← Table of contents
De Negerhut

VIJF EN DERTIGSTE HOOFDSTUK

C. M. Mensing translation

DE GEDACHTENISSEN

"Gering kunnen somtijds de dingen zijn die het hart het gewicht weder opladen, dat het voor altijd zou willen afwerpen, het kan een geluid zijn of eene bloem, de wind of de oceaan, die de wonde vernieuwt—de electrieke keten aanrakende, waarmede wij geheimzinnig gebonden zijn."

Childe Harolds Pilgrimage. Canto 4

De huiskamer in de woning van Legree was een groot, hol vertrek, met een wijden en hoogen schoorsteen. Eens was het met fraai en kostbaar papier behangen, dat nu verschoten, verscheurd en half vergaan aan den muur hing. De plaats had dien eigenaardigen, walgelijken en ongezonden reuk, door eene vereeniging van vochtigheid en vervuiling voortgebracht, dien men dikwijls in verwaarloosde oude huizen opmerkt. Het behangselpapier was hier en daar met bier- en wijnvlekken bespat en op andere plaatsen bedekt met lange opgetelde sommen, met krijt geschreven, alsof iemand zich zoo in het rekenen had willen oefenen. Onder den schoorsteen stond een komfoor vol brandende houtskolen; want hoewel het weder niet koud was, waren de avonden in die kille kamer altijd vochtig en huiverig, en bovendien had Legree iets noodig om zijne sigaar aan te steken en water voor punch te verhitten. De roode gloed van het kolenvuur maakte de afzichtelijke verwarring zichtbaar, die hier heerschte; zadels, toomen en allerlei wapentuig, karwatsen, overjassen en andere stukken kleeding lagen ordeloos hier en daar verspreid, en de honden waarvan wij vroeger gesproken hebben, hadden zich naar hun eigen zin en wil daartusschen gelegerd.

Legree maakte juist een glas punch voor zich gereed, en terwijl hij uit een gebarsten kan water opschonk, bromde hij bij zich zelven:

"Die duivelsche Sambo om zulk een haspelarij te maken tusschen mij en het nieuwe volk! Die kerel zal nu in geene week in staat zijn om te werken—en dat juist in het drukste van den tijd."

"Ja, dat is juist uwe manier," zeide eene stem achter zijnen stoel.

Het was Cassy, die onder zijne alleenspraak stil was aangekomen.

"Zoo, gij duivelin, zijt gij daar terug?"

"Ja, daar ben ik," zeide zij koel; "en ik kom ook om mijn eigen zin te hebben!"

"Dat liegt gij, slet! Ik zal mijn woord houden. Doe wat ik wil, of blijf in het kwartier en eet en werk met de anderen."

"Ik wil tienduizendmaal liever in het modderigste hol in het kwartier wezen," antwoordde de vrouw, "dan onder uwen paardepoot."

"Maar gij zijt toch onder mijnen paardepoot," zeide hij, zich met een woesten, grijnzenden lach naar haar omkeerende; "dat is een troost. Kom dus maar hier op mijne knie zitten, liefje, en luister naar rede," zeide hij, en vatte haar bij den arm.

"Pas op, Simon Legree!" zeide de vrouw met eene flikkering in haar oogen, zoo vol dreigende razernij, dat zij hem schrik moest aanjagen. "Gij zijt bang voor mij, Simon," vervolgde zij bedaard, "en gij hebt reden om dat te zijn. Maar pas op, want ik heb den duivel in mij."

Deze laatste woorden fluisterde zij sissend, vlak aan zijn oor.

"Blijf van mij af! Ik geloof het waarachtig ook!" zeide Legree, haar wegduwende en ongerust aanziende. "Maar toch, Cassy," vervolgde hij, "waarom kunt gij geene goede vrienden met mij wezen zooals ge placht te zijn?"

"Placht te zijn?" herhaalde zij bitter en bleef steken. De verstikkende aandoeningen, die in haar hart oprezen, deden haar zwijgen.

Cassy had altijd op Legree dien invloed bezeten, dien eene vrouw van een hartstochtelijk en krachtig karakter steeds over den ruwsten man kan uitoefenen; maar sedert eenigen tijd was zij onder het afschuwelijk juk harer dienstbaarheid steeds wreveliger en onrustiger geworden, en somtijds barstte hare opgepropte gramschap in eene vlaag van razende krankzinnigheid uit, en deze kwaal maakte haar in zekere mate geducht voor Legree, die voor krankzinnigen dat bijgeloovige afgrijzen koesterde, dat ruwen onkundigen menschen eigen is. Toen Legree Emmeline in huis bracht, waren al de vonken van Cassy's verstorven hart weder in vlam geschoten, en had zij voor het meisje partij getrokken. Daarop was een heftige twist tusschen haar en Legree gevolgd. Legree had in woede gezworen dat zij aan het veldwerk zou gezet worden, als zij zich niet stilhield. Cassy had daarop met trotsche minachting verklaard dat zij naar het veld wilde gaan; en nu had zij, gelijk wij beschreven hebben, een dag daar gewerkt, om te toonen hoe volkomen zij die bedreiging verachtte.

Legree was dien geheelen dag heimelijk ongerust geweest, want Cassy bezat een invloed op hem, waarvan hij zich niet kon bevrijden. Toen zij met hare mand naar de schaal kwam, had hij op eene inwilliging gehoopt, en haar op een halfverzoenenden, halfhoonenden toon aangesproken; en zij had met de bitterste verachting geantwoord.

De gruwelijke behandeling van den armen Tom had haar nog meer opgewonden, en zij was Legree naar het huis gevolgd, zonder eenig ander bepaald voornemen dan om hem zijne barbaarschheid te verwijten.

"Ik wensch alleen maar, Cassy," zeide Legree, "dat gij u ordelijk gedraagt."

"Gij moogt wel spreken van ordelijk gedragen. Wat hebt gij gedaan? Gij, die geen verstand genoeg hebt om u te weerhouden van een der beste arbeiders te bederven, midden in den druksten tijd, alleen om uw duivelachtige humeur."

"Ik ben zot geweest, dat is zoo, om tot zulk eene haspelarij aanleiding te geven," zeide Legree, "maar toen die kerel zijn wil tegen den mijnen zette, moest ik hem toch klein krijgen."

"Ik denk niet dat gij hem zult klein krijgen."

"Niet?" zeide Legree driftig opstaande. "Dat zou ik wel eens willen zien. Hij zou de eerste neger wezen die het ooit tegen mij uithield. Al zou ik al de beenderen in zijn lijf aan stuk moeten slaan, hij zal het opgeven!"

Juist op dat oogenblik werd de deur geopend en kwam Sambo binnen. Hij naderde al buigende en met een papier in de hand.

"Wat is dat, gij rekel?" zeide Legree.

"Het is een tooverding, meester."

"Wat?"

"Zoo iets dat de negers van de tooverheksen krijgen. Dat maakt dat zij niet voelen als zij gegeeseld worden. Hij had het om zijnen hals gebonden met een zwart bandje."

Legree was, gelijk de meeste goddelooze en wreede menschen, bijgeloovig. Hij nam het papier aan en opende het met ongerustheid.

Er viel een zilveren dollar uit, en eene lange glanzige krul blond haar kronkelde zich, alsof zij een levend wezen was, om zijne vingers.

"Verdoemenis!" gilde hij, eensklaps opstuivende, stampte met zijne voeten op den grond, en trok woedend aan het haar, alsof het hem brandde. "Waar is dat vandaan gekomen? Neem het mij af! Verbrand het!" Gillende en schreeuwende rukte hij het zich van de vingers en wierp het in het komfoor.

"Waarom hebt gij mij dat gebracht?"

Sambo stond met een wijd geopenden mond, stom van verbazing; en Cassy, die het vertrek had willen verlaten, bleef staan en zag hem met bevreemding aan.

"Breng mij nooit meer van die duivelsche dingen," zeide Legree, Sambo, die haastig naar de deur week, met zijne vuist dreigende; en vervolgens raapte hij den dollar op en wierp hem door eene vensterruit naar buiten in de duisternis.

Sambo was blijde dat hij zoo weg kwam. Toen hij de deur uit was scheen Legree zich eenigszins over zijne ontsteltenis te schamen. Hij zette zich stuursch weder neer en begon met een barsch gezicht zijne punch te slurpen.

Cassy maakte zich gereed om onopgemerkt heen te gaan, en sloop weldra de deur uit, om den armen Tom te gaan bezoeken, gelijk wij reeds verhaald hebben.

En wat scheelde Legree? Wat was er in die eenvoudige haarlok, om dien barbaar, gemeenzaam met alles wat wreedheid kon heeten, zoodanig te doen ontstellen? Om deze vraag te beantwoorden, moeten wij den lezer iets van zijne vroegere geschiedenis verhalen. Hoe hard en verstokt de goddelooze man thans wezen mocht—er was toch een tijd geweest, toen hij aan de borst eener moeder werd gesust—met gebeden en vrome gezangen in zijne wieg werd gelegd—toen zijn thans met het teeken der zonde gebrandmerkt voorhoofd met het water van den heiligen doop werd besproeid. In zijne vroegste kindsheid had eene vrouw met blonde haren hem bij het gelui der sabbatklokken medegenomen, om God te loven en te bidden. Ver in Nieuw-Engeland heeft die moeder haar eenigen zoon opgevoed, met onvermoeide liefde en aanhoudende gebeden. Het kind van een hardvochtigen vader, aan wien die zachtzinnige vrouw een schat van onopgemerkte liefde had verkwist, had Legree de voetstappen van dien vader gevolgd. Woest, onhandelbaar en eigenzinnig, had hij al haar raad veracht en zich aan hare berispingen onttrokken; reeds vroeg had hij zich van haar losgerukt, om op zee fortuin te gaan zoeken. Na dien tijd was hij slechts een enkele maal tehuis gekomen, en toen had zijne moeder met het smachtende verlangen van een hart, dat iets moest liefhebben en niets anders had om lief te hebben, zich aan hem gehecht, en met vurige gebeden en smeekingen gepoogd hem van een leven van zonde af te trekken en om het eeuwige heil zijner ziel te doen denken.

Dat was voor Legree de dag der genade geweest. Toen hadden goede engelen hem geroepen. Toen had hij zich bijna laten overreden. Zijn hart werd innerlijk vermurwd—er ontstond een strijd in zijn binnenste—maar de zonde behaalde de overwinning, en met al de kracht van zijn ruw karakter smoorde hij de overtuiging van zijn geweten. Hij dronk en vloekte weder, werd woester en losbandiger dan ooit, en op een avond toen zijne moeder in den doodelijken angst harer wanhoop voor zijne voeten knielde, stiet hij haar van zich af, liet haar bewusteloos op den grond liggen, en vlood met woeste vloeken naar zijn schip. Toen Legree weder iets van zijne moeder vernam, was het op een avond terwijl hij met zijne woeste makkers zat te drinken. Een brief werd hem overgegeven. Hij opende dien en eene lok lang krullend haar viel er uit en kronkelde zich om zijne vingers. De brief zeide hem dat zijne moeder dood was, en dat zij hem stervende had vergeven en gezegend.

In het kwaad schuilt het geduchte vermogen eener gruwelijke tooverkunst, die de liefelijkste en heiligste dingen in schrikaanjagende spooksels doet veranderen. Die bleeke, liefderijke moeder—hare stervende gebeden en vergevende liefde—waren voor dat zondige hart slechts een vonnis van verdoemenis, dat eene vreeselijke verwachting van het oordeel medebracht. Legree verbrandde zoowel den brief als het haar, en toen hij beide in de vlam zag sissen en knetteren, deed de gedachte aan het eeuwige vuur hem sidderen. Hij beproefde die herinnering met drinken en woeste buitensporigheden te verdrijven; maar dikwijls in den nacht, welks plechtige stilte de schuldige ziel tot een gedwongen omgang met zichzelven veroordeelt, had hij die bleeke moeder voor zijn bed zien oprijzen, en het zachte klemmen van dat haar om zijne vingers gevoeld, tot het koude zweet hem van het gezicht droop en hij van angst uit zijn bed sprong. Gij, die u verwonderd hebt in hetzelfde Evangelie te hooren, dat God liefde is en dat God een verterend vuur is; ziet gij niet hoe, voor de aan het kwaad overgegeven ziel, de volmaakste liefde de verschrikkelijkste pijniging is, het vonnis en zegel der akeligste wanhoop?

"Voor den duivel!" zeide Legree bij zich zelven, terwijl hij zijn punch slurpte. "Waar heeft hij dat gekregen? Als het niet volmaakt geleek naar—ba! Ik dacht het vergeten te hebben. Het is verdoemd, alsof men nooit iets vergeten kan. Ik ben hier te eenzaam. Ik zal Em roepen. Zij haat mij—die meerkat. Maar dat kan mij niet schelen—ik zal haar toch laten komen."

Legree ging naar een ruim voorhuis, waarin de trap uitkwam, die eens een prachtige wenteltrap was geweest; maar thans was alles vervallen van vuil en overal stonden oude kisten en andere afzichtelijke dingen in den weg. De trap scheen in de duisternis op te stijgen—men kon niet weten waarheen. Het bleeke maanlicht scheen door de gebroken ruiten boven de deur; de lucht was hier kil en ongezond, als in een gewelf.

Legree bleef onder aan de trap staan en hoorde eene stem zingen. Dat gezang kwam hem in het akelige huis vreemd en spookachtig voor, misschien omdat zijn zenuwgestel reeds geschokt was. Luister, wat is het?

Een roerende stem zingt een lied, gewoon onder de slaven:

"Jammer, jammer zal er wezen Voor den rechterstoel van Christus, Jammer, jammer voor d'eeuwigheid."

"Die verwenschte meid!" zeide Legree; "ik zou haar wel willen worgen. Em! Em!" riep hij met zijne grove stem; maar alleen de spotachtige weergalm der muren gaf hem antwoord.

De aandoenlijke stem zong voort:

"Ouders en kinderen zullen daar scheiden! Ouders en kinderen zullen daar scheiden. Scheiden, scheiden voor d'eeuwigheid."

En luid en helder klonk door het ledige huis het refrein:

"Jammer, jammer zal er wezen Voor den rechterstoel van Christus, Jammer, jammer voor d'eeuwigheid."

Legree bleef staan. Hij zou zich geschaamd hebben om het iemand te zeggen; maar groote droppels zweet parelden op zijn voorhoofd en zijn hart klopte hoorbaar van angst. Hij dacht zelfs dat hij in eene kamer voor zich iets schemerend wits zag oprijzen, en sidderde bij de gedachte wat het zijn zou, als de gedaante zijner doode moeder eensklaps voor hem verscheen.

"Dat weet ik wel," zeide hij bij zich zelven, terwijl hij strompelend weder naar de huiskamer ging, "ik zal dien kerel voortaan met vrede laten. Wat had ik met zijn vervloekt papier noodig? Ik geloof waarachtig dat ik betooverd ben. Ik huiver en zweet tegelijk sedert dien tijd. Waar heeft hij dat haar vandaan gekregen? Het kan dat toch niet geweest zijn. Dat heb ik verbrand, dat weet ik. 't Zou wel grappig zijn, als haar uit den dood kon opstaan."

Ja, Legree, die goudblonde lok was betooverd; ieder haartje daarin had de kracht om u schrik en wroeging aan te jagen en werd door een hoogere macht gebruikt om u de wreede handen te binden en te beletten den hulpelooze het uiterste van uwe boosheid te doen gevoelen.

"Hoort dan!" zeide Legree, met zijne voeten stampende en zijne honden fluitende; "wordt wakker en houdt mij gezelschap!" Maar de honden openden slechts even hunne slaperige oogen en lieten ze weder dichtvallen.

"Ik zal Sambo en Quimbo hier laten komen om te zingen en hunne helsche dansen te dansen, en die akelige gedachten weg te jagen," zeide Legree, zette zijn hoed op, ging naar de veranda en blies op een hoorn, waarmede hij gewoon was zijne zwarte opzichters te roepen.

Als hij in een goed humeur was, liet Legree deze twee heeren dikwijls in de huiskamer komen, en vermaakte zich, nadat hij hen met sterken drank had opgewonden, met hen te laten zingen, dansen of vechten, naarmate hij lust had.

Het was tusschen één en twee uren in den nacht, toen Cassy van haar liefderijk bezoek bij Tom terugkwam, en uit de huiskamer klonk haar een woest gezang, gegil en gejoel tegemoet, vermengd met het blaffen van honden en andere teekenen eener groote opschudding.

Zij ging naar het venster onder de veranda, en keek naar binnen. Legree en de twee drijvers, alle drie smoordronken, waren aan het zingen, schreeuwen en dansen, smeten de stoelen omver en maakten allerlei belachelijke en afschuwelijke grimassen tegen elkander.

Zij liet hare hand op de vensterbank rusten en beschouwde dit tooneel met strakke blikken. Er sprak eene geheele wereld van bittere zielesmart en verachting uit hare zwarte oogen, terwijl zij zoo staarde.

"Zou het zonde zijn, de wereld van zulk een ellendeling te bevrijden?" zeide zij bij zich zelve.

Zij keerde zich haastig om, ging eene achterdeur in, sloop naar boven en klopte aan Emmeline's kamer.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings