← Table of contents
De Negerhut

TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

C. M. Mensing translation

HET GRAS VERDORT—DE BLOEM VERWELKT.

Het leven verloopt voor ons allen bij dagen, een voor een; en zoo verliep het ook voor onzen vriend Tom, totdat twee jaren voorbij waren. Hoewel gescheiden van alles wat zijne ziel dierbaar was, en hoewel dikwijls smachtende naar hetgeen buiten zijn bereik lag, voelde hij zich toch nooit geheel ongelukkig; want zoo rijk is de harp van het menschelijk gevoel besnaard, dat alleen een slag, die al de snaren doet springen, de harmonie kan bederven; en wanneer men terugziet op de dagen, die in het geheugen dagen van ontbering en beproeving schijnen te zijn, kan men zich herinneren dat ieder uur, terwijl het voorbijvlood, eenige verlichting en afleiding medebracht; zoodat wij, schoon niet geheel gelukkig, toch ook niet geheel ongelukkig waren.

Tom las in zijn eenig leesboek van iemand, "die geleerd had vergenoegd te zijn in hetgeen hij was." Dit kwam hem eene goede en verstandige les voor, en strookte zeer wel met de kalme gemoedsstemming, welke hem door het lezen van hetzelfde boek eigen was geworden.

Zijn brief naar huis werd, gelijk in het vorige hoofdstuk reeds is aangeduid, weldra beantwoord door een van Jongeheer George, met een ronde schooljongenshand geschreven, die men, gelijk Tom zeide, "haast aan het einde van de kamer kon lezen." Dit geschrift bevatte onderscheidene heugelijke berichten, waarmede onze lezer reeds bekend is. Het vermeldde hoe Tante Chloe aan een banketbakker te Louisville was verhuurd, waar zij, door hare bekwaamheid in het maken van pasteien, verbazende sommen gelds verdiende, die, gelijk Tom mede vernam, bewaard zouden worden om hem los te koopen. Mozes en Peter waren welvarend, en het kleintje liep het geheele huis door, onder de hoede van Sally en al de anderen in het algemeen.

Toms hut was voor het oogenblik gesloten, maar George weidde breed uit over de vergrootingen en versieringen, die er aan gemaakt zouden worden als Tom terugkwam.

De overige inhoud van den brief gaf een lijst van George's schoolwerk, vermeldde ook de namen van vier nieuwe veulens, die men sedert Toms vertrek had gehad, en voegde in denzelfden volzin daarbij, dat vader en moeder welvoeren. De stijl van dien brief was kort en krachtig; maar Tom hield hem voor een meesterstuk van schrijfkunst. Hij werd het lezen, herlezen en bekijken niet moede, en hield er zelfs met Eva raad over, of het niet goed zou zijn hem in een lijst te zetten en op zijn kamertje op te hangen. Alleen de moeielijkheid om het zoo te schikken, dat men beide zijden van het blad tegelijk kon zien, verhinderde de uitvoering van dit voornemen.

De vriendschap tusschen Tom en Eva groeide met het kind. Het zou moeielijk te zeggen zijn, welke plaats zij in het weeke, liefderijke hart van haren getrouwen dienaar bekleedde. Hij had haar lief als een broos, stoffelijk schepseltje, en vereerde haar toch bijna als iets hemelsch en goddelijks. Hij beschouwde haar, gelijk de Italiaansche matroos het afbeeldsel van het Christuskind beschouwt, met eene mengeling van eerbied en teederheid; en aan hare innemend bevallige grilletjes te voldoen en die duizend eenvoudige behoeften te vervullen, welke de kindsheid gelijk een veelkleurigen regenboog omgeven, was Toms grootste vermaak. Op de markt des morgens had hij altijd het oog op de bloemenkraampjes, om mooie ruikertjes voor haar uit te zoeken, en de fraaiste perzik of sinaasappel stak hij in zijnen zak, om aan haar te geven als hij terugkwam; want het gezicht, dat hem het meest behaagde, was haar bevallig kopje, dat aan het hek in de verte naar hem uitkeek, en niets hoorde hij zoo gaarne als hare kinderlijke vraag: "Wel, Oom Tom, wat hebt ge vandaag voor mij?"

Niet minder ijverig was Eva op hare beurt in het bewijzen van vriendelijke diensten. Hoewel maar een kind, kon zij uitmuntend lezen; haar muzikaal gehoor, hare vlugge verbeeldingskracht en haar instinctmatig gevoel voor al wat grootsch en edel was, maakte haar tot zulk eene voorlezeres van den Bijbel, als Tom nog nooit gehoord had. In het begin las zij om haren nederigen vriend te behagen, maar spoedig hechtte haar eigen ernstig gemoed zich aan het verhevene boek, en kreeg zij dit lief, omdat het een vreemd, krachtig verlangen, en donkere maar diepe gewaarwordingen bij haar opwekte, waaraan kinderen van een teergevoelig en tevens hartstochtelijk karakter zich gaarne overgeven.

De gedeelten, die haar het meest behaagden, waren de Openbaring en de Profeten—gedeelten, welker duistere, vreemde beeldspraak en vurige taal een des te dieperen indruk op haar maakten, omdat zij vruchteloos naar de beteekenis daarvan vroeg. Zij en haar eenvoudige vriend, het jonge kind en het oude, stonden in dit opzicht met elkander gelijk. Al wat zij wisten was, dat er gesproken werd van eene heerlijkheid die geopenbaard zou worden—iets wonderbaars, dat nog komen moest, en waarin hunne ziel zich verheugde, zonder dat zij wisten waarom. En schoon het in de natuurkundige wetenschappen zoo niet wezen mag, in de zedelijke wetenschap is datgene wat men niet begrijpt niet altijd nutteloos, want de ziel ontwaakt als een schroomvallig vreemdeling tusschen twee duistere eeuwigheden—het eeuwige verledene en de eeuwige toekomst. Het licht beschijnt slechts eene kleine ruimte om haar heen: zij moet dus naar het onbekende verlangen, en de stemmen en schaduwachtige gedaanten, die uit de wolk-kolom der inspiratie tot haar komen, vinden in haar eigen hopende verwachtingen een weerklank en een antwoord. De geheimzinnige beelden zijn zoovele juweelen, als talismans met onbekende hiëroglyphen beschreven; zij verbergt ze in haren boezem en verwacht ze eens te zullen lezen, als zij achter den sluier zal gekomen zijn.

Op dezen tijd van ons verhaal was het geheele huishouden van St.-Clare naar de villa aan het meer Pontchartrain verhuisd. De zomerhitte had allen die in staat waren, om de benauwde, ongezonde stad te verlaten, daaruit verdreven, om de oevers van het meer en den koelen zeewind te gaan opzoeken.

De villa van St.-Clare was een gebouw in den Oostindischen trant, door lichte veranda's van bamboes omgeven, en aan alle kanten op tuinen en plantsoenen uitziende. De gewone huiskamer kwam op een tuin uit, vol van geurige en sierlijke planten en bloemen der keerkringsgewesten, tusschen welke slingerende paden tot aan den oever van het meer voortliepen, welks zilveren waterspiegel, in den zonneschijn rijzende of dalende, een tafereel aanbiedt, dat nooit een uur lang hetzelfde blijft en met ieder uur schooner schijnt te worden.

De zon ging nu onder, met dien vurigen gouden glans, welke den hemel tot eene enkele glorie en het water tot een anderen hemel maakt. Het geheele meer was met rozeroode en gouden strepen gekleurd, behalve waar witgevleugelde scheepjes als zoovele geesten heen en weder gleden, en kleine fonkelende sterren door den glans heenflikkerden.

Tom en Eva zaten op eene met mos begroeide bank, in een priëeltje aan het eind van den tuin. Het was Zondagavond, en Eva's Bijbel lag open op hare knieën. Zij las: "En ik zag een glazen zee, met vuur gemengd."

"Tom," zeide Eva, eensklaps ophoudende en naar het meer wijzende, "daar is het."

"Wat, Miss Eva?"

"Ziet gij niet?—Daar!" antwoordde het kind naar het heldere water wijzende, waarin de gouden gloed der lucht zich afspiegelde. "Daar is eene glazen zee met vuur gemengd."

"Dat is wel waar, Miss Eva," zeide Tom, en zong daarop:

"O, had ik maar de vleuglen van den morgen; Dan vloog ik heen naar Kanaäns schoone kust, Dan zouden heerlijke engelen mij dragen Naar 't Nieuw-Jeruzalem der heilige rust."

"Waar denkt gij dat het Nieuw-Jeruzalem is, Oom Tom?" vroeg Eva.

"O, daarboven in de wolken, Miss Eva."

"Dan denk ik dat ik het zie," zeide Eva. "Zie, daar in de wolken! Zij gelijken naar groote poorten van paarlen; en gij kunt er doorheen zien—ver, heel ver is alles goud. Tom, zing nog eens van de zalige geestenschaar."

En Tom zong nu uit een welbekend Methodistenlied:

"Ik hoor een zaalge geestenschaar Die blijde zegeliedren galmen; Zij zijn in vlekloos wit gekleed En dragen overwinningspalmen."

Tom twijfelde aan dit alles niet, en het verwonderde hem ook niet het minste; als Eva hem gezegd had dat zij in den hemel was geweest, zou hij het zeer waarschijnlijk hebben gevonden.

"Zij komen somtijds bij mij in mijnen slaap, die geesten," zeide Eva, en zong toen zacht bij zich zelve, terwijl hare oogen eene vreemde droomerige uitdrukking aannamen:

"Zij zijn in vlekloos wit gekleed En dragen overwinningspalmen."

"Oom Tom, ik ga daarnaar toe," zeide zij vervolgens.

"Waar naar toe, Miss Eva?"

Het kind stond op en wees met haar handje naar den Hemel. Het gloeiende avondrood verleende haar gouden lokken en blozende wangen een bovenaardschen glans, en hare oogen staarden ernstig naar boven.

"Ik ga daarheen," zeide zij, "naar de zalige geesten, Tom. Ik ga binnenkort."

Het oude trouwe hart voelde eensklaps eene stekende pijn. Tom bedacht zich, hoe dikwijls hij er in de laatste zes maanden op had gelet, dat Eva's handjes smaller geleken, en hare kleur nog helderder en haar adem korter scheen te worden; en dat zij, als zij in den tuin liep en speelde, gelijk zij voorheen urenlang doen kon, spoedig moede werd. Hij had Miss Ophelia dikwijls van een kuch hooren spreken, die al hare huismiddelen niet konden wegnemen; en zelfs op dit oogenblik gloeiden de wangen en de hand van het kind als van koortshitte; en toch was de gedachte, welke Eva's woorden opwekten, hem nog nooit ingevallen dan op dit oogenblik.

Is er ooit zulk een kind geweest als Eva? Ja, zeker zijn er zoo geweest; maar hunne namen staan alle op de grafsteenen, en hunne lieve lachjes, hunne hemelsche oogen en hunne vreemde manieren en uitdrukkingen zijn onder de begraven schatten van smachtende harten. In hoevele familiën hoort men de legende, dat al de goedheid en bevalligheid der nog levenden niets beteekenen bij de buitengemeene gaven van een of eene, die niet meer is. Het is alsof de hemel eene uitgelezen schaar van engelen had, wier post het was voor een korten tijd hier te vertoeven, en het eigenlievend menschelijk hart te lokken en te winnen, om het met zich opwaarts te voeren bij hunne vlucht hemelwaarts. Als gij dat hemelsche licht in kinderoogen ziet—als het zieltje zich openbaart in woorden, liefelijker en wijzer dan de gewone woorden van kinderen—hoop dan niet dat kind te behouden; want het draagt het zegel des hemels, en wat het uit de oogen straalt, is het licht der onsterfelijkheid.

Zoo is het met u, beminde Eva, vreugde van uw huis. Gij gaat heen, en zij die u het teerste liefhebben weten het niet.

Het gesprek tusschen Tom en Eva werd gestoord door een haastig roepen van Miss Ophelia.

"Eva—Eva!—Maar kind, er valt zulk een dauw; gij moet niet buiten blijven."

Eva en Tom haastten zich naar binnen.

Ophelia was reeds jaren en wel bedreven in de kunst van kinderen verzorgen. Zij was uit Nieuw-Engeland, en kende maar al te wel de eerste voetstappen dier stille, verraderlijke kwaal, die zoovelen van de schoonsten en beminnelijksten wegsleept, en haar slachtoffer onherroepelijk aan den dood wijdt, vóórdat er nog eene enkele levensdraad gebroken schijnt.

Zij had acht gegeven op het droge kuchje en de dagelijks helderder wordende kleur der wangen; de glans der oogen en de opgewonden vroolijkheid, die een gevolg der koorts was, konden haar niet bedriegen.

Zij poogde hare bekommering aan St. Clare mede te deelen; maar hij beantwoordde hare vrees met een wrevelig ongeduld, zeer ongelijk aan zijne gewone onverschillige goedaardigheid.

"Laat mij toch geen ravengekras hooren, Nicht. Dat kan ik niet uitstaan," zeide hij eens. "Ziet gij niet dat het kind maar groeit? Kinderen worden altijd wat zwak, als zij sterk groeien."

"Maar zij heeft die kuch toch."

"Och, maal niet over die kuch. Die heeft niets te beduiden. Zij zal misschien wat koude gevat hebben."

"Nu, het was juist op die manier dat het met Eliza Jane begon, en met Helena Sanders."

"Houd toch op met die spookachtige bakersprookjes. Gij oude dames, wordt zoo wijs, dat een kind niet meer kan hoesten of niezen, of gij ziet den dood vooruit. Pas maar op het kind, houd haar buiten de avondlucht, laat zij zich niet te moe maken met spelen, en het zal wel schikken."

Zoo sprak St. Clare, maar hij was toch onrustig geworden. Hij bespiedde Eva dag en nacht met zekeren koortsachtigen angst, gelijk men kon opmaken uit zijne dikwijls herhaalde aanmerkingen, "dat het kind volmaakt wel was—dat die kuch niets beteekende—dat het haar een weinigje in de keel scheelde, gelijk zoo dikwijls bij kinderen gebeurde." Maar hij bleef meer bij haar dan gewoonlijk, hij liet haar meer met zich mederijden, en bracht telkens recepten mede naar huis van versterkende middelen, "niet," zeide hij, "omdat het kind zoo iets noodig had, maar het zou haar toch geen kwaad doen."

Wat hem het meest beangstigde, was de dagelijks toenemende rijpheid van Eva's gedachten en gemoed. Terwijl zij nog al de onnoozele aanvalligheid der kindsheid behield, liet zij zich toch dikwijls, als ware het onwillekeurig, woorden ontvallen van zulk een diepzinnige beteekenis, van zulk eene vreemde, bovenaardsche wijsheid, dat zij naar eene ingeving geleken. Wanneer dit gebeurde, voelde St. Clare een plotselingen schrik en sloot hij haar in zijne armen, alsof die teedere omarming haar kon redden; en dan rees er in zijn hart een woest oproerig besluit op om haar vast te houden en nooit los te laten.

De geheele ziel van het kind scheen zich thans in werken van liefde en goedheid te verdiepen. Altijd was zij vriendelijk en weldadig geweest; maar thans had zij eene aandoenlijke, vrouwelijke bedachtzaamheid over zich, die iedereen opmerkte. Zij speelde nog gaarne met Topsy en andere slavenkinderen, maar scheen thans veeleer eene toeschouwster dan eene deelgenoote van hun spel. Zij kon wel een half uur lang om de grappige kuren van Topsy zitten lachen; en dan scheen er eene schaduw over haar gezichtje te komen, werden hare oogen beneveld, en zwierven hare gedachten ver weg.

"Mama," zeide zij eens plotseling tegen hare moeder, "waarom leeren wij onzen bedienden niet lezen?"

"Welk eene vraag, kind! Dat doet men nooit."

"Waarom doet men dat niet?" zeide Eva.

"Omdat het lezen hun tot niets dient. Het leert hun niet beter werken en zij behoeven niets anders te doen."

"Maar zij behoorden toch den Bijbel te lezen, Mama, om Gods wil te leeren."

"O, alles wat zij daarvan noodig hebben, wordt hun wel voorgelezen."

"Ik zou denken, Mama, dat de Bijbel voor iedereen is, om zelf te lezen. Zij hebben dat heel dikwijls noodig, als er niemand is om hun voor te lezen."

"Eva, ge zijt een wonderlijk kind," zeide hare moeder.

"Nicht Ophelia heeft Topsy leeren lezen," vervolgde Eva.

"Ja, en gij ziet hoeveel goed het haar doet. Topsy is de ergste die ik ooit gezien heb."

"En daar is Mammy. Zij houdt zooveel van den Bijbel en wenschte wel dat zij lezen kon. En wat zal zij doen, als ik haar niet meer kan voorlezen?"

Marie was juist bezig met in eene lade te zoeken, toen zij antwoordde:

"Wel natuurlijk, Eva, door den tijd zult gij aan andere dingen te denken hebben, dan om den Bijbel aan al de bedienden voor te lezen. Niet dat dit ook niet heel goed is; ik heb het zelve wel gedaan toen ik nog gezond was. Maar als gij u moet kleeden en naar gezelschappen gaan, zult gij er geen tijd meer voor hebben. Zie hier, deze juweelen zal ik u geven als gij naar een bal gaat. Ik heb ze zelve gedragen op mijn eerste bal; en ik kan u zeggen, Eva, ik heb sensatie gemaakt."

Eva bezichtigde het juweelendoosje en nam er een diamanten halsketting uit. Hare groote peinzende oogen bleven op dit sieraad gevestigd, maar hare gedachten waren elders.

"Wat kijkt gij ernstig, kind!" zeide Marie.

"Dat is wel veel geld waard, Mama?"

"Zeker is het dat. Vader had het uit Frankrijk laten komen. Het is een klein fortuin waard."

"Ik wenschte dat ik het had," zeide Eva, "en er mee doen mocht wat ik wilde."

"Wat zoudt gij er dan mee doen?"

"Het verkoopen, en eene plaats koopen in de vrije staten, en al ons volk daarheen brengen, en meesters betalen om ze te leeren lezen en schrijven."

"Dus eene soort van kostschool opzetten? Zoudt gij hun ook niet leeren piano spelen en op fluweel schilderen?"

"Ik zou hun leeren hun eigen Bijbel te lezen en hunne eigen brieven te schrijven, en de brieven te lezen die aan hen geschreven werden," antwoordde Eva zeer bedaard. "Ik weet, Mama, dat het hun zeer hard valt, dat zij dit niet kunnen doen. Tom voelt het, en Mammy en vele anderen; en ik houd het voor verkeerd."

"Kom, kom, Eva, ge zijt nog maar een kind. Gij weet nog lang niets van al die dingen," zeide Marie; "en bovendien, uw praten doet mij hoofdpijn krijgen."

Marie had altijd hoofdpijn bijdehand voor een gesprek, dat haar niet zeer beviel. Eva sloop heen, maar van dien tijd af gaf zij Mammy geregeld les in het lezen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings