← Table of contents
De Negerhut

VIER EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK

C. M. Mensing translation

DE BEVRIJDER

George Shelby had zijne moeder slechts met een enkelen regel den dag gemeld, waarop zij hem tehuis kon verwachten. Hij had het hart niet om over het sterven van zijnen ouden vriend te schrijven. Hij had dit verscheidene malen beproefd, en telkens had hij, bijna stikkende van aandoening, het papier verscheurd, zijne oogen afgeveegd en de vrije lucht gezocht om tot bedaren te komen.

Er heerschte eene vroolijke drukte in de woning der Shelby's op den dag, dat men de aankomst van den jongen meester verwachtte.

Mevrouw Shelby zat in de nette voorkamer, waaruit een vroolijk houtvuur de kilheid van den herfstavond verdreef. Er stond eene tafel met zilverwerk en geslepen glas bedekt, hetwelk onze oude vriendin Chloe nog bezig was te schikken.

In nieuw glanzig sits gekleed, met een schoon wit voorschoot, en een hoogen, welgesteven tulband, terwijl haar blinkend zwart gezicht van genoegen gloeide, bleef zij, met noodelooze oplettendheid, nog het een en ander op de tafel verschikken, alleen om een voorwendsel te hebben om nog wat met hare meesteres te praten.

"O, of hem dat ook bevallen zal!" zeide zij. "Daar—ik zet zijn bord net waar hij het zoo graag heeft—naast het vuur. Meester George houdt altijd van een warm plaatsje. Och, loop heen! Waarom heeft Sally den besten trekpot niet uitgezet—den kleinen nieuwen, dien meester George met Kerstmis voor mevrouw heeft gekocht? Ik zal hem nog krijgen. En mevrouw heeft van meester George gehoord?" voegde zij er vragend bij.

"Ja, Chloe; maar een enkelen regel alleen om te zeggen, dat hij van avond tehuis zou zijn als hij kon—anders niet."

"Hij heeft niets van mijnen goeden man gezegd, zou ik denken?" zeide Chloe, nog met theegoed futselende.

"Neen, dat heeft hij niet. Hij heeft van niets geschreven, Chloe, dan alleen dat hij alles verhalen zou als hij tehuis kwam."

"Geheel en al meester George! Hij is er altijd zoo op gesteld om alles zelf te vertellen. Daar heb ik bij meester George altijd op gelet. Ik voor mij begrijp het ook niet, hoe blanke menschen zooveel kunnen schrijven als zij gewoonlijk doen; het schrijven is zulk een langzaam ongemakkelijk werk."

Mevrouw Shelby glimlachte.

"Ik denk haast dat mijn goede man de jongens en de kleine meid niet meer zal kennen. Och, zij is nu al een groote meid, en goed is zij ook en schrander, dat is Polly. Zij is nu naar huis en past op den koek. Ik heb hetzelfde fatsoen gemaakt, waar mijn goede man zooveel van hield, en dat ik hem nog gaf op den ochtend toen hij weg moest. Och, och, wat was ik dien ochtend van streek!"

Mevrouw Shelby zuchtte op dit gezegde en voelde zich het hart beklemd. Sedert het ontvangen van George's brief was zij aanhoudend ongerust geweest dat er achter den sluier van stilzwijgen, dien hij niet had willen oplichten, iets verborgen mocht zijn.

"Mevrouw heeft immers die briefjes wel?" zeide Chloe met zekere bezorgdheid.

"Ja, Chloe."

"Omdat ik mijn goeden man zoo graag de eigenste briefjes wilde laten zien, die de banketbakker mij gegeven heeft.—"En Chloe," zeide hij, "ik wou dat ge nog langer kondt blijven."—"Dank je, meester," zeide ik: "dat zou ik wel, maar mijn goede man komt naar huis, en mevrouw kan het niet langer zonder mij stellen." Dat is net wat ik hem gezegd heb. Een heel aardig man was die Mijnheer Jones."

Chloe had er stijfhoofdig op aangedrongen, dat dezelfde banknoten, waarmede haar loon betaald was, bewaard zouden worden, om ze haren man als bewijzen van knapheid te laten zien, en Mevrouw Shelby had zich gewillig naar den inval geschikt.

"Hij zal Polly niet kennen—dat zal mijn goede man niet. Och, het is vijf jaren geleden, dat zij hem weggehaald hebben. Zij was toen nog zoo klein—zij kon pas even staan. Ik weet nog wel hoe hij placht te lachen, als zij zoo omrolde als zij wilde loopen. Och, och!"

Nu hoorde men het geratel van wielen.

"Meester George!" zeide Tante Chloe, zich naar het venster haastende.

Mevrouw Shelby ging naar de voordeur en werd door haren zoon in de armen gesloten; Chloe stond met angstig verlangen in de duisternis te turen.

"Och, arme Tante Chloe!" zeide George medelijdend naar haar toekomende, en hare zwarte hand tusschen beide de zijne vattende. "Ik had geheel mijn vermogen willen geven om hem mede te brengen; maar hij is naar een beter land gegaan."

Mevrouw Shelby liet eene hartstochtelijke uitroep hooren, maar Chloe zeide niets.

Men ging naar de kamer. Het geld waarop Chloe zoo trotsch was geweest, lag nog op tafel.

"Daar," zeide zij, het opnemende en met eene bevende hand aan hare meesteres toereikende; "ik wil het nooit weer zien of er van hooren. Het is net zooals ik dacht dat het wezen zou: verkocht en vermoord op die oude plantages."

Chloe keerde zich om en ging trotsch de kamer uit. Mevrouw Shelby volgde haar stil, nam haar bij de hand, trok haar zacht weder terug en zette haar naast zich op een stoel.

"Mijn arme, goede Chloe!" zeide zij.

Chloe liet haar hoofd op den schouder harer meesteres zinken en snikte:

"O, Mevrouw, verschoon mij. Mijn hart is gebroken—dat is het al."

"Dat weet ik," zeide Mevrouw Shelby met tranen op de wangen, "en ik kan het niet genezen; maar dat kan Jezus doen. Hij geneest de gebrokenen van hart en verbindt hunne wonden."

Een tijdlang heerschte er stilte en schreiden allen met elkander. Eindelijk zette George zich naast de treurende vrouw, nam haar bij de hand en verhaalde met aandoenlijke eenvoudigheid het zegevierende sterven van haren man en de laatste boodschappen, die zijne liefde hem had opgedragen.

Omtrent een maand later werden al de bedienden en arbeiders op het goed bijeengeroepen in de groote voorzaal, die het geheele huis doorliep, om iets aan te hooren, dat hun jonge meester hun te zeggen had.

Tot aller verwondering kwam hij met een bundel papieren in de hand—vrijbrieven voor allen die op het goed waren, welke hij een voor een voorlas, en onder het schreien, het snikken en de vreugdekreten der aanwezigen overgaf.

Velen echter drongen zich om hem heen en baden hem ernstig om hen niet weg te zenden, terwijl zij met angstige gezichten hunne vrijbrieven wilden teruggeven.

"Wij willen niet vrijer wezen dan wij zijn. Wij hebben al wat wij verlangen, wij willen de oude plaats niet verlaten; wij willen niet van meester en mevrouw en de anderen af."

"Goede vrienden," zeide George, zoodra hij stilte kon bekomen, "het is niet noodig dat ge mij verlaat. Het goed heeft evenveel handen noodig om het te bewerken, als te voren. In huis hebben wij evenveel bedienden noodig als vroeger. Maar nu zijt gij vrije mannen en vrije vrouwen. Ik zal u loon voor uw werk betalen, gelijk wij zullen overeenkomen. Het goede hiervan is, dat gij, als ik mocht sterven, of in schulden geraken—dat gebeurlijke dingen zijn—nu niet kunt aangeslagen en verkocht worden. Ik denk het goed aan te houden en u te leeren—waartoe gij misschien eenigen tijd zult noodig hebben—hoe gij de rechten, die ik u als vrije mannen en vrouwen gegeven heb, moet gebruiken. Ik verwacht dat gij braaf zult zijn en gewillig om te leeren, en ik hoop in God, dat ik getrouw zal zijn en gewillig om u te onderrichten. En nu, mijne vrienden, ziet omhoog en dank God voor den zegen der vrijheid!"

Een hoogbejaard negerpatriarch, die op het goed grijs en blind geworden was, hief nu zijne bevende hand op en zeide: "Laten wij den Heere onzen dank brengen!" Allen knielden, en een treffender Te Deum steeg nooit ten hemel, schoon het niet door orgelklank, klokgelui en geschutgebulder werd vergezeld, dan thans uit dat oude oprechte hart werd opgezonden.

Toen zij opgestaan waren, hief een ander een Methodistisch lied aan, waarvan het refrein was:

"'t Jubeljaar is nu gekomen,— Losgekochten, gaat naar huis."

"Nog iets," zeide George, toen dit lied gezongen was. "Gij allen herinnert u onzen goeden Oom Tom wel?"

Daarop liet hij een kort verhaal van zijn sterven volgen, en nadat hij zijn liefderijken afscheidsgroet aan allen had overgebracht, besloot hij:

"Het was op zijn graf, mijne vrienden, dat ik mij voor God voornam, dat ik nooit weder een slaaf in eigendom wilde houden, als het mogelijk was hem vrij te maken; dat niemand door mij ooit gevaar zou loopen om van huis en vrienden gescheiden te worden, en op eene eenzame plantage te sterven, gelijk hij gestorven is. Denkt dus, als gij u in uwe vrijheid verheugt, dat gij alles aan dien goeden, ouden man te danken hebt, en vergeldt het met goedheid en vriendelijkheid voor zijne vrouw en kinderen. Denkt aan uwe vrijheid, zoo dikwijls gij de hut van Oom Tom ziet; en laat die Negerhut een gedenkteeken zijn, dat u allen moet herinneren om zijne voetstappen te volgen, en zoo eerlijk, zoo getrouw en zoo Christelijk te zijn als hij geweest is."

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings