← Table of contents
De Negerhut

ZES EN DERTIGSTE HOOFDSTUK

C. M. Mensing translation

EMMELINE EN CASSY

Cassy trad de kamer binnen en vond Emmeline, bleek van angst, in den versten hoek zitten. Toen zij binnenkwam sprong het meisje met schrik op; maar zoodra zij zag wie het was, snelde zij toe, en haar bij den arm vattende, zeide zij:

"O, Cassy, zijt gij het? Ik ben zoo blij dat gij komt. Ik was bang dat …. O, gij weet niet welk een schrikkelijk leven er den geheelen avond beneden is geweest."

"Dat zal ik toch wel kunnen weten," zeide Cassy droogjes. "Ik heb het dikwijls genoeg gehoord."

"O, Cassy, zeg mij toch! Zouden wij hier niet vandaan kunnen komen? Het kan mij niet schelen waarheen—in het moeras bij de slangen, ergens maar. Kunnen wij niet ergens hier vandaan komen?"

"Nergens dan in het graf," antwoordde Cassy.

"Hebt gij het ooit beproefd?"

"Ik heb het genoeg zien beproeven, en genoeg gezien wat daarvan komt," zeide Cassy.

"Ik zou wel in het moeras willen leven en bast van de boomen knagen. Ik ben niet bang voor slangen. Ik zou liever eene slang bij mij willen hebben dan hem," zeide Emmeline met drift.

"Er zijn al velen hier van uw gevoelen geweest," antwoordde Cassy. "Maar gij zoudt niet in het moeras kunnen blijven. Gij zoudt door de honden opgespoord en teruggebracht kunnen worden—en dan—dan…."

"Wat zou hij dan doen?" zeide het meisje, haar strak aanziende.

"Gij moest liever vragen wat hij dan niet zoude doen," antwoordde Cassy. "Hij is lang genoeg bij de zeeroovers in de West-Indiën in de leer geweest. Gij zoudt niet veel meer slapen, als ik u de dingen vertelde, die ik gezien heb—dingen, die hij somtijds als grappen vertelt. Ik heb gillen gehoord, die ik weken lang niet uit mijne ooren kon krijgen. Er is eene plek, daar bij het kwartier, waar gij een zwart geblakerden boom kunt zien, en de grond nog geheel met asch bedekt; vraag maar wat daar gedaan is en zie of iemand het u zal willen zeggen."

"O, wat meent ge toch?"

"Ik wil het u niet zeggen. Ik heb een hekel om er aan te denken. En ik zeg u, de Heere alleen weet wat wij morgen zullen zien, als die arme man volhoudt zooals hij begonnen is."

"IJselijk!" zeide Emmeline, terwijl alle spoor van kleur hare wangen ontvlood. "O, Cassy, zeg mij toch wat ik doen zal."

"Wat ik gedaan heb. Doe het beste wat gij kunt, doe wat gij moet en haal dan uw hart op met haten en vloeken."

"Hij wilde mij brandewijn doen drinken," zeide Emmeline, "en ik heb daar zulk een afkeer van…"

"Drink maar liever," zeide Cassy. "Ik had er ook een afkeer van; en nu kan ik er niet buiten. Iemand moet iets hebben; men vindt alles zoo akelig niet meer, als men dat neemt."

"Moeder zeide mij altijd dat ik nooit zoo iets mocht proeven," zeide Emmeline.

"Moeder zeide u!" herhaalde Cassy, met bitteren nadruk op het woord moeder. "Waartoe dient het, dat moeders iets zeggen? Gij moet toch allen gekocht en betaald worden, en uwe ziel behoort aan wie u krijgt. Zoo gaat het. Ik zeg: drink brandewijn, en drink zooveel gij kunt; dat maakt de dingen lichter."

"O, Cassy, heb toch medelijden met mij!"

"Medelijden met u? Heb ik dat niet? Heb ik geene dochter? De hemel weet waar zij nu is, en van wien zij is. Zij zal den weg opgaan, denk ik, dien hare moeder voor haar gegaan is, en dien hare kinderen na haar op moeten. Er is geen einde aan den vloek, in eeuwigheid niet!"

"Ik wenschte dat ik nooit geboren was," zeide Emmeline, hare handen wringende.

"Dat is al een oude wensch bij mij," zeide Cassy. "Ik ben er aan gewoon om dat te wenschen. Ik zou sterven, als ik maar durfde," voegde zij er bij, in de duisternis uitziende met die stille, strakke wanhoop, welke de gewone uitdrukking van haar gelaat was, wanneer hare trekken door geene hartstochten in beweging werden gebracht.

"Het zou goddeloos zijn zich zelve om het leven te brengen," zeide Emmeline.

"Ik weet niet waarom. Niet goddeloozer dan de dingen, die wij dag aan dag doen, terwijl wij leven. Maar de zusters hebben mij dingen verteld, terwijl ik in het klooster was, die mij bang maken om te sterven. Als het dan maar ten einde met ons was, dan…."

Emmeline keerde zich om en verborg haar gezicht in hare handen.

Terwijl dit gesprek boven plaats had, was Legree beneden door den drank geheel bedwelmd, in slaap gevallen. Legree was niet gewoon zich dronken te drinken. Zijn grof en sterk gestel kon wel eene gedurige prikkeling verdragen, waaronder een zwakker spoedig zou zijn bezweken, en zijn trek daartoe was groot genoeg; maar voorzichtigheid weerhield hem meestal van zich in zulke mate aan dien trek over te geven, dat hij zijne bezinning geheel verloor.

Dezen avond echter had hij, zich koortsachtig inspannende om de beginselen van angst en wroeging, die bij hem waren ontwaakt, te verdooven, meer dan gewoonlijk gedronken; zoodat hij, toen hij zijne zwarte makkers had laten gaan, log op eene rustbank neerviel en weldra in slaap viel.

O, hoe durft de schuldige ziel de schimmenwereld van den slaap binnentreden?—dat land, welks schemerende grenzen zoo vreeselijk dicht bij het geheimzinnige tooneel der vergelding liggen! Legree droomde. In zijnen zwaren, koortsigen slaap stond er eene gesluierde gedaante naast hem, en lag een koude en zachte hand op hem. Hij dacht dat hij wel wist wie dat was; en eene huivering van ontzetting kroop door zijn gebeente, hoewel het gelaat gesluierd bleef. Toen dacht hij dat hij dat haar om zijne vingers voelde kronkelen; en toen, dat dat om zijnen hals werd geslingerd, en al dichter en dichter klemde, tot hij geen adem meer kon halen—en toen dacht hij dat stemmen hem toefluisterden—een gefluister dat hem van angst deed verstijven. Toen verbeeldde hij zich, dat hij op den kant van een donkeren afgrond stond, zich vasthoudende en in doodsangst worstelende, terwijl donkere handen zich uitstrekten en hem over den rand trokken en Cassy kwam lachende achter hem en duwde hem voort. En toen rees die plechtige gesluierde gedaante weder op en schoof den sluier weg. Het was zijne moeder, en zij keerde zich van hem af, en hij viel al dieper en dieper, onder een verward gerucht van gillen en weeklachten en uitbarstingen van een duivelachtig gelach—en Legree ontwaakte.

De roode schemering van den dageraad vervulde het vertrek. De morgenster zag uit de heldere lucht, met haar plechtig, heilig oog van licht, op den man der zonde neder. O, welk een frischheid, welk eene statigheid en schoonheid heeft elke nieuwgeboren dag, alsof hij de gevoellooze en verstandlooze menschen toeriep: "Ziet, gij hebt nog weder een kans! Streeft naar de eeuwige heerlijkheid!" Er is geen spraak of taal, waarin die stem niet gehoord wordt; maar de verharde booswicht hoorde haar niet. Hij ontwaakte met een vloek en eene verwensching. Wat was voor hem het goud en purper, het dagelijksche wonderwerk van den morgen! Wat was voor hem de plechtige schoonheid van die ster, welke de Zoon Gods als zijn eigen zinnebeeld heeft geheiligd! Gelijk een redeloos dier zag hij haar, zonder haar op te merken; en strompelend opstaande, schonk hij zich een glas brandewijn in en dronk het half ledig.

"Ik heb een helschen nacht gehad," zeide hij tegen Cassy, die juist de deur inkwam.

"Gij zult er nog wel in overvloed krijgen van dezelfde soort," antwoordde zij droogjes.

"Wat meent ge daarmee, karonje?"

"Dat zult ge wel eens ondervinden," antwoordde Cassy even droog. "En nu, Simon heb ik u een raad te geven."

"Wat duivel zal die zijn?"

"Mijn raad is," zeide Cassy, terwijl zij bedaard begon het een en ander in de kamer in orde te zetten, "dat gij Tom met vrede laat."

"Wat gaat u dat aan?"

"Wat het mij aangaat? Ja, dat weet ik zeker niet. Als gij twaalfhonderd dollars voor een man wilt geven en hem onbruikbaar maken in het drukste van den tijd, alleen om uwe kwaadaardigheid te voldoen, is het zeker iets dat mij niet raakt. Ik heb voor hem gedaan wat ik kon."

"Zoo hebt gij dat? Wat hebt gij u met mijne zaken te bemoeien?"

"O geheel niet, dat is zeker. Ik heb u nu en dan eenige duizenden dollars bespaard, door op uwe arbeiders te passen—en dat is al de dank dien ik krijg. Als uw oogst lichter aan de markt komt dan een van anderen, zult gij uwe weddenschap niet verliezen, denk ik? Tompkins zal u niet uitlachen, denk ik, en gij zult maar zoetsappig uw geld betalen, niet waar? Mij dunkt ik zie het u al doen."

Legree had, gelijk vele andere planters, slechts eene eerzucht, om namelijk den zwaarsten oogst van het seizoen te hebben; en hij had juist op dit seizoen verscheidene weddenschappen gedaan, die in de naaste stad beslist moesten worden. Cassy had dus, met vrouwelijken tact, de eenige snaar geraakt die nog trillen kon.

"Welnu, ik zal het laten bij wat hij gekregen heeft," zeide Legree; "maar hij moet mij vergiffenis vragen en betere manieren beloven."

"Dat zal hij niet willen doen," zeide Cassy.

"Niet willen?"

"Neen."

"Ik zou wel eens willen weten waarom, Juffertje," zeide Legree met diepe minachting.

"Omdat hij wèl gedaan heeft en dat weet, en dus niet zal zeggen dat hij kwaad gedaan heeft."

"Wie duivel geeft er iets om wat hij weet? De neger zal zeggen wat ik verkies, of…."

"Of gij zult uwe weddenschap op den katoenoogst verliezen door hem juist in het dringendste van zijn werk uit het veld te houden."

"Maar hij zal het opgeven; hij moet wel. Weet ik niet wat negers zijn? Hij zal van morgen kruipen als een hond."

"Dat zal hij niet, Simon. Gij kent deze soort nog niet. Gij kunt hem doodmartelen; maar gij zult niet het eerste woord van eene schuldbekentenis uit hem krijgen."

"Dat zullen wij zien. Waar is hij?" zeide Legree naar buiten gaande.

"In het berghol van het machinehuis," hernam Cassy.

Hoewel Legree zoo stout sprak, voelde hij toch, terwijl hij naar de aangeduide plaats ging, zekeren schroom, die iets ongewoons bij hem was. Zijne akelige droomen van den vorigen nacht, met Cassy's voorzichtigen raad vereenigd, hadden een niet onbeduidenden indruk op hem gemaakt. Hij wilde dat niemand getuige zou zijn van zijne eerste ontmoeting met Tom, en nam zich voor, indien hij dezen niet door dreigementen tot onderwerping kon brengen, zijne wraak tot een meer gelegen tijd uit te stellen.

Het plechtige licht van den dageraad en de engelenglans der morgenster hadden ook door het venster geschenen van de ruwe schuur, waar Tom nog lag, en als op de stralen der ster nederdalende, waren hem de woorden toegezonden: "Ik ben de wortel van het geslacht Davids, de blinkende morgenster." De geheimzinnige waarschuwingen en welmeenende bedreiging van Cassy, wel verre van zijne ziel te ontmoedigen, hadden haar als met eene hemelsche roepstem opgewekt. Hij wist niet beter of het was de dag van zijnen dood, die daar aan den hemel begon te gloren, en zijn hart klopte van ernstige vreugde en verlangen, toen hij dacht dat al het wonderbare, waarover hij zoo dikwijls had gepeinsd—de groote witte troon met zijnen altijd schitterenden regenboog, de menigte met witte kleederen, en stemmen als vele wateren, de kronen, de palmen, de harpen—alles misschien voor zijne oogen geopenbaard zou worden, eer die zon weder onderging; en daarom hoorde hij zonder vreezen of beven de stem van zijnen vervolger, toen deze naderde.

"Wel, mijn jongen," zeide Legree met een verachtelijken schop, "hoe gaat het nu? Heb ik niet gezegd dat ik je een paar dingen zou leeren? Hoe bevalt je dat? Hoe is dat pak je bekomen, Tom? Niet geheel zoo spraakzaam meer als gisteravond? Ge zoudt nu een armen zondaar niet meer op een stukje preek kunnen onthalen, zoudt ge wel?"

Tom antwoordde niets.

"Sta op, gij beest!" zeide Legree, hem weder een schop gevende.

Dit was moeielijk voor iemand, die zoo gekneusd en flauw was, en terwijl Tom pogingen deed om te gehoorzamen, hief Legree een barbaarsch geschater aan.

"Wat maakt je zoo vlug van morgen, Tom? Misschien kou gevat verleden avond?"

Tom was nu overeind gekomen en stond rechtop en zonder het hoofd te buigen voor zijnen meester.

"Verduiveld, gij kunt het toch!" zeide Legree. "Ik geloof dat gij nog niet genoeg gehad hebt. Komaan nu, Tom, op uwe knieën en vraag mij vergiffenis voor uw brutaliteit van gisteravond."

Tom bewoog zich niet.

"Kniel, hond!" zeide Legree, hem een slag met zijne karwats gevende.

"Meester Legree," zeide Tom, "dat kan ik niet doen. Ik heb maar gedaan wat ik voor recht hield. Ik zal juist hetzelfde doen, als dat ooit weer wezen moet. Ik wil geen wreedheid doen, wat er ook gebeuren mag."

"Ja, maar gij weet niet wat er gebeuren kan, meester Tom. Gij denkt dat gij al iets gehad hebt. Ik zeg u, het is nog niets—nog niemendal. Hoe zou het u bevallen aan een boom te worden gebonden, met een langzaam vuurtje om u heen? Zou dat niet pleizierig wezen, zeg Tom?"

"Meester," antwoordde Tom, "Ik weet dat gij schrikkelijke dingen doen kunt; maar," en hierbij richtte hij zich nog meer op en vouwde zijne handen, "maar nadat gij het lichaam gedood hebt, kunt gij niets meer doen; o, er komt eene geheele eeuwigheid naderhand!"

Eeuwigheid—dat woord deed de ziel van den zwarten man beven van blijdschap, terwijl hij het uitsprak—het deed ook de ziel des zondaars beven, alsof hem een schorpioen had gestoken. Legree knarste op zijne tanden, maar zijne woede hield hem stom; en Tom sprak als een vrij man, met een heldere en vroolijke stem:

"Meester Legree, daar gij mij gekocht heb, zal ik een trouw en gehoorzaam dienaar voor u zijn. Ik zal u al het werk mijner handen, al mijn tijd en al mijne kracht geven; maar mijne ziel wil ik aan geen sterfelijk mensch overgeven. Ik wil mij aan de Heere vasthouden en zijne geboden boven alles stellen, hetzij ik leve of sterve, daarvan kunt gij zeker zijn. Meester Legree, ik ben geen zier bevreesd om te sterven. Ik zou zelfs liever sterven. Gij moogt mij geeselen, mij uithongeren, mij verbranden—dat zal mij maar te spoediger brengen waar ik verlang te zijn."

"Ik zal u toch wel doen buigen, eer ik met u gedaan heb," zeide Legree woedend.

"Dat zult gij nooit doen. Ik zal hulp krijgen," antwoordde Tom.

"Wie duivel zal u dan helpen?" zeide Legree met smalende minachting.

"De Heere, de Almachtige!" antwoordde Tom.

"Daar dan, verdoemde kerel!" schreeuwde Legree, met een vuistslag, die Tom op den grond deed storten.

Een koude zachte hand werd op dit oogenblik op die

van Legree gelegd. Hij zag om—het was Cassy; maar die koude, zachte aanraking herinnerde hem zijn droom van den vorigen nacht, en deed tevens de tafereelen van vroegere, akelige nachtwaken voor hem oprijzen, met een gedeelte van den angst dien hij toen had gevoeld.

"Wilt gij dan een zot wezen?" zeide Cassy in het Fransch. "Laat hem met rust. Laat mij begaan om hem weer tot werken in staat te krijgen. Is het niet juist zooals ik u gezegd heb?"

Men zegt dat de aligator en de rhinoceros, hoewel in een kogelvormig harnas gekleed, zelfs ieder een plek hebben, waar zij kwetsbaar zijn; en woeste, roekelooze ongeloovigen en booswichten hebben doorgaans dit kwetsbare punt in eene bijgeloovige vrees.

Legree keerde zich om, en besloot de zaak vooreerst te laten rusten.

"Welnu, doe uw zin," zeide hij norsch tot Cassy.

"Hoor eens," vervolgde hij tot Tom, "ik zal het er nu bij laten, omdat het werk dringt en ik al mijne handen noodig heb; maar ik vergeet het nooit. Ik zal het u op rekening stellen, en mij op een of anderen tijd betaling verschaffen uit uwe zwarte huid; onthoud dat."

Daarmede ging Legree heen.

"Ga maar," zeide Cassy, hem dreigend aanziende. "Uwe rekening zal ook wel komen. Hoe gaat het u, arme man?"

"De Heere heeft zijn engel gezonden en voor ditmaal den muil van den leeuw gesloten," antwoordde Tom.

"Voor ditmaal zeker wel," zeide Cassy; "maar nu hebt gij zijn haat op u, die u dag aan dag volgen zal, u als een hond aan de keel zal hangen en uw bloed drop voor drop afzuigen. Ik ken den man!"

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings