen dan op den anderen voet stond te wiegelen, terwijl Adolf, tegen een pilaar leunende, hem door een lorgnet bekeek, met een air dat een modeheertje tot eer zou hebben gestrekt.
"Gij, aap!" zeide zijn meester en sloeg hem het lorgnet uit de hand: "is dat de manier om uw gezelschap te behandelen? Mij dunkt, Dolf," vervolgde hij, met zijnen vinger naar het gebloemd satijnen vest wijzende waarmede Adolf pronkte, "mij dunkt dat is mijn vest."
"O, meester, dat vest was overal met wijn bemorst. Natuurlijk kon een gentleman van meesters fatsoen zulk een vest nooit meer dragen. Ik dacht dat ik het wel hebben mocht. Voor een armen neger zooals ik, is het nog goed."
Adolf wierp zijn hoofd in den nek en streek zijne vingers sierlijk door zijne geparfumeerde haren.
"Zoo, is dat het geval?" zeide St.-Clare onverschillig. "Nu, ik zal Tom aan zijne meesteres laten zien, en neem hem dan mede naar de keuken, en pas op dat gij u niet weer zulke airs tegen hem geeft. Hij is meer waard dan twee zulke apen als gij."
"Meester wil altijd gekscheren," zeide Adolf lachende. "Ik ben blij dat ik meester weer zoo vroolijk zie."
"Hier, Tom!" zeide St.-Clare hem wenkende.
Tom trad de kamer binnen. Hij zag de tapijten en de voorbeeldelooze pracht der spiegels, schilderijen, standbeelden en gordijnen, en, gelijk de koningin van Scheba voor Salomo, er was geen geest meer in hem. Hij scheen zelfs bevreesd om zijn voet neer te zetten.
"Zie eens hier, Marie," zeide St.-Clare tot zijne vrouw, "nu heb ik eindelijk een koetsier voor u gekocht zooals ge hebben woudt. Hij is zoo zwart en deftig als eene geheele lijkstaatsie en zal u ook even deftig rijden als gij wilt. Doe uwe oogen nu eens open en zie hem aan. Zeg nu niet meer dat ik nooit om u denk als ik uit ben."
Marie opende hare oogen en keek naar Tom, maar zonder zich op te richten.
"Ik weet toch wel dat hij ook drinken zal," zeide zij nu.
"Neen, men heeft er voor ingestaan dat hij vroom en nuchter is."
"Nu, ik hoop dat het met hem schikken zal," zeide de dame; "maar het is meer dan ik verwacht."
"Dolf!" zeide St.-Clare, "wijs Tom den weg naar de keuken. En pas op," voegde hij er bij, "onthoud wat ik u gezegd heb."
Adolf trippelde sierlijk heen. Tom volgde met zware schreden.
"Hij gelijkt wel een olifant," zeide Marie.
"Komaan, Marie," zeide St.-Clare, zich bij de sofa op een stoel zettende, "wees nu eens vriendelijk en zeg iemand iets aardigs."
"Gij zijt veertien dagen over den tijd uitgebleven," zeide de dame pruilende.
"Maar gij weet wel, ik heb u de reden geschreven."
"Zulk een korten, koelen brief."
"Maar mijn hemel, de post zou vertrekken, ik moest kort schrijven of geheel niet."
"Zoo is het altijd," zeide de dame; "altijd is er iets om uwe reizen lang en uwe brieven kort te maken."
"Zie nu eens hier," hervatte hij, een elegant fluweelen doosje uit zijnen zak halende en openende, "hier is een presentje, dat ik u uit Nieuw-York heb medegebracht."
Het was eene daguerreotype, zoo duidelijk en fraai als eene gravure, van Eva en haar vader, hand aan hand naast elkander zittende.
Marie bekeek die portretjes met een onvergenoegd gezicht.
"Waarom moest gij in zulk een stijve houding zitten?"
"Nu, over de houding mag verschil van meening zijn; maar wat vindt gij van die gelijkenis?"
"Als gij u aan mijne meening in dit opzicht niet stoort, zult gij het ook wel in het andere niet doen," antwoordde zij, het doosje sluitende.
"Welk een onaangenaam wijf!" dacht St.-Clare bij zich zelven; maar overluid zeide hij: "Komaan nu, Marie, wat dunkt u van de gelijkenis? Wees nu niet dwaas."
"Het is al zeer ongevoelig van u, St.-Clare," antwoordde de dame, "dat gij mij dwingt om nu naar allerlei dingen te kijken en er over te spreken. Gij weet wel dat ik den geheelen dag met hoofdpijn heb gelegen, en sedert gij tehuis gekomen zijt, is er zulk een geweld gemaakt, dat ik halfdood ben."
"Zijt gij zoo aan hoofdpijn onderhevig, Mevrouw?" zeide Miss Ophelia, uit de diepte van een kussenstoel oprijzende, waarin zij stil was blijven zitten, bij zich zelve een inventaris van de meubelen makende en berekenende wat zij moesten gekost hebben.
"Ja, ik ben eene martelares daarvan," antwoordde de dame.
"Jeneverbessen-thee is heel goed voor hoofdpijn," zeide Ophelia, "tenminste Augusta, de vrouw van den ouden Abraham Perry, placht zoo te zeggen, en zij had veel ondervinding."
"Ik zal de eerste jeneverbessen, die in onzen tuin bij het meer rijp worden, opzettelijk daarvoor laten komen," zeide St.-Clare zeer ernstig en trok te gelijk aan de schel. "Ondertusschen, Nicht, zult gij wel gaarne naar uwe kamer willen gaan, om u na de reis wat te verfrisschen. Dolf," vervolgde hij, "laat Mammy terstond eens hier komen."
De mulattin, welke Eva met zooveel verrukking had geliefkoosd, trad spoedig binnen. Zij was zeer net gekleed en had een rooden en gelen tulband op, dien Eva haar nu pas had medegebracht, en welken het meisje zelf om haar hoofd had gewonden.
"Mammy," zeide St.-Clare, "ik stel deze dame onder uwe zorg. Zij is moede en heeft rust noodig. Breng haar naar heur kamer en zorg er voor dat zij alle gemak heeft."
Daarop verdween Ophelia, door Mammy voorgegaan.