← Table of contents
De Negerhut

NEGEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK

C. M. Mensing translation

DE NALATENSCHAP

Men hoort dikwijls van de droefheid der negerslaven over het verlies van een goeden meester; en maar al te veel reden hebben zij om bedroefd daarover te zijn, want geen schepsel op Gods aarde kan ongelukkiger en hulpeloozer achterblijven dan een slaaf in zulke omstandigheden.

Het kind, dat zijn vader heeft verloren, heeft nog de bescherming van nabestaanden of die der wet; het is iets en kan iets doen—het heeft eene positie en erkende rechten; de slaaf heeft niets daarvan. De wet houdt hem in alle opzichten voor zoo geheel zonder eigen rechten als eene baal koopwaren. De eenig mogelijke erkenning der verlangens en behoeften van een menschelijk en onsterfelijk wezen, die hem ten deel valt, heeft hij aan de oppermachtige willekeur van zijnen meester te danken. Dit weet iedereen en de slaaf het best van allen, en hij gevoelt dus, dat hij tien kansen heeft, om een grillig en tiranniek meester te vinden, tegen eene om een goedaardig en menschlievend heer te bekomen. Daarom is het, dat de rouwklacht over een goed meester zoo luid en lang is, en wezen mag.

Toen St. Clare den adem uitblies, werden al zijne onderhoorigen door verbijsterden schrik overstelpt. Hij was zoo in een oogenblik in den bloei en de kracht zijner jeugd neergeveld! Elke kamer en galerij van het huis weergalmde van het snikken en gillen der wanhoop.

Marie, wier zenuwgestel door hare weekelijke levenswijs geheel was ondermijnd, had niets om haar bij dien schok te ondersteunen. Toen haar echtgenoot den laatsten snik gaf, kreeg zij flauwte op flauwte, en hij, met wien zij door den heiligen huwelijksband was verbonden, was voor altijd van haar gescheiden, zonder dat het zelfs mogelijk was geweest een afscheidswoord te spreken.

Ophelia was met haar eigenaardige geestkracht en zelfbeheersching tot het laatste toe bij haren neef gebleven—geheel oog, geheel oor, geheel oplettendheid om het weinige te doen, dat er nog gedaan kon worden,—en had met geheel haar hart ingestemd in het teedere en vurige gebed, dat door den armen slaaf voor de ziel van zijnen stervenden meester werd opgezonden.

Toen men hem schikte voor zijne laatste rust, vond men op zijne borst een eenvoudig medaillon, dat met eene veer opensprong. Daarin was het miniatuur-portretje eener vrouw van edele schoonheid, en aan de achterzijde onder glas een lok donker haar. Zij plaatsten het weder op de levenlooze borst—stof bij stof—die treurige overblijfselen van vroegere droomen, die het nu koude hart eens zoo warm hadden doen kloppen.

Toms geheele ziel was met gedachten aan de eeuwigheid vervuld, en terwijl hij aan dat levenlooze stof de laatste diensten bewees, dacht hij niet eens aan den plotselingen slag, die hem in hopelooze slavernij had gelaten. Hij voelde zich gerust over zijnen meester; want in dat uur, toen hij zijn gebed in den boezem van zijnen Vader had uitgestort, had hij in zich zelven een antwoord voelen opwellen, dat zijn gemoed bevredigde. In de diepte van zijn eigen liefderijk hart had hij iets van de volheid der goddelijke liefde kunnen bevatten, want een oud orakel had aldus geschreven: "Hij die in de liefde blijft, blijft in God en God in hem." Tom hoopte en vertrouwde, en was gerust.

De begrafenis liep af met al haar praal van zwart en krip, van gebeden en strakke gezichten; en de koude, troebele golven van het dagelijksch leven rolden weder voort, en toen kwam de altijd weder opnieuw gehoorde vraag op: "Wat moet er nu gedaan worden?"

Deze vraag kwam bij Marie op toen zij, in een los ochtendgewaad gekleed, en door angstige bedienden omringd, in een grooten leuningstoel opzat, en stalen en rouwgoed bezichtigde. Zij kwam ook bij Ophelia op, die aan haar tehuis in het Noorden begon te denken. Zij kwam ook met stille ontzetting bij de slaven op, die maar al te wel het gevoellooze grillige karakter van hunne meesteres kenden, in wier handen zij gelaten waren. Allen wisten zeer wel, dat de zachtheid, waarmede zij behandeld waren, niet van hunne meesteres, maar van hunnen meester afkomstig was; en dat er, nu hij niet meer leefde, niets meer was om hen te beschermen tegen alle tirannieke kwellingen, die een gemoed dat door verdriet verbitterd was zou kunnen uitdenken.

Het was omtrent veertien dagen na de begrafenis, toen Ophelia, in hare kamer bezig, zacht aan hare deur hoorde kloppen. Zij opende die en daar stond Rosa, de fraaie jonge quadrone, van wie wij vroeger meermalen gesproken hebben, met loshangende haren en oogen, gezwollen van het schreien.

"O, Miss Phelia!" zeide zij, op hare knieën vallende en den zoom van haar kleed vattende, "ga toch voor mij naar Miss Marie! Spreek toch voor mij! Zij wil mij zenden om gegeeseld te worden—zie hier!" En zij gaf Ophelia een papier over.

Het was eene order, met Maries fijne Italiaansche hand geschreven, aan den meester van het "geesel-etablissement", om aan de brengster vijftien zweepslagen te geven.

"Wat hebt gij dan gedaan?" zeide Ophelia.

"Gij weet wel, Miss Phelia, ik heb zulk een driftig humeur, en dat is heel slecht van mij. Ik paste Miss Marie een kleedje, en zij gaf mij een klap in het gezicht, en toen sprak ik vóór ik dacht en was brutaal; en zij zeide dat zij mij wel klein zou krijgen, en mij voor eens en altijd leeren dat ik niet meer zooveel verbeelding moest hebben als voorheen; en toen schreef zij dit en zei dat ik het brengen moet. Ik had liever dat zij mij ineens doodsloeg."

Ophelia stond zich met het papier in de hand te bedenken.

"Gij ziet het wel, Miss Phelia," hervatte Rosa, "ik zou niet zooveel om het slaan geven, als Miss Marie of gij het deedt; maar, naar een man gezonden te worden—en zulk een afschuwelijk man—en de schande daarvan, Miss Phelia!"

Ophelia wist wel dat het een algemeen gebruik was, vrouwen en meisjes naar de geeselhuizen te zenden, onder de handen der gemeenste kerels—laaghartig genoeg om zoo iets tot hun beroep te maken—om daar eene schandelijke ontblooting en tuchtiging te ondergaan. Zij had dit vroeger wel geweten, maar het zich nog nooit recht voorgesteld, vóórdat zij de tengere gestalte van Rosa stuipachtig zag rillen van angst. Al haar edel vrouwelijk bloed, het krachtige, vrije bloed van Nieuw-Engeland, steeg haar naar de wangen en klopte onstuimig in haar verontwaardigd hart; maar met hare gewone voorzichtigheid en zelfbeheersching bedwong zij zich, en het papier in hare hand samenknijpende, zeide zij tegen Rosa slechts: "Ga hier zitten, kind, terwijl ik naar uwe meesteres ga."

"Schandelijk! barbaarsch! verfoeielijk!" zeide zij bij zich zelve, terwijl zij naar de voorkamer ging.

Zij vond Marie in haren leuningstoel zitten. Mammy was bezig met haar het haar te kammen en Jane, die vóór haar op den grond zat met hare voeten te wrijven.

"Hoe bevindt ge u vandaag?" zeide Ophelia.

Een zware zucht met dichtgeknepen oogen was het eerste antwoord, en daarop zeide Marie: "Och, ik weet het niet, Nicht. Ik denk haast dat ik zoo wel ben, als ik ooit wezen zal." En zij veegde hare oogen af met een zakdoek, die een zwarten rand had van een duim breed.

"Ik kwam," zeide Ophelia met een droog kuchje, gelijk meestal tot inleiding van een netelig onderwerp moet dienen, "ik kwam om eens met u over die arme Rosa te spreken."

Marie opende nu hare oogen wijd genoeg, en er kwam een blos op hare vale wangen, toen zij met scherpheid antwoordde:

"Wel, wat is er met haar?"

"Zij heeft veel spijt over hare fout."

"Zoo, heeft zij dat? Zij zal nog wel meer spijt hebben, eer ik met haar heb afgedaan. Ik heb de onbeschaamdheid van dat kind lang genoeg verdragen, en nu zal ik haar vernederen—ik zal haar in het stof doen kruipen."

"Maar zoudt gij haar niet op eene andere manier kunnen straffen, die minder schandelijk was?"

"Ik bedoelde haar schande aan te doen; dat is juist wat ik wil. Zij is altijd grootsch geweest op hare mooiheid en fijnheid en hare damesachtige manieren, tot zij vergeten heeft wat zij is; en ik zal haar eene les geven, die haar wel van hare verbeelding genezen zal, naar ik denk."

"Maar, Nicht, bedenk dat als gij de kieschheid en schaamte bij een jong meisje verdooft, zij spoedig tot alle slechtheid in staat moet worden."

"Kieschheid!" zeide Marie, met eenen schamperen lach; "een mooi woord voor zulken als zij! Ik zal haar leeren dat zij met al hare airs niet beter is dan de vuilste slet die langs de straat loopt. Zij zal zich bij mij geene airs geven."

"Gij zult bij God verantwoordelijk zijn voor zulk eene wreedheid," zeide Ophelia.

"Wreedheid! Ik zou wel eens willen weten, waar gij die wreedheid vindt. Ik heb eene order geschreven voor maar vijftien slagen, en hem nog gezegd om ze licht te geven. Ik denk toch dat daarin geene wreedheid steekt."

"Geene wreedheid!" zeide Ophelia. "Ik ben zeker, dat ieder meisje veel liever in eens dood zou willen zijn."

"Zoo zou het iemand met uw gevoel kunnen voorkomen; maar al die schepsels worden er aan gewoon, en het is de eenige manier waarop er orde onder kan worden gehouden. Als zij eens denken dat zij airs van kieschheid en dat alles kunnen geven, nemen zij een loopje met u, gelijk mijne bedienden altijd gedaan hebben. Ik ben nu begonnen met hun anders te leeren, en ik zal hun spoedig allen doen begrijpen, dat ik den een evengoed zal zenden om gegeeseld te worden als den ander, als zij niet oppassen," zeide Marie, gebiedend om zich heenziende.

Jane liet haar hoofd hangen en kromp ineen toen zij dit hoorde, want zij voelde dat het bijzonder op haar gemunt was. Miss Ophelia bleef een oogenblik zitten, alsof zij een of ander ontploffend mengsel had ingenomen en op het punt was om te bersten. Toen bedenkende hoe geheel nutteloos een woordenstrijd met iemand van zulk een karakter was, kneep zij hare lippen vaster dicht, stond op en ging de kamer uit.

Het was hard, weder naar Rosa te moeten gaan om haar te zeggen, dat zij toch niets voor haar doen kon. Kort daarop kwam een der slaven zeggen dat zijne meesteres hem gelast had, Rosa naar het geeselhuis te brengen en in weerwil van haar smeeken en schreien, werd zij daarheen gesleept.

Eenige dagen later stond Tom peinzend onder eene der galerijen, toen Adolf bij hem kwam, die sedert den dood van zijnen meester zeer mismoedig en bedrukt geweest was. Adolf wist wel dat zijne meesteres altijd een hekel aan hem had gehad, maar zoolang zijn meester leefde, had hij zich daar weinig om bekommerd. Nu deze gestorven was, was hij geen dag zonder angst geweest, daar hij niet wist wat hem den volgenden kon overkomen. Marie had reeds verscheidene malen haar procureur geraadpleegd, en na overleg met St. Clare's broeder had men besloten om het huis en al de bedienden te verkoopen, behalve die haar persoonlijk eigendom waren. Deze laatsten wilde zij medenemen en zich weder naar de plantage van haren vader begeven.

"Weet gij wel, Tom, dat wij allen verkocht zullen worden?" zeide Adolf.

"Hoe hebt gij dat gehoord?" zeide Tom.

"Ik had mij achter de gordijnen verscholen, toen mevrouw met den procureur sprak. Over eenige dagen zullen wij allen naar de publieke verkooping gezonden worden."

"De wil des Heeren geschiede!" zeide Tom met een zwaren zucht, zijne armen over elkander heenslaande.

"Wij zullen nooit weder zulk een meester krijgen," zeide Adolf benauwd. "Maar ik wil liever verkocht worden, dan afwachten hoe het onder mevrouw met mij gaan zal."

Tom keerde zich om. Zijn hart was vol. De hoop op vrijheid, de gedachte aan zijne vrouw en kinderen rezen op voor zijn geduldige ziel, gelijk voor den zeeman, die bijna in de haven schipbreuk lijdt, eene verschijning oprijst van den kerktoren en de bekende daken van het dorp zijner geboorte, die hij over de toppen der donkere golven slechts even ontwaart, om ze een laatst vaarwel toe te roepen. Hij klemde zijne armen vast over zijne borst, bedwong zijne tranen en poogde te bidden. De arme, onnoozele man had zulk een zonderling onverklaarbaar vooroordeel ten gunste der vrijheid, dat het bidden hem zeer moeilijk viel; en hoe meer hij zeide: "Uw wil geschiede!" des te oproeriger werd het in zijn gemoed.

Hij zocht Miss Ophelia op, die hem sedert Eva's dood altijd met bijzondere achting en vriendelijkheid had behandeld.

"Miss Phelia," zeide hij, "Mijnheer St. Clare had mij mijne vrijheid beloofd. Hij zeide mij dat hij begonnen was met de papieren gereed te maken; en als nu Miss Phelia zoo goed wilde zijn om er met mevrouw over te spreken, zou zij er misschien wel mede willen laten voortgaan, daar het toch Mijnheer St. Clare's verlangen was."

"Ik zal voor u spreken, Tom, en mijn best doen," zeide Ophelia, "maar als het van Mevrouw St. Clare afhangt, kan ik niet veel voor u hopen. Evenwel, ik zal het beproeven."

Dit gebeurde eenige dagen na het voorgevallene met Rosa, terwijl Miss Ophelia reeds bezig was met toebereidselen, om naar het Noorden terug te keeren.

Ernstig bij zich zelven nadenkende, begreep zij dat zij misschien bij haar vorig gesprek met Marie te haastig was geweest en met te veel warmte gesproken had, en besloot zij thans haar ijver te matigen en zoo geduldig te zijn als haar maar mogelijk was. Zoo nam dus de goede ziel haar breiwerk mede en ging naar de kamer van Marie, met het voornemen om zich zoo aangenaam te maken als zij maar kon, en tevens over de zaak van Tom te onderhandelen met al de diplomatische behendigheid, die haar ten dienste stond.

Zij vond Marie zoo lang als zij was op eene sofa liggen, met een elleboog op de kussens leunende, terwijl Jane, die voor haar naar eenige winkels was geweest, haar stalen van dunne zwarte stoffen vertoonde.

"Dat zou goed zijn," zeide Marie, er een uitkiezende, "maar ik weet niet zeker of het wel eigenlijk voor rouw kan dienen."

"O ja, Mevrouw," zeide Jane. "Mevrouw Derbennon heeft hetzelfde gedragen, toen de generaal verleden zomer gestorven was, en het kleedt overheerlijk."

"Wat denkt gij er van?" zeide Marie tot Ophelia.

"Dat zal van het gebruik afhangen, denk ik," antwoordde Ophelia, "en daarover kunt gij zeker beter oordeelen dan ik."

"De zaak is," zeide Marie, "dat ik geene enkele japon in de wereld heb die ik dragen kan; en daar ik aanstaande week het huishouden opbreek en vertrek, moet ik tot het een of ander besluiten."

"Gaat gij spoedig?"

"Ja, St. Clare's broeder heeft geschreven, en hij en de procureur denken dat het best zal zijn, de bedienden en de meubelen publiek te laten verkoopen, en het huis en het landgoed in handen van onzen procureur te laten."

"Dan is er nog iets, waarover ik u spreken wilde," zeide Ophelia. "St. Clare had Tom zijne vrijheid beloofd, en was begonnen met de vereischte wettige formaliteiten. Ik hoop dat gij uw invloed zult aanwenden, om die zaak te doen in orde brengen."

"Dat ben ik volstrekt niet voornemens," antwoordde Marie scherp. "Tom is een van de kostbaarste bedienden, en dat zou dus eene aanmerkelijke schade voor de nalatenschap zijn. Bovendien, wat heeft hij met vrijheid noodig? Hij heeft het veel beter zooals hij nu is."

"Maar hij verlangt er zeer naar, en zijn meester had ze hem beloofd," zeide Ophelia.

"Ik wil wel gelooven dat hij ze verlangt," zeide Marie. "Dat doen zij allen, alleen omdat zij altijd onvergenoegd zijn en alles verlangen wat zij niet hebben. Ik ben par principe altijd tegen het emancipeeren. Houd een neger onder het opzicht van een meester en hij maakt het wel genoeg en gedraagt zich ordelijk; maar laat hen vrij, en zij worden lui en willen niet werken, raken aan den drank, en worden allen gemeene deugnieten. Ik heb dat honderden malen gezien. Het is niet eens eene gunst voor hen, hen vrij te laten."

"Maar Tom is zoo bedaard, vlijtig en godsdienstig."

"O, daar behoeft gij mij niet van te spreken. Ik heb er honderden gezien, evenals hij. Hij zal zich heel wel gedragen zoolang hij onder opzicht is, dat is alles."

"Maar bedenk dan ook," zeide Ophelia, "als gij hem te koop laat zetten, is er kans dat hij een slecht meester krijgt."

"O, dat is alles maar gekheid!" zeide Marie. "Het gebeurt niet eens in de honderd maal dat een goed kerel een slecht meester krijgt. De meeste meesters zijn goed, hoeveel er ook mag gepraat worden. Ik ben hier in het Zuiden groot geworden, en heb nog nooit een meester gekend, die zijne bedienden niet goed behandelde, zoo goed als het maar behoeft. In dat opzicht ben ik volstrekt niet bang."

"Welnu," zeide Ophelia met nadruk, "ik weet dat het een der laatste wenschen van uwen man was, dat Tom zijne vrijheid zou hebben; het was eene van de beloften, die hij de kleine Eva op haar sterfbed gaf, en ik zou niet denken dat gij over zoo iets zoudt willen heenstappen."

Onder deze toespraak bedekte Marie haar gezicht met hare zakdoek en begon zij met heftigheid te snikken en haar flacon te gebruiken.

"Iedereen maakt het mij moeilijk," zeide zij nu. "Iedereen is even ongevoelig! Ik zou niet verwacht hebben, dat gij mij mijne rampen weder in het geheugen zoudt brengen. Maar niemand denkt ooit om mijn gevoel—en dat bij mijne buitengemeene bezoekingen! Het valt mij zoo hard, nu ik maar eene eenige dochter had, dat zij mij moest ontnomen worden—en daar ik een man had die mij juist beviel—en het is zoo zelden dat mij iets bevalt—dat hij mij ook moest ontnomen worden! Gij schijnt zoo weinig gevoel voor mij te hebben, en brengt het mij zoo onbedacht voor den geest—terwijl gij weet hoe het mij overstelpt. Ik wil gelooven dat gij het wèl meent; maar het is zoo onbedacht!"

En Marie snikte en hijgde naar adem, en riep Mammy om het venster open te zetten en haar het kamferfleschje te geven, om haar hoofd daarmede te bevochtigen, en haar kleed los te maken, en in de algemeene opschudding die daarop volgde, nam Ophelia de wijk naar hare kamer.

Zij begreep terstond dat het niet baten kon iets meer te zeggen, want Marie had altijd zenuwtoevallen bij de hand; en wanneer vervolgens iemand een woord over de laatste wenschen van haren echtgenoot of van Eva ten opzichte der bedienden begon te spreken, achtte zij het beste er terstond een te laten aanrukken. Ophelia deed derhalve het beste, dat zij in deze omstandigheden voor Tom doen kon; zij schreef voor hem een brief aan Mevrouw Shelby, waarin zij zijn ongeval vermeldde en aandrong om hem te hulp te komen.

Den volgenden dag werden Tom en Adolf, met nog een half dozijn anderen, naar het slavenmagazijn gebracht, om daar te wachten tot de handelaar, die eene publieke verkooping zoude houden, een troep bijeen had.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings