← Table of contents
De Negerhut

EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

C. M. Mensing translation

KENTUCKY.

Onze lezers zullen wel niet ongenegen zijn om nog eens voor een korten tijd de woning van Oom Tom op het landgoed in Kentucky te bezoeken, en te zien wat er is omgegaan onder hen, die hij heeft achtergelaten.

Het was laat in den zomernamiddag, en de deuren en venters der ruime voorkamer stonden alle open, om ieder zwervend koeltje, dat zoo goed mocht willen zijn om binnen te komen, den vrijen toegang te laten. Mr. Shelby zat in het ruime voorhuis, dat aan de kamer grensde, en dat verder door het geheele huis doorloopende aan beide einden op een balkon uitkwam. Op zijn gemak achterover op een stoel leunende met de voeten op een anderen, rookte hij na den maaltijd een sigaar. Mevrouw Shelby zat in de deur, bezig met fijn naaiwerk; en haar gezicht stond als dat van iemand, die iets op het gemoed heeft en gelegenheid zoekt om daarvan te spreken.

"Weet ge al," zeide zij eindelijk, "dat Chloe een brief van Tom heeft gekregen?"

"Zoo, heeft zij dat? Tom heeft daar een vriend gekregen, naar het schijnt. Hoe gaat het nu met hem?"

"Hij is in eene zeer aanzienlijke familie gekomen, zou ik denken, wordt goed behandeld en heeft niet veel te doen."

"Wel zoo, daar ben ik blij om, zeer blij," zeide Shelby hartelijk. "Tom zal, denk ik, nu wel met het Zuiden verzoend zijn, en niet eens verlangen om weer hier te komen."

"Integendeel," antwoordde Mevrouw Shelby, "hij vraagt dringend wanneer er geld zal zijn om hem terug te koopen."

"Ik moet zeggen, ik weet het niet," zeide Shelby. "Als eens iemands zaken verkeerd gaan loopen, schijnt er geen veranderen meer aan te zijn. Het is alsof men door een moeras gaande, van den eenen plas in den anderen springt; van den een leenen om den ander te betalen, en dan weer van den ander leenen om den eerste te betalen en dan die verduivelde wissels! die vervallen eer men tijd heeft om er aan te denken—en maanbrieven en maanboodschappen—altijd gejaagd en verlegen!"

"Het komt mij toch voor, lieve, dat er iets zou kunnen gedaan worden, om de zaken in het effen te brengen. Als wij eens al de paarden en eene van de hoeven verkochten, en alle schulden afdeden."

"O, belachelijk! Emily, gij zijt de knapste vrouw in Kentucky, maar gij hebt toch geen verstand genoeg om te weten dat ge geen begrip van zaken hebt; dat hebben vrouwen nooit en kunnen zij nooit."

"Maar kondt ge mij ten minste niet eenig inzicht in de uwe geven?" hervatte Mevrouw Shelby;—"eene lijst van al uwe schulden ten minste, en van al wat men u schuldig is, en mij laten beproeven of ik u niet kan helpen bezuinigen?"

"Och, plaag mij niet, Emily. Ik kan dat zoo niet recht zeggen. Ik weet wel nagenoeg hoe het waarschijnlijk loopen zal; maar ik kan mijne zaken niet zoo netjes afpassen, als Chloe hare taartkorst. Gij weet niet van handelszaken af, zeg ik u."

En niet wetende hoe anders nadruk aan zijne woorden te geven, verhief Shelby zijne stem—een zeer gemakkelijk overtuigend bewijsmiddel, als iemand met zijne vrouw over geldzaken spreekt.

Met iets dat naar een zucht geleek, staakte Mevrouw Shelby het gesprek. De zaak was, dat zij, hoewel zij gelijk haar man gezegd had een vrouw was, toch in helderheid van verstand en doorzicht, en in kracht van karakter haren man ver te boven ging, zoodat het niet zoo ongerijmd zou zijn geweest, als Mr. Shelby meende, indien men haar in staat had geacht om over handelszaken mede te spreken. Haar hart was er op gezet om hare belofte aan Tom en Chloe te vervullen, en zij zuchtte dewijl het uitzicht daarop gedurig flauwer werd.

"Maar denkt gij niet, dat wij op eene of andere manier het geld konden opbrengen? Die arme Tante Chloe! Zij heeft er haar hart zoo op gezet."

"Het spijt mij als het zoo is. Ik denk dat ik met die belofte wat haastig ben geweest. Ik twijfel er nu aan, of het niet best is dat maar aan Chloe te zeggen, zoodat zij er zich naar voegen kan. Tom zal over een jaar of twee wel eene andere vrouw hebben, en zij zou best doen, ook maar iemand anders te nemen."

"Mijnheer Shelby! ik heb mijn onderhoorigen geleerd, dat het huwelijk voor hen even heilig is als voor ons. Ik zou er nooit aan kunnen denken om Chloe zulk een raad te geven."

"Het is jammer vrouw, dat gij hen met eene moraliteit boven hunnen staat en hunne vooruitzichten hebt bezwaard. Dat heb ik altijd gevonden."

"Het is niets anders dan de moraliteit van den Bijbel."

"Och kom, Emily, ik wil uwe godsdienstige begrippen niet aantasten, maar zij komen mij alleen voor menschen in dien staat zeer ongeschikt voor."

"Dat zijn zij ook inderdaad," zeide Mevrouw Shelby, "en daarom is het, dat ik de geheele slavernij van ganscher harte haat. Ik zeg u, lieve man, ik kan mij zelve niet vrijspreken van de belofte, die ik aan die arme menschen gegeven heb. Als ik het geld op geene andere manier kan bekomen, zal ik muzieklessen aannemen. Ik weet dat ik er genoeg zou kunnen krijgen en zoo zelve het geld verdienen."

"Gij zoudt u toch zoo niet willen vernederen, Emily? Daarin zou ik nooit kunnen toestemmen."

"Vernederen! Zou het mij meer vernederen dan mijn woord aan die arme lieden te breken? Neen, waarlijk niet."

"Nu ja, gij zijt altijd heroïsch," zeide Shelby; "maar mij dunkt, gij moest toch liever nog eens nadenken, eer gij zulk eene Donquichoterie onderneemt."

Hier werd het gesprek gestoord door de verschijning van Tante Chloe aan het eind der veranda.

"Wel Chloe, wat is het?" zeide hare meesteres, opstaande en haar tegemoet gaande.

"Ik wou vragen of Mevrouw eens naar de kippen wou komen zien."

Mevrouw Shelby glimlachte toen zij zag met welk een ernstig gezicht Chloe haar eenige geslachte hoenders wees.

"Ik had gedacht of Mevrouw een hoenderpastei daarvan wou gemaakt hebben."

"Inderdaad, Tante Chloe; het kan mij niet veel schelen. Maak ze maar klaar zooals gij zelve wilt."

Chloe bleef de hoenders verstrooid bekijken en betasten; het was duidelijk, dat zij niet aan dat gevogelte dacht. Eindelijk zeide zij, met dien korten lach, welken lieden van haren stand dikwijls tot inleiding van een voorstel bezigen, aan welks goede opname zij twijfelen:

"Och, Mevrouw, wat zouden meester en mevrouw zich kwellen over het geld, en niet gebruiken wat zij zoo goed als in de handen hebben?" En Chloe lachte weder.

"Ik begrijp u niet, Chloe," zeide Mevrouw Shelby, niet twijfelende of de negerin had het geheele gesprek tusschen haar en haren echtgenoot gehoord.

"Wel, och, Mevrouw," zeide Chloe, alweder lachende, "andere menschen verhuren hunne negers en trekken daar geld van. Zij houden zulk een troep niet om hun de ooren van het hoofd te eten."

"Wel, Chloe, wien denkt gij dan dat wij moesten verhuren?"

"O, ik denk niets, maar Sam zeide dat er te Louisville een banketbakker was, die zeide dat hij iemand noodig had, die knap was voor koek- en pasteiwerk, en zeide dat hij vier dollars in de week voor zoo iemand zou willen geven—dat deed hij."

"Welnu dan, Chloe."

"Wel, Mevrouw, ik had gedacht dat het haast tijd werd om Sally hier aan het werk te zetten. Sally is nu al een heelen tijd onder mij geweest, en het meeste doet zij haast evengoed als ik; en als Mevrouw mij dan wilde laten gaan, zou ik helpen om het geld op te brengen. Ik ben niet bang om mijne koeken en pasteien naast die van een banketbakker te zetten."

"Maar, Chloe, zoudt gij dan uwe kinderen willen verlaten?"

"Och, Mevrouw, de jongens zijn groot genoeg om dagwerk te doen, met hen zal het wel schikken en Sally zal op het kleintje passen—het is zulk een schrander kind, dat men er haast niet naar behoeft te zien."

"Louisville is tamelijk ver weg."

"O, Mevrouw, wie is daar bang voor? Het is de rivier af, dichter bij mijn man misschien?" zeide Chloe vragenderwijs en daarbij hare meesteres aanziende.

"Neen, Chloe, het is nog vele honderden mijlen van hem af."

Chloe's gezicht betrok.

"Maar laat dat u niet spijten. Dat gij daarheen gaat, zal u toch dichter bij hem brengen. Ja, gij kunt gaan, en uw loon zal tot den laatsten cent toe worden weggelegd, om uw man los te koopen."

Evenals wanneer een heldere zonnestraal eene donkere wolk verzilvert, zoo helderde Chloe's gezicht dadelijk op; het blonk inderdaad.

"O, als Mevrouw niet haast al te goed is! Dat was het juist, waaraan ik dacht; omdat ik dan geene kleeren of schoenen of iets zou noodig hebben. Ik zou elken cent kunnen bewaren. Hoeveel weken zijn er in het jaar, Mevrouw?"

"Twee en vijftig."

"Wel, zijn er zooveel? En vier dollars in elke week. Hoeveel zou dat wel wezen?"

"Tweehonderd en acht dollars."

"He!" zeide Chloe op een toon van verbazing en blijdschap. "En hoelang zou ik werk hebben om alles te verdienen, Mevrouw?"

"Tusschen de vier en vijf jaren, Chloe. Maar gij behoeft alles niet alleen te doen; ik zal er ook wat bijleggen."

"Neen, ik zou er niet van willen hooren, dat Mevrouw lessen gaf of zoo iets. Meester heeft daarin groot gelijk, dat zou geheel niet aangaan. Ik hoop dat niemand van de familie zoover komen zal, terwijl ik nog handen aan het lijf heb."

"Wees maar niet bang, Chloe. Ik zal wel voor de eer der familie zorgen," antwoordde Mevrouw Shelby met een glimlach. "Maar wanneer zoudt gij denken te gaan?"

"Wel, ik had niets gedacht; maar Sam gaat met eenige veulens naar de rivier en hij zeide dat ik met hem mee kon gaan, en zoo heb ik mijn goed maar bijeen gepakt. Als Mevrouw het goedvond, zou ik morgenochtend met Sam gaan, als Mevrouw een pas en recommandatie voor mij wilde schrijven."

"Wel, Chloe, ik zal er om denken, als Mr. Shelby er niet tegen heeft. Ik moet er eerst met hem over spreken."

Mevrouw Shelby ging naar boven, en Chloe liep vol blijdschap naar hare woning, om verdere toebereidselen te maken.

"Wel, Jongeheer George, weet gij dan niet dat ik morgen naar Louisville ga?" zeide zij, toen George de hut binnenkwam en haar met de kleertjes van haar jongste kind bezig vond. "Ik moest dat goedje toch nog wat nazien. Maar ik ga, Jongeheer George, en ik zal vier dollars in de week krijgen, en Mevrouw zal alles bewaren, om mijn goeden man terug te koopen."

"Hoezee!" riep George uit. "Dat is goed overlegd! En wanneer gaat gij?"

"Morgen, met Sam. En nu, Jongeheer George, zult ge toch wel eens willen gaan zitten en een brief aan mijn goeden man schrijven en hem alles zeggen—wilt ge niet?"

"Wel zeker," antwoordde George. "Oom Tom zal wel blij zijn, dat hij eens van ons hoort. Ik loop even naar huis om papier en inkt; en dan weet ge, Tante Chloe, kan ik hem meteen van de veulens en alles vertellen."

"Zeker, zeker, jongeheer George. Loop nu maar heen; ik zal u ondertusschen een hoenderboutje of zoo wat klaar zetten; gij zult van uwe arme oude tante niet veel meer krijgen."

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings