TWEE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK
C. M. Mensing translation
DUISTERE PLAATSEN
"De duistere plaatsen des lands zijn vol woningen van geweld."
Vermoeid, achter een ruwen wagen over een ongebaanden weg aankomende, stapten Tom en zijne makkers voort.
In den wagen zat Simon Legree; en de twee vrouwen, nog aan elkander gekluisterd, waren, met eenige bagage achterin gestopt. De geheele troep was op weg naar de tamelijk verwijderde plantage van Legree.
Het was een wilde, eenzame weg: nu eens door zandige pijnbosschen slingerende, dan over paden van boomstammen door uitgestrekte cypressenmoerassen, waar die sombere boomen, met kransen van zwart mos behangen, uit den modderigen, sponsachtigen grond opstaken, en men nu en dan eene afzichtelijke slang door de afgebroken stompen zag glijden, die in het water lagen te rotten.
Het is akelig genoeg, dit gewest, voor den vreemdeling die het met eene welgevulde beurs en een goed paard moet doortrekken, als zijne zaken hem daarheen voeren; maar nog woester en akeliger is het voor den armen slaaf, wien elke slepende stap verder verwijdert van alles wat de mensch liefheeft en waarom hij bidt.
Zoo had ieder moeten denken, die de neerslachtige uitdrukking dier donkere gezichten zag; de geduldige verveling, waarmede die treurige oogen het eene voorwerp na het andere aanstaarden, dat zij op die treurige reis voorbijkwamen.
Legree reed echter naar het scheen zeer welgemoed voort, en nam nu en dan een slok uit de brandewijnflesch, die hij in zijnen zak had.
"Zegt eens, gij," zeide hij, toen hij omkeek en de neerslachtige gezichten achter zich zag. "Zingt eens een liedje, jongens—komaan!"
Zijne slaven zagen elkander aan, het "komaan!" werd herhaald en tegelijk klapte de zweep, die Legree in de hand had. Tom begon een methodistisch lied:
"Jeruzalem, mijn vaderland, Hoe dierbaar zijt ge mij!"
"Houd op, zwarte kerel," bulderde Legree. "Denkt gij dat ik dit vervloekt methodistisch gegalm wil hooren? Zing wat vroolijks, zeg ik—gauw!"
Een der anderen hief een van die zinlooze liedjes aan, die onder de slaven in zwang zijn.
"Mas'r reed me cotch a coon, High, boys, high! He laughed to split—d'ye see the moon? Ho! ho! ho! boys, ho! Ho! yo! hi!—e! oh!" [9]
De zanger scheen zijn lied voor de vuist te maken, doorgaans het rijm treffende, zonder veel moeite te doen om er zin aan te geven; en de geheele troep stemde nu en dan in met het refrein:
"Ho! ho! ho! boys, ho! Ho! yo! hi—hi! oh!"
Het gezang was luidruchtig genoeg en toonde een geweldige poging om vroolijk te zijn; maar geen wanhopige jammerkreten, geen vurig smeekgebed had zulk eene diepte van zieleleed kunnen bevatten, als de woeste klanken van dat koor. Het was alsof het arme, bedreigde, tot stomheid veroordeelde hart de toevlucht nam tot die woordelooze vrijplaats der muziek, en daar eene taal vond om zijn gebed tot God uit te zuchten. Het was een gebed in eene taal, die Legree niet kon verstaan. Hij hoorde zijne slaven slechts luidruchtig zingen en was wel in zijnen schik; hij "hield hen vroolijk."
"Wel, mijn liefje," zeide hij, zich naar Emmeline omkeerende en zijne hand op haren schouder leggende, "nu zijn wij haast tehuis."
Wanneer Legree vloekte en schold, was Emmeline verschrikt; maar wanneer hij haar aanraakte en sprak gelijk nu, dacht zij, dat zij liever wilde, dat hij haar geslagen had. De uitdrukking zijner oogen deed haar walgen en huiveren tegelijk. Onwillekeurig drong zij dichter bij de mulattin naast haar, alsof deze hare moeder was.
"Hebt gij nooit oorringen gedragen?" zeide hij, haar fijn oortje tusschen zijne grove vingers pakkende.
"Neen, meester," antwoordde Emmeline bevend voor zich ziende.
"Wel, ik zal u een paar geven als wij tehuis komen, als ge een goed meisje zijt. Ge behoeft zoo bang niet te zijn; ik heb plan u niet heel hard te laten werken. Gij zult een pleizierigen tijd bij mij hebben en als eene dame leven—alleen, wees maar een goed meisje."
Legree had nu zooveel gedronken, dat hij genegen was om bijzonder goedertieren te zijn; en thans kreeg men juist zijne plantage in het gezicht. Het goed had voorheen aan een heer van vermogen en smaak toebehoord, die zich op het verfraaien daarvan had toegelegd. Nadat hij insolvent was gestorven, was het voor een prijsje door Legree gekocht, die het gelijk alle andere dingen, alleen gebruikte als een werktuig om geld te winnen. De plaats had nu dat woeste, havelooze voorkomen, waaruit blijkt, dat de zorg van een vroegeren eigenaar later geheel verwaarloosd is.
Wat eens voor het huis een effen grasperk was, hier en daar met fraaie heesters beplant, was nu eene wildernis van slecht gras, hier en daar met een paal om paarden aan vast te binden, waaromheen de zoden waren weggetrapt, en de grond met gebroken emmers, maïsstengels en ander ontuig was bestrooid. Hier en daar hing eene geknakte jasmijn of kamperfoelie haveloos aan een sierlijk hek of paalwerk, dat op zijde was getrokken, daar men het insgelijks had gebruikt om er paarden aan vast te binden. De plek, die eens een tuin was geweest, was nu geheel met onkruid begroeid, waartusschen hier en daar eene enkele uitheemsche bloemplant eenzaam het hoofd ophief. Het gebouw, dat eens de broeikas was geweest, had geene ramen meer, en op de vermolmde planken stonden eenige verdroogde bloempotten, met stokjes er in, waarvan de dorre bladeren toonden dat zij eens planten geweest waren.
De wagen reed een met onkruid begroeid kiezelpad op, onder eene statige laan van oranjeboomen, welker sierlijke kronen en zich steeds verjongend gebladerte het eenige scheen te zijn, dat door geene verwaarloozing kon bedorven of onderdrukt worden—gelijk edele geesten, zoo diep in het goede geworteld, dat zij onder tegenspoed en minachting des te sterker groeien en bloeien.
Het huis was eens groot en fraai geweest. Het was in den gewonen trant van het Zuiden gebouwd; om alle deelen van het huis heen liep een breede veranda van twee verdiepingen, waarop al de buitendeuren uitkwamen; de benedenste dezer galerijen hadden gemetselde steenen pilaren.
Het gebouw zag er zeer vervallen en verlaten uit; sommige vensters waren met planken dichtgespijkerd, andere hadden gebroken ruiten of luiken, die slechts aan het hengsel hingen—alles kondigde de grootste verwaarloozing aan.
Stukken van planken en hoopen stroo bedekten overal den grond, en drie of vier groote honden, die er zeer kwaadaardig uitzagen, kwamen op het gerucht van den aankomenden wagen uitschieten, en konden door de met vodden bedekte slaven, die hen naliepen, slechts met moeite weerhouden worden van Tom en zijne makkers aan te pakken.
"Gij ziet wat gij krijgen zoudt," zeide Legree, de honden met barsche tevredenheid liefkoozende en zich daarop naar Tom en zijne makkers keerende. "Gij ziet wat gij krijgen zoudt, als ge beproeven mocht om weg te loopen. De honden zijn gedresseerd om negers op te sporen, en zij zouden er even gaarne een opslokken als hun gewoon avondmaal. Past dus op. Wel, Sambo," zeide hij tot een haveloozen kerel, zonder rand aan zijnen hoed, die zich zeer gedienstig toonde: "hoe zijn de zaken gegaan?"
"Opperbest, meester."
"Quimbo," zeide Legree tot een ander, die ijverige pogingen deed om zijne aandacht te trekken, "gij hebt onthouden wat ik u gezegd had?"
"Dat zou ik nog al denken, meester."
Deze twee kleurlingen waren de voornaamste arbeiders op de plantage. Legree had hen even stelselachtig op woestheid en kwaardaardigheid afgericht als zijne bulhonden, en door lange oefening in gevoelloosheid en wreedheid had hij hunne geheele natuur omtrent aan die dezer dieren gelijk gemaakt. Het is eene gewone opmerking en eene die men voor een groot bezwaar tegen den stam houdt, dat de negeropzichter altijd veel heerschzuchtiger en wreeder is dan de blanke. Het is echter in dit opzicht met zijn geslacht niet anders gesteld, dan met ieder verdrukt geslacht op de wereld. De slaaf is altijd een tiran, wanneer hij gelegenheid heeft om dit te zijn.
Sambo en Quimbo haatten elkander hartelijk, al de arbeiders op de plantage haatten hen; en door den een tegen den ander te gebruiken, was Legree tamelijk zeker van eene dezer drie partijen alles te vernemen wat er op zijne plantage omging.
Niemand kan geheel zonder gezelligen omgang leven; en Legree had dus zijne twee zwarte satellieten zekere ruwe gemeenschap met hem veroorloofd—eene gemeenschap evenwel, die telkens dreigde den een of ander in ongelegenheid te brengen; want op den minsten wenk was een van beiden altijd gereed om het werktuig des meesters wraak op den ander te zijn.
Gelijk zij daar bij Legree stonden, schenen zij het bewijs te kunnen leveren van de bewering, dat verdierlijkte menschen lager kunnen zinken dan de dieren zelven. Hunne grove, donkere, logge trekken; hunne groote oogen, die elkander wangunstig begluurden; hunne barbaarsche, gorgelende, half naar dierlijke geluiden zweemende spraak; hunne gescheurde, in den wind fladderende kleeren—alles strookte met het bedorven, ongezonde voorkomen van alles, over de geheele plaats.
"Hier gij, Sambo," zeide Legree, "breng die jongens naar het kwartier. En hier is eene meid, die ik voor u heb gekocht," vervolgde hij, terwijl hij de mulattin van Emmeline afscheidde en naar hem toeduwde, "gij weet wel, ik heb u beloofd u er eene mee te brengen."
De vrouw deinsde van schrik terug, en zeide snel: "O meester, ik heb mijn man te New-Orleans gelaten."
"Wat raakt dat—zult gij er hier geen noodig hebben?—nu geene woorden meer—maakt dat gij voortkomt!" zeide Legree en lichtte zijn zweep op.
"Kom, Juffertje," zeide hij tegen Emmeline, "gij gaat met mij hier binnen."
Een donker, wild gezicht vertoonde zich voor een oogenblik voor een der vensters van het huis; en toen Legree de deur opende, zeide eene vrouwenstem iets op een driftigen, gebiedenden toon. Tom, die met angstige belangstelling Emmeline nazag, toen zij binnenging, lette hierop, en hoorde Legree toornig antwoorden: "Gij moogt uw mond houden. Ik zal doen wat ik verkies of het u aanstaat of niet."
Tom hoorde niets meer, want hij moest Sambo naar het kwartier volgen. Dit kwartier was een soort van straatje van ruwe hutten, op een rij geplaatst, in een gedeelte der plantage, dat ver van het huis verwijderd was. Zij zagen er zeer vervallen en verwaarloosd uit. Tom voelde zich het hart beklemd, toen hij ze zag. Hij had zich getroost met de gedachte aan een hutje, wel ruw, maar dat hij knap en net kon maken, waar hij eene plank voor zijnen Bijbel kon hebben, en eene plaats, waar hij buiten zijne werkuren alleen kon zijn. Hij keek in verscheidene binnen; het waren slechts donkere holen, zonder eenig huisraad, behalve een hoop stroo vol vuiligheid, ordeloos op den vloer gesmeten die uit de bloote aarde bestond, welke door ontelbare voetstappen was vastgetrapt.
"Welke van die zal de mijne zijn?" zeide hij onderworpen tot Sambo.
"Weet niet! Kunt hier wel ingaan, denk ik," zeide Sambo. "Daar zal nog wel plaats voor één wezen. Er is al een goede hoop negers in ieder. Ik weet niet wat ik met nog meer moet doen."
Het was laat in den avond, toen de vermoeide bewoners der hutten bij troepen naar huis kwamen—mannen en vrouwen, in vuile gescheurde kleeren, knorrig en wrevelig en in geene stemming om nieuwe medebewoners vriendelijk aan te zien. Het dorpje weergalmde van geene streelende klanken; schorre stemmen twistten bij de handmolens, waar allen hunne portie hard koren nog tot meel moesten malen, eer de koek er van gebakken kon worden, die hun eenig avondmaal uitmaakte. Van den dageraad af waren zij in het veld geweest, gedwongen tot werken door de drijvende zweep der opzichters; want het was nu in het heetste en drukste van het seizoen en geene middelen werden er gespaard om ieder voort te jagen, zooveel hij maar kon uithouden. "Wel zeker," zegt de zorgelooze leeglooper, "het katoenplukken is geen zwaar werk, niet waar?" En het is ook zulk een groot ongemak niet, dat u een droppel water op het hoofd valt, en toch wordt de ergste pijniging der inquisitie voortgebracht, door droppel op droppel, oogenblik op oogenblik, op dezelfde plek te laten vallen; een werk, dat op zich zelf niet zwaar is, wordt dit, wanneer men uren achtereen wordt voortgejaagd, altijd met dezelfde onverbiddelijke gestrengheid en eentonigheid, zonder dat zelfs de bewustheid van vrijwilligheid, het vervelende er van vermindert. Tom zocht onder dezen troep die hem voorbijstroomde, vruchteloos naar een gezicht dat hem tot gezelligheid uitlokte. Hij zag alleen norsche, woeste, verdierlijkte mannen, en zwakke, moedelooze vrouwen, of vrouwen die geene vrouwen meer konden heeten—de sterken de zwakken verdringende—de grove, onbedwongen, dierlijke zelfzucht van menschelijke wezens, van welke niets goeds verwacht of verlangd kon worden, en die in alle opzichten als beesten behandeld, ook zoo nabij den rang van beesten waren gedaald als voor menschelijke wezens slechts mogelijk was. Tot laat in den nacht duurde het geluid van het malen, want de molens waren weinig in getal, met de malers vergeleken, en de vermoeiden en zwakken werden door de sterkeren weggejaagd en kwamen het laatste aan de beurt.
"Ho, gij," zeide Sambo, naar de mulattin komende, en een zak met koren voor haar neersmijtende. "Hoe duivel is uw naam?"
"Lucy," antwoordde de vrouw.
"Wel, Lucy, gij mijne vrouw nu. Gij maalt dit koren en bakt mijn avondeten, hoort ge?"
"Ik ben uwe vrouw niet en wil het niet wezen,"—zeide Lucy, met den plotseling ontvlammenden moed der wanhoop. "Loop heen!"
"Dan zal ik je schoppen," zeide Sambo dreigend zijnen voet oplichtende.
"Gij moogt mij doodslaan als gij wilt—hoe eer hoe beter. Ik wenschte dat ik dood was," zeide zij.
"Zeg eens, Sambo, als gij iemand van het volk voor het werk bederft, zal ik het meester zeggen," zeide Quimbo, die aan den molen bezig was, vanwaar hij uit kwaardaardigheid eenige vrouwen had weggejaagd, die nu stonden te wachten.
"En ik zal hem zeggen dat gij de vrouwen niet bij de molens wilt laten komen, gij oude neger," antwoordde Sambo. "Pas maar voor u zelven op."
Tom was vermoeid van den tocht en bijna flauw van gebrek aan voedsel.
"Daar gij," zeide Quimbo, een zak met koren voor hem neerwerpende. "Daar, neger, pak aan, en pas er op; want gij zult voor deze week niets meer krijgen."
Tom wachtte tot zeer laat om eene plaats aan de molens te bekomen, en toen medelijden hebbende met de afmatting van twee vrouwen, die hij zag beproeven om hare portie te malen, maalde hij die voor haar, legde de halfverbrande houten bij elkander van een vuur, waarbij reeds velen hunne koeken hadden gebakken, en ging toen eerst zijn eigen avondmaal bezorgen. Dit was eene geheel nieuwe manier van handelen daar, en dit bewijs van beleefdheid, zoo gering als het was, deed toch eene overeenstemmende snaar in de harten dier vrouwen trillen—eene uitdrukking van vrouwelijke zachtheid kwam op hunne strakke gezichten. Zij besloegen zijn koek voor hem en pasten voor hem
op het bakken; en Tom zette zich bij het vuur neer en haalde zijn Bijbel uit—want hij had troost noodig.
"Wat is dat?" zeide een van de vrouwen.
"Een Bijbel," antwoordde Tom.
"O! ik heb er geen gezien, sedert ik in Kentucky was."
"Zijt ge dan in Kentucky opgebracht?" vroeg Tom met belangstelling.
"Ja, en wèl-opgebracht ook. Ik had nooit gedacht dat ik hiertoe komen zou," antwoordde de vrouw met een zucht.
"Wat is toch dat boek daar," zeide de andere vrouw.
"Wel, de Bijbel."
"Wel, wat is dat?"
"Wat zegt ge—hebt gij daar nooit van gehoord?" zeide de eerste vrouw.
"Ik placht er somtijds mijne meesteres wel in te hooren lezen, daar in Kentucky. Maar, och! hier hooren wij niets dan vloeken en het klappen van de zweep."
"Lees toch eens wat," zeide de andere vrouw nieuwsgierig, daar zij zag hoe aandachtig Tom in het boek tuurde.
Tom las: "Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven."
"Die woorden zijn goed genoeg," zeide de vrouw. "Wie zegt ze?"
"De Heere," antwoordde Tom.
"Ik wenschte dat ik wist, waar ik Hem vinden kon," hervatte de vrouw; "dan zou ik naar Hem toegaan, want het schijnt wel dat ik nooit meer rust zal krijgen. Ik heb overal pijn en beef over al mijne leden, elken dag, en Sambo slaat altijd naar mij, omdat ik niet gauwer pluk; en het is meestal middernacht eer ik eten kan, en dan schijnt het dat ik mijne oogen nog niet gesloten heb, of ik hoor den hoorn al weder blazen om op te staan, en moet er des morgens weer aan. Als ik maar wist waar de Heere was, zou ik Hem dat zeggen."
"Hij is hier, Hij is overal," zeide Tom.
"O, dat wilt ge me toch niet wijsmaken? Ik weet dat de Heere hier niet is," zeide de vrouw. "Maar praten helpt ook al niet. Ik ga liever slapen terwijl ik kan."
De vrouwen gingen heen naar hare hutten. Tom bleef alleen bij het smeulende vuur zitten.
De heldere, zilveren maan steeg op in de donkere lucht, en zag kalm en stil van omhoog; gelijk God op een tooneel van ellende en onderdrukking nederziet—zoo bescheen zij den eenzamen zwarten man, terwijl hij daar zat, met de armen over elkander en zijn Bijbel op zijn knie.
"Is God hier?" O, hoe is het mogelijk voor het onkundige hart, zijn geloof vast te houden onder het aanzien van grove, tastbare, ongestrafte onrechtvaardigheid! In dat eenvoudige hart werd een zware strijd gevoerd tegen het kwellende gevoel van onrecht, het vooruitzicht op een geheel leven van ellende, de verwoesting van alle vroegere hoop. O, was het hier gemakkelijk te gelooven en vast te houden aan de groote kenspreuk van het christelijk geloof, dat "God is een belooner dergenen die Hem zoeken?"
Tom stond treurig op en strompelde naar de hut, die hem was toegewezen. De grond was reeds met vermoeide slapers bedekt, en de vuile lucht dreef hem bijna terug, maar de zware nachtdauw was kil, zijn leden waren pijnlijk van vermoeienis, en de gescheurde deken over zich heen halende, die al zijn beddegoed uitmaakte, strekte hij zich op het stroo uit en viel in slaap.
In zijne droom klonk hem een zachte stem in de ooren. Hij zat op de bemoste bank in den tuin bij het meer Pontchartrain, en Eva, met hare ernstige oogen omlaaggeslagen, las hem uit den Bijbel voor, en hij hoorde haar lezen:
"Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn; en door de rivieren, zij zullen u niet overstroomen; wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken. Want Ik ben de Heere, uw God, De Heilige Israels, uw Heiland."
Langzamerhand schenen die woorden als weg te smelten in eene hemelsche muziek; het kind sloeg hare oogen op en vestigde die liefdevol op hem, en stralen van warmte en troost schenen daaruit in zijn hart te dalen, en als werd zij door die muziek gedragen, scheen zij op blinkende vleugelen op te stijgen, waarvan vlokken en spranken gouds als sterren afvielen, en zoo verdween zij.
Tom ontwaakte. Was het een droom? Laat het voor een droom gehouden worden. Maar wie zal zeggen dat het dien liefderijken jeugdigen geest, die in het aardsche leven zoozeer verlangde om bedroefden te troosten, niet door God werd veroorloofd om na den dood deze dienstbetooning op zich te nemen? Het is een schoon en zeer streelend geloof, dat de geesten der dooden op engelenvleugelen om ons henen zweven.