← Table of contents
De Negerhut

VEERTIGSTE HOOFDSTUK

C. M. Mensing translation

DE MARTELAAR

"Denk niet dat de rechtvaardige door den hemel vergeten is! Schoon het leven hem zijne meest gewone gaven onthoude, en hoewel hij met een verscheurd en bloedend hart, door de menschen versmaad, ter dood ga! Want God heeft elken droevigen dag aangeteekend, en elken bitteren traan geteld, en des hemels lange jaren van zaligheid zullen alles vergoeden wat zijne kinderen hier lijden."

Bryran.

De langste weg moet een einde hebben—op den donkersten nacht moet een morgen volgen. Een onverbiddelijk verloop van oogenblikken doet den dag der boozen voortsnellen naar den eeuwigen nacht, en den nacht der rechtvaardigen naar den eeuwigen dag. Wij hebben met onzen nederigen vriend tot dusverre door het dal der slavernij gewandeld; eerst door de bebloemde velden van lichamelijk welzijn en gemak; toen door de hartverscheurende scheiding van alles wat de mensch dierbaar acht. Daarna hebben wij hem vergezeld op een zonnig eiland, waar edelmoedige handen zijne ketenen met bloemen omwonden; en eindelijk hebben wij hem gevolgd, waar de laatste straal van aardsche hoop in den nacht verdween, en gezien hoe in de zwarte aardsche duisternis het firmament van het bovenzinnelijke met sterren van nieuwen en nog meer heerlijkheid voorspellenden luister schitterde.

De morgenster staat nu boven de toppen der bergen, en ruischende koeltjes, die niet van deze aarde zijn, verkondigen dat de poorten van den dag zich openen.

De vlucht van Cassy en Emmeline had Legree ten uiterste vergramd en verbitterd, en zijne woede trof, gelijk men wel verwachten kon, het weerlooze hoofd van Tom. Toen hij het nieuws aan zijne slaven bekend maakte, had zich in Toms oogen eene plotselinge flikkering vertoond, die Legree evenmin ontsnapte, als het onwillekeurig vouwen en opheffen zijner handen. Hij zag ook dat hij zich niet bij den troep der vervolgers voegde. Hij dacht er wel aan om hem daartoe te dwingen, maar daar hij reeds proef had gehad van zijne onverzettelijkheid, wanneer hem iets onmenschelijks werd bevolen, wilde hij zich in zijne haast niet met hem ophouden.

Tom bleef dus achter met de weinigen, die van hem hadden leeren bidden, en bad met hen voor de redding der vluchtelingen.

Toen Legree teleurgesteld terugkwam, begon de wrok, dien hij reeds lang tegen zijnen slaaf had gekoesterd, den aard van een blinden, doodelijken haat aan te nemen. Had die man hem niet uitgetart, gedurig, onverzettelijk uitgetart—zoolang hij zijn eigendom was geweest? Was er geen geest in hem, die, hoewel zwijgende, hem eene innerlijke hitte deed gevoelen, alsof het eeuwig vuur hem reeds brandde?

"Ik haat hem," zeide Legree, toen hij dien nacht overeind in zijn bed zat. "Ik haat hem! En is hij mijn eigendom niet? Kan ik niet met hem doen wat ik wil? Wie zal het mij beletten?"

En Legree kneep zijne vuisten dicht en schudde ze, alsof hij iets in de handen had dat hij in stukken kon scheuren.

Doch Tom was een trouwe, kostbare dienaar, en hoewel Legree hem daarom des te meer haatte, hield deze bedenking hem toch eenigszins in bedwang.

Den volgenden morgen besloot hij om vooralsnog niets te zeggen, maar een troep helpers van de naburige plantage te verzamelen, met honden. Bereikte hij dan zijn oogmerk, dan was het wel; zoo niet, dan zou hij Tom vóór zich laten komen—daarbij klemde hij zijne tanden op elkander en begon zijn bloed te koken—dan zou hij dien kerel klein krijgen, of—er werd in zijn binnenste iets gruwelijks gefluisterd, waarin zijne ziel toestemde.

Gij zegt dat het eigenbelang van den meester een genoegzame waarborg voor de veiligheid van den slaaf is. In de woede zijner dolle drift zal de mensch, met volle wetenschap en open oogen, zijne eigene ziel aan den duivel verkoopen; zal hij dan meer bezorgd zijn voor het lichaam van zijnen naaste?

"Zoo," zeide Cassy den volgenden dag op de vliering, toen zij door de reet uitkeek, "de jacht zal vandaag weder beginnen."

Drie of vier ruiters lieten hunne paarden voor het huis rondtrappelen en eenige koppels vreemde honden worstelden met de negers die hen vasthielden, en blaften en bromden tegen elkander.

Van deze mannen waren twee opzichters van naburige plantages, de anderen waren eenige lieden, met wie Legree in de herberg eener naburige stad kennis had gemaakt, en die uit liefhebberij voor de jacht gekomen waren. Moeielijk zou men zich een troep kerels van ongunstiger uitzicht kunnen voorstellen. Legree deelde brandewijn in overvloed onder hen uit, alsmede onder de negers, die van verschillende plantages waren afgezonden om hem te helpen, want het was doelmatig, een dienst van dezen aard zooveel mogelijk voor de negers tot een feestdag te maken.

Cassy hield haar oor voor de reet, en daar de wind vlak naar het huis woei, kon zij veel van het gesprek verstaan. Een zweem van toornigen spot vloog over den strakken ernst harer trekken, terwijl zij luisterde, en hoorde hoe zij den grond verdeelden, over de wedijverende verdiensten hunner honden spraken, en orders gaven aangaande het vuren en de behandeling der vluchtelingen wanneer zij gevat werden.

Cassy trad terug en met gevouwen handen omhoog ziende, zeide zij: "O, groote almachtige God, wij allen zijn zondaren; maar wat hebben wij meer dan alle anderen gedaan, dat wij zoo behandeld zouden worden?"

Vreeselijk was de ernst in haren blik en hare stem, toen zij zoo sprak.

"Als het niet om u was, kind," zeide zij, Emmeline aanziende, "zou ik onder hen uitgaan, en dien man onder hen dankbaar zijn, die mij in eens doodschoot; want waartoe zal de vrijheid mij baten? Kan zij mij mijne kinderen teruggeven, of mij weder maken tot hetgeen ik geweest ben?"

Emmeline was in hare kinderlijke eenvoudigheid eenigszins bevreesd voor Cassy's sombere vlagen. Zij zag haar verbijsterd aan, maar gaf geen antwoord. Zij vatte slechts hare hand, met een streelend liefkoozende beweging.

"Doe dat niet!" zeide Cassy, met eene poging om zich los te trekken. "Gij zult nog maken dat ik u liefkrijg, en ik wil nooit weder iets liefhebben."

"Arme Cassy, denk zoo niet!" zeide Emmeline. "Als de Heere ons de vrijheid geeft, geeft Hij u misschien uwe dochter terug, en in allen gevalle zal ik als eene dochter voor u zijn. Ik weet wel dat ik mijne arme oude moeder nooit zal weerzien! Ik zal u liefhebben, Cassy, hetzij gij mij lief hebt of niet!"

De zachte geest overwon. Cassy zette zich bij het meisje neer, sloeg haar arm om haren hals, streelde hare zachte bruine lokken, en toen verwonderde Emmeline zich over de schoonheid harer heerlijke oogen, thans door tranen beneveld.

"O, Emmy!" zeide Cassy, "ik heb naar mijne kinderen gehongerd en naar hen gedorst en mijne oogen schemeren van verlangen naar hen. Hier, hier," vervolgde zij op hare borst slaande, "is alles woest, alles ledig! Als God mij mijne kinderen teruggaf, dan zou ik kunnen bidden."

"Gij moet op Hem vertrouwen, Cassy," zeide Emmeline. "Hij is onze Vader."

"Zijn toorn is op ons," antwoordde Cassy. "Hij heeft zich in gramschap van ons afgekeerd."

"Neen, Cassy, Hij zal goed voor ons zijn! Laten wij op Hem hopen," zeide Emmeline. "Ik heb altijd hoop gehad."

De jacht duurde lang, en het geheele moeras werd nauwkeurig doorzocht, maar zonder eenig gevolg; en met zekere ernstige, spottende blijdschap zag Cassy op Legree neer, toen hij moede en verdrietig van zijn paard stapte.

"En nu, Quimbo," zeide Legree, terwijl hij zich in de huiskamer op zijn gemak zette, "ga nu dien Tom eens hier halen, dadelijk! Die oude vervloekte rekel is dat aanlegger van het geheele geval, en ik zal het uit zijne zwarte huid halen of ik zal het hem betaald zetten."

Hoewel Sambo en Quimbo elkander haatten, stemden zij toch overeen in een niet minder levendigen haat tegen Tom. Legree had hen in het begin gezegd, dat hij hem gekocht had om een algemeenen opzichter van hem te maken; en dit had reeds een wrok tegen hem gezet, die bij menschen van zulk een lage, slaafsche gezindheid nog was toegenomen, toen zij het ongenoegen van hunnen meester over hem zagen komen. Quimbo liep dus met blijdschap heen, om het bevel ten uitvoer te brengen.

Tom hoorde deze boodschap met een waarschuwend voorgevoel, want hij was met het geheele plan der vluchtelingen en hare tegenwoordige schuilplaats bekend. Hij kende ook het gevaarlijke karakter van den man die hem liet roepen, en zijne despotische macht; maar met God voelde hij zich sterk genoeg om den dood tegemoet te gaan, liever dan de hulpeloozen te verraden.

Hij zette zijne mand neer, en de oogen opslaande, zeide hij: "In Uwe handen beveel ik mijnen geest! Gij hebt mij verlost, o Heere, God van waarheid!" en toen liet hij zich gewillig door de ruwe hand van Quimbo aangrijpen en medesleepen.

"Ja, ja," zeide de reusachtige zwarte, Tom voorttrekkende. "Nu zult gij er van lusten. Meester is dol van kwaadheid, dat kan ik je zeggen! Nu is er geen afkomen meer aan! Nu zult gij er van hebben! Wacht nu maar hoe het je bekomt, dat ge meesters slaven helpt wegloopen! Wacht nu maar wat je daarvoor krijgt."

Geen van die dreigende woorden bereikten zijn oor, hij hoorde eene andere stem hem toeroepen: "Vrees niet voor degenen die het lichaam dooden, en daarna niet meer kunnen doen." Het geheele lichaam van dien armen man trilde bij deze woorden, alsof Gods vinger hem had aangeraakt, en hij voelde in zijne ziel de kracht van duizend zielen. Terwijl hij voortstapte schenen de boomen en struiken, de hutten zijner dienstbaarheid, het geheele tooneel zijner vernedering hem voorbij te vliegen, gelijk een landschap voorbij een voortrollende wagen. Zijn hart klopte sneller, zijn vaderland was in het gezicht—en het uur der verlossing scheen op handen.

"Wel, Tom," zeide Legree, die naar hem toekwam en hem ruw bij zijnen schouder vatte, vol opgekropte woede door zijne tanden sissende, "weet je wel dat ik mij heb voorgenomen om je te vermoorden?"

"Dat is wel waarschijnlijk, meester," antwoordde Tom met kalmte.

"Ja, dat heb ik," hervatte Legree met dreigende bedaardheid; "dat heb ik, Tom, als ge mij niet alles zegt wat ge van die meiden weet."

Tom zweeg.

"Hoort ge niet?" bulderde Legree, nu uitbarstende. "Spreek!"

"Ik heb niets te zeggen meester," antwoordde Tom, langzaam en bedaard.

"Durft gij mij zeggen, gij oude en zwarte Christen, dat gij het niet weet?" zeide Legree.

Tom zweeg weder.

"Spreek!" schreeuwde Legree, hem woedend een slag gevende. "Weet gij iets?"

"Ik weet iets, meester! maar ik kan niets zeggen. Ik kan sterven."

Legree haalde diep adem, en zijne gramschap bedwingende, vatte hij Tom bij den arm en zeide, met zijn gezicht bijna vlak voor dat van zijn slachtoffer komende, met eene schrikkelijke stem:

"Luister eens, Tom, gij denkt, omdat ik je voorheen heb losgelaten, dat ik nu niet meen wat ik zeg; maar deze maal heb ik mijn besluit genomen en de kosten berekend. Gij hebt het altijd tegen mij uitgehouden—maar nu zal ik je klein krijgen of vermoorden; het een of ander. Ik zal elken droppel bloeds tellen, dien gij in het lijf hebt, en ze een voor een aftappen, tot gij het opgeeft."

Tom zag naar zijn meester op en antwoordde:

"Meester, als gij ziek waart, of in ongeluk, of stervende, zou ik u mijn hartebloed geven; en als het aftappen van elken droppel bloeds uit dit ellendige lichaam uwe kostbare ziel kon behouden, zou ik het alles zoo geduldig geven, als de Heere het Zijne voor mij gegeven heeft. O, meester, breng die groote zonde niet op uwe ziel! Doe het ergste wat gij kunt, mijn leed zal spoedig voorbij zijn, maar als gij u niet bekeert, zal het uwe nooit eindigen!"

Gelijk een galm van hemelmuziek onverwachts in de tusschenpoos van een storm gehoord, veroorzaakte deze ontboezeming een oogenblik van doffe verbazing. Legree stond versteld en zag Tom aan; het was zoo stil, dat men duidelijk het tikken der klok kon hooren, die met haren slinger de laatste oogenblikken van genade en beproeving voor dat verstokte hart aftelde.

Het was slechts een oogenblik—een kort oogenblik van aarzelend dralen, van besluiteloosheid, van opwellend berouw; en toen kwam de booze geest met zevenvoudig geweld terug en gaf Legree, schuimbekkende van woede, zijnen slaaf een vuistslag, die hem deed neerstorten.

Tooneelen van bloedige wreedheid zijn stuitend voor de ooren en het hart. Wat de mensch in staat is te doen, is de mensch niet in staat om te hooren. Wat de medemensch en medechristen moet lijden, kan ons niet verhaald worden, zelfs niet in onze binnenkamer, zoo verscheurt het de ziel. En toch, o mijn vaderland, worden deze dingen onder de schaduw uwer wetten gedaan! O, Christus, uwe kerk ziet ze aan, bijna met stilzwijgen!

Maar oudtijds was er Een, wiens lijden een werktuig van marteling, vernedering en schande in een zinnebeeld van heerlijkheid, eer en onsterfelijk leven veranderde; en waar Zijn geest is, daar kunnen slagen, bloed en smaadwoorden den laatsten worstelstrijd eens christens niet minder dan heerlijk maken.

Was hij alleen in dien langen nacht, hij, wiens krachtige, liefderijke geest in die oude schuur tegen barbaarsche vuist- en geeselslagen standhield?

Neen, er stond Een bij hem, alleen door hem gezien, "gelijk aan den Zoon van God!"

Ook de verzoeker stond bij hem, verblind door woedende drift, en drong hem ieder oogenblik om die marteling te ontgaan, door de onschuldigen te verraden. Maar het dappere, trouwe hart bleef standvastig. Gelijk zijn meester, was het hem bekend, dat hij, als hij anderen wilde redden, zich zelven niet redden kon; en de uiterste mate van pijn kon hem geen andere woorden afpersen, dan van gebed en heilig vertrouwen.

"Hij is al haast weg, meester," zeide Sambo, zijns ondanks getroffen door het geduld van het slachtoffer.

"Sla maar toe, tot hij het opgeeft! Sla maar toe!" schreeuwde Legree. "Ik zal hem zijn laatsten droppel bloed uitknijpen, als hij niet bekent!"

Tom opende zijne oogen en zag zijn meester aan.

"Gij, arm, ellendig schepsel," zeide hij, "gij kunt niet meer doen. Ik vergeef u met geheel mijne ziel!" en met deze woorden viel hij in zwijm.

"Ik geloof waarachtig dat hij al geheel zijn bekomst heeft," zeide Legree, nader komende om naar hem te zien. "Ja, zoo is het. Nu, dan is zijn mond toch eindelijk gesloten—dat is één goed ding!"

Ja Legree, maar wie zal die stem in uwe ziel smoren—die ziel, waarvoor het gedaan is met berouw, gebed en hoop, waarin het vuur reeds brandt, dat nooit zal worden uitgebluscht?

Het was echter nog niet geheel voorbij met Tom. Zijne verbazende woorden en vrome gebeden hadden het hart getroffen der verdierlijkte zwarten, die zwarten, die zich tot werktuigen der aan hem gepleegde wreedheid hadden geleend; en toen Legree zich verwijderd had, namen zij hem dadelijk af, en poogden hem in hunne onkunde tot het leven terug te brengen—alsof dat eene weldaad voor hem was.

"Zeker, wij hebben eene geduchte goddeloosheid gedaan," zeide Sambo. "Ik hoop dat meester het zal te verantwoorden hebben en wij niet."

Zij wieschen zijne wonden, legden hem op een ruw bed van afgekeurd katoen; en toen ging een van hen naar huis, en vroeg Legree om wat brandewijn, onder voorwendsel dat hij moede was en er zelf behoefte aan had. Hij bracht den brandewijn mede en goot dien Tom in de keel.

"O, Tom," zeide Quimbo. "Wij zijn geducht goddeloos geweest, dat wij zoo met u gehandeld hebben."

"Ik vergeef het u met geheel mijn hart," zeide Tom flauw.

"O Tom, zeg ons, wie is die Jezus toch?" zeide Sambo. "Jezus, die u dezen ganschen nacht zoo heeft bijgestaan? Wie is hij?"

Deze woorden wekten den bezwijmenden geest op. Hij ontboezemde een kort maar krachtig getuigenis van dien wonderbaren Helper—van Zijn leven, Zijnen dood, Zijne eeuwige alomtegenwoordigheid en Zijne macht om te redden.

Zij schreiden, die twee barbaarsche negers.

"Waarom heb ik dat nooit vroeger gehoord!" zeide Sambo. "Maar ik geloof het! Ik kan het niet laten! Heere Jezus, wees ons genadig!"

"Arme schepselen!" zeide Tom. "Ik zou gewillig zijn om dat alles nog eens te dragen, als het u maar tot Christus mocht brengen. O, Heere, ik bid U, geef mij nog twee zielen!"

Dat gebed werd verhoord.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings