← Table of contents
De Negerhut

TWEE EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK

C. M. Mensing translation

EENE AUTHENTIEKE SPOOKHISTORIE

Er bestond eene merkwaardige reden, waarom juist in dien tijd onder de bedienden op het goed van Legree buitengemeen veel spookhistoriën omliepen.

Men vertelde elkander fluisterend, dat men in het holste van den nacht voetstappen de vlieringtrap had hooren afkomen en door het huis ronddwalen. Vruchteloos had men de deuren van de bovengang gesloten; het spook had òf een tweeden sleutel in den zak, òf bediende zich van het onheugelijke privilege der spoken, om door het sleutelgat te kruipen, en wandelde evenals anderen rond, met eene vrijheid, die inderdaad onrustbarend was.

De stemmen waren eenigszins verdeeld, wanneer het op de beschrijving der uitwendige gedaante van den geest aankwam, hetgeen te wijten was aan een onder de negers—en zoover wij weten onder de blanken—heerschend gebruik, om bij zulke gelegenheden de oogen te sluiten, en het hoofd onder de dekens, of waaronder men anders kan, weg te stoppen. Natuurlijk worden, gelijk ieder bekend is, wanneer de lichamelijke oogen buiten werking zijn gesteld, de geestelijke oogen bijzonder scherpziend; en zoo had men toch een aantal portretten van het spook, die alle konden beëedigd worden; maar, gelijk met portretten meermalen het geval is, in geen enkel opzicht naar elkander geleken, behalve in dezen eigenaardigen familietrek van het geslacht der spoken—dat het een wit laken droeg. De arme negers waren niet in de oude geschiedenis bedreven, en wisten niet dat Shakespeare dit kostuum voor het echte had verklaard, door te zeggen dat "de dooden in hunne lijklakens gillend en mommelend door de straten van Rome rondwaarden." Het is dus een zeer opmerkelijk spookkundig verschijnsel, dat zij in dit opzicht allen overeenstemden.

Hoe het hiermede mag gelegen zijn, wij hebben bijzondere redenen om te weten, dat in de voor vast aangenomen spookuren eene rijzige gedaante in een wit laken door het huis van Legree ronddwaalde—de deuren uit en om het huis heenzweefde—nu verdween, dan weder verscheen, en eindelijk de steile trap weder opging naar die noodlottige vliering; en dat men des morgens alle deuren even vast gesloten vond als ooit.

Legree kon niet nalaten dit gefluister te bemerken; en het was des te meer hinderlijk voor hem door de moeite, die men deed om het voor hem te verbergen. Hij dronk meer brandewijn dan gewoonlijk; hield over dag trotsch het hoofd op en vloekte nog harder dan anders; maar des nachts had hij kwade droomen en gedachten die alles behalve aangenaam waren. Des avonds nadat het lijk van Tom was weggevoerd, reed hij naar de naaste stad om zich wat vroolijk te maken en dit deed hij terdege. Hij kwam laat en vermoeid tehuis, sloot zijne deur, nam den sleutel er uit en ging naar bed.

Doch laat iemand doen wat hij wil om haar te smoren, eene menschelijke ziel is een akelige, spookachtige, onrustbarende bezitting voor een slecht mensch. Wie kent hare grenzen en perken? Wie kent al hare geduchte "misschiens"—die bevende en sidderende raadselvragen, die zij zich evenmin kan afwennen als zij hare eigene eeuwigheid kan overleven? Welk een dwaas is hij, die zijne deur sluit om geesten buiten te houden, terwijl hij in zijne eigene borst een geest heeft, dien hij niet alleen durft ontmoeten—wiens stem gesmoord onder bergen van aardschgezindheid, toch als de waarschuwende bazuin des oordeels blijft klinken!

Doch Legree sloot zijne deur en zette een stoel daartegen; hij plaatste een nachtlicht bij het hoofdeinde van zijn bed en legde zijne pistolen daarbij. Hij bezichtigde de sluitingen der vensters, zwoer toen met een vloek, "dat hij niet om den duivel en al zijne engelen gaf!" en ging slapen.

Hij sliep, want hij was moede—hij sliep gerust. Maar eindelijk kwam er over zijn slaap een schaduw van iets ontzettends, iets vreeselijks, dat over hem heenging. Het was het lijklaken zijner moeder, dacht hij, maar het was Cassy, die het ophield en hem vertoonde. Hij hoorde een verward gerucht van gillen en kermen; en met dat al wist hij dat hij sliep en worstelde hij om wakker te worden. Hij was half wakker. Hij wist zeker dat er iets de kamer binnenkwam. Hij wist dat de deur geopend werd, maar hij kon hand noch voet bewegen. Eindelijk keerde hij zich met eene geweldige inspanning om. De deur was open, hij zag eene hand die zijn licht uitdeed.

Het was eene bewolkte schemerachtige maneschijn en daar zag hij het!—iets wits, dat zwevende naderde! Hij hoorde het zachte geritsel van het spookgewaad. Het stond bij zijn bed stil; eene koude hand raakte de zijne aan; eene stem zeide driemaal zacht, ijzingwekkend fluisterende: "Kom! kom! kom!" En terwijl hij daar van angst lag te zweeten, was het, hij wist niet hoe of wanneer, verdwenen. Hij sprong uit zijn bed en trok aan de deur. Zij was vast gesloten, en hij viel op den grond in zwijm.

Daarna werd Legree een sterker drinker dan te voren. Hij dronk niet meer voorzichtig en met bedachtzaamheid, maar onvoorzichtig en met woeste roekeloosheid.

Kort daarna verspreidde zich in den omtrek het gerucht, dat hij ziek was en sterven zou. Door zijne uitspattingen had hij zich die vreeselijke ziekte berokkend, welke de dreigende schaduwen eener toekomstige vergelding over het tegenwoordige leven schijnt te werpen. Niemand kon het in die akelige ziekenkamer uithouden, wanneer hij raaskalde en gilde, en van verschijnselen sprak, welke hun, die hem hoorden, bijna het bloed deden stollen. Bij zijn sterfbed stond eene onverbiddelijk dreigende, witte gedaante en fluisterde: "Kom, kom, kom!"

Door een zonderlingen loop van omstandigheden werd des ochtends na den nacht, toen deze gedaante Legree voor het eerst verscheen, de huisdeur open gevonden en hadden eenige negers twee witte schimmen de laan zien langs zweven, die naar de groote weg leidde.

De zon zou haast opgaan, toen Cassy en Emmeline voor een oogenblik bleven stilstaan onder een groepje boomen, dicht bij de stad.

Cassy was op de wijze der Creoolsche Spaansche dames gekleed, geheel in het zwart. Eene zwarte voile, zeer dicht geborduurd, die aan haar zwarten hoed was vastgemaakt, verborg haar gezicht. Het was afgesproken, dat zij op de vlucht de rol eener Creoolsche dame, en Emmeline die van haar kamenier zou spelen.

Van hare kindsheid af aan den omgang in de hoogste kringen gewoon, was Cassy door hare spraak en manieren volkomen geschikt voor deze rol en zij had nog genoeg van hare eens prachtige garderobe en hare juweelen over, om zich behoorlijk daarvoor te kleeden.

In eene buitenwijk der stad, waar zij opgemerkt had dat koffers te koop stonden, kocht zij een fraaien koffer. Zij verzocht den winkelier om dien koffer met haar mede te zenden. En aldus vergezeld door een jongen, die hare zware bagage kruide, en Emmeline, die eenige kleine pakjes droeg, kwam zij als eene voorname dame in de kleine herberg aan.

De eerste, die haar daar in het oog viel was George Shelby, daar gekomen om op de stoomboot te wachten.

Cassy had den jonkman van de vliering bespied, hem het lijk van Tom zien medenemen en zich heimelijk verheugd over de manier waarop hij Legree zijne verontwaardiging had doen gevoelen. Vervolgens had zij uit de gesprekken onder de negers, die zij beluisterd had, wanneer zij na het vallen van den nacht als spook rondzwierf, opgemaakt wie hij was en in welke betrekking hij tot Tom stond. Zij voelde dus terstond hare gerustheid sterker worden, toen zij bevond, dat hij evenals zij op de volgende boot wachtte.

Cassy's voorkomen en manieren, met hare blijkbare ruimte van geld vereenigd, voorkwamen alle neiging tot achterdocht in de herberg. Men is nooit zeer achterdochtig ten opzichte van menschen, die in de hoofdzaak van goed betalen den toets kunnen doorstaan—iets waarop Cassy had gerekend, toen zij zich van geld voorzag.

Tegen den avond kwam de boot aan, en George bood haar met die beleefdheid, welke een Kentuckiër eigen is, de hand om haar aan boord te helpen, waarna hij nog verder moeite deed om haar eene goede hut te bezorgen.

Cassy bleef, onder voorwendsel van ongesteldheid, in hare hut en te bed, zoolang men op de Roode Rivier was, en werd door hare gezellin met gedienstige zorgvuldigheid opgepast.

Toen zij aan de Mississippi kwamen, deed George, die vernomen had dat de vreemde dame, evenals hij, hoogerop moest, het voorstel om eene plaats voor haar op dezelfde boot te nemen waarop hij gaan wilde, daar hij uit goedhartigheid en medelijden met hare ongesteldheid, haar gaarne zooveel mogelijk van dienst wilde zijn.

Ziedaar dan het geheele gezelschap veilig overgebracht op de goede stoomboot te Cincinnatie, die met al de kracht harer raderen de rivier opvaart.

Cassy's gezondheid was veel beter. Zij zat op het dek, kwam aan tafel en trok op de boot de aandacht als eene dame die eens zeer schoon moest geweest zijn.

Van het oogenblik af dat George haar gezicht voor de eerste maal zag, werd hij gekweld door eene dier onbepaalde herinneringen van gelijkenis, waardoor bijna ieder nu en dan verbijsterd wordt. Hij kon het niet nalaten haar gedurig aan te zien. Aan de tafel, of als zij in de deur van hare hut zat, vond zij steeds de oogen des jonkmans op haar gevestigd, hoewel zij beleefd werden afgewend wanneer het bleek dat zij daarop lette.

Cassy werd ongerust. Zij begon te denken dat hij iets vermoedde en besloot eindelijk zich geheel op zijne edelmoedigheid te verlaten en hem hare geschiedenis toe te vertrouwen.

George was hartelijk genegen om zijne belangstelling te toonen voor iedereen, die van de plantage van Legree was ontkomen, eene plaats waarvan hij niet met bedaardheid kon spreken; en met die dappere onverschilligheid voor alle gevolgen, welke eene eigenschap van zijne jaren en zijn karakter was, verzekerde hij haar dat hij alles zou doen wat in zijn vermogen was, om de twee vluchtelingen te beschermen en voort te helpen.

De hut naast die van Cassy was door eene Fransche dame bezet, welke den naam van De Thoux droeg, en haar dochtertje, een bevallig meisje van twaalf jaren, bij zich had.

Toen deze dame uit eenige gezegden van George had opgemaakt dat hij van Kentucky was, scheen zij bijzonder genegen om kennis met hem te maken, in welk oogmerk zij werd bijgestaan door de aanvalligheid van haar dochtertje, dat zulk een aardig speelpopje was, als ooit de verveling eener veertiendaagsche reis met eene stoomboot verminderde.

Dikwijls stond George's stoel bij de deur harer hut, en dan kon Cassy, als zij hare deur openliet, het gesprek hooren.

Madame De Thoux deed zeer omstandig navraag naar Kentucky, waar zij zeide dat zij vroeger had gewoond. Tot zijne verwondering ontdekte George dat hare vroegere woonplaats in zijne nabijheid moest geweest zijn, en hare vragen legden eene gemeenzaamheid met de menschen en dingen in die streek aan den dag, welke hem zeer verraste.

"Kent gij ook in uwe buurt iemand, die Harris heet?" vroeg Madame De Thoux eens.

"Er is een oude kerel van dien naam, die niet ver van mijns vaders goed woont," antwoordde George, "maar wij hebben nooit veel omgang met hem gehad."

"Hij is een groot slavenhouder, geloof ik," zeide Madame De Thoux op eene manier die meer belangstelling scheen te verraden dan zij wel wilde laten blijken.

"Dat is hij," zeide George eenigszins verwonderd over haren toon.

"Hebt gij er nooit van gehoord—misschien hebt gij er wel van gehoord, dat hij een mulat had die George heette?"

"O zeker—George Harris—ik ken hem wel; hij is met eene meid van mijne moeder getrouwd; maar hij is nu naar Canada ontsnapt."

"Is hij dat?" zeide Madame De Thoux snel. "Goddank!"

George zag haar bevreemd aan, maar zeide niets.

Madame De Thoux liet haar hoofd in hare handen zinken en barstte in tranen uit.

"Hij is mijn broeder!" zeide zij.

"Madame!" zeide George, op den toon der hoogste verbazing.

"Ja," zeide Madame De Thoux, trotsch het hoofd opheffende en hare tranen afwisschende. "Ja, Mijnheer Shelby, George Harris is mijn broeder."

"Ik ben geheel verbaasd," zeide George, zijn stoel een eind terugschuivende en Madame De Thoux aanziende.

"Ik werd naar het Zuiden verkocht, toen hij nog een kind was," zeide zij. "Ik werd gekocht door een braaf, edelmoedig man. Hij nam mij mede naar de West-Indiën, liet mij vrij en trouwde mij. Het is nog maar kort geleden dat hij stierf, en ik kwam nu naar Kentucky, om te zien of ik mijn broeder kon vinden en vrijkoopen."

"Ik heb hem van eene zuster Emily hooren spreken, die naar het Zuiden verkocht was," zeide George.

"Ja, die ben ik," zeide Madame De Thoux. "Maar zeg mij wat voor een…."

"Een zeer knap jonkman," zeide George, "in weerwil van den vloek der slavernij, die op hem lag. Hij verdiende algemeene achting, zoowel om zijne schranderheid als om zijne braafheid. Dat weet ik, ziet ge," vervolgde hij, "omdat hij in onze familie getrouwd was."

"Wat voor een meisje?" zeide Madame De Thoux snel.

"Een juweel," antwoordde George. "Een schoon, verstandig, beminnelijk meisje en zeer godsdienstig. Mijne moeder had haar grootgebracht en bijna zoo zorgvuldig opgevoed als eene dochter. Zij kon lezen en schrijven, naaien en borduren, alles uitmuntend en was eene heerlijke zangeres."

"Was zij in uw huis geboren?" vroeg Madame De Thoux.

"Neen. Mijn vader kocht haar eens, toen hij te New-Orleans was, en bracht haar mede als een presentje voor mijne moeder. Zij was toen omtrent acht of negen jaar oud. Vader wilde moeder nooit zeggen wat hij voor haar gaf; maar toen ik laatst zijne oude papieren nazag, vond ik den koopbrief. Hij had inderdaad eene buitensporige som voor haar betaald, waarschijnlijk om hare ongemeene schoonheid."

George zat met zijnen rug naar Cassy en lette niet op de vurige belangstelling, die haar gelaat uitdrukte, toen hij deze bijzonderheden vermeldde.

Nu stiet zij hem aan den arm en zeide bleek van aandoening en angstige spanning: "Weet gij ook van wien hij haar kocht?"

"Een man die Simmons heette, was geloof ik de principaal bij den verkoop, tenminste dat was, als ik mij wel bedenk, de naam die onder den koopbrief stond."

"O, mijn God!" zeide Cassy en zonk bewusteloos op het dek.

George sprong op en Madame De Thoux insgelijks. Hoewel zij geen van beiden konden gissen wat de oorzaak van Cassy's flauwvallen was, maakten zij toch al de opschudding, die bij zulke gelegenheden behoort. George gooide in het vuur zijner menschlievendheid de lampetkan om en brak twee glazen; en de dames in de kajuit, hoorende dat er iemand flauw gevallen was, verdrongen elkander bij de deur der hut en sloten de lucht zooveel mogelijk af, zoodat er over het geheel alles gedaan werd, wat men kon verwachten.

Arme Cassy! Toen zij weder bijkwam, keerde zij haar gezicht naar den wand en schreide en snikte als een kind. Misschien moeder, kunt gij zeggen waaraan zij dacht. Misschien kunt gij het niet. Maar in dat uur voelde zij zich zoo zeker dat God barmhartigheid met haar had gehad, en dat zij hare dochter zou wederzien, als toen zij maanden later—maar wij loopen te veel vooruit.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings