VIJF EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
C. M. Mensing translation
DE KLEINE EVANGELIST.
Het was Zondag-namiddag; St. Clare lag op eene van riet gevlochten bank onder de veranda en rookte eene sigaar. Marie lag op eene sofa, tegenover het venster dat onder de veranda uitkwam, door eene gordijn van doorzichtig gaas tegen den overlast der muskieten beschermd, en met een fraai gebonden gebedenboekje lusteloos in de hand. Zij had dit bij zich omdat het Zondag was, en verbeeldde zich dat zij er in gelezen had, hoewel zij slechts met het boekje in de hand eene reeks van dutjes had gedaan.
Ophelia, die na eenig zoeken een kleine meeting van methodisten in de nabijheid had ontdekt, was met Tom als koetsier en met Eva tot gezelschap daarheen gereden.
"Zeg eens, Augustine," zeide Marie, na nog een dutje: "Ik moet mijn ouden dokter Posey uit de stad laten komen. Ik ben zeker dat ik eene hartkwaal heb."
"Maar wat behoeft gij hem te laten komen? De dokter die over Eva praktizeert, schijnt zeer bekwaam te zijn."
"Ik zou hem in een kritiek geval niet vertrouwen," antwoordde Marie; "en ik meen wel te mogen zeggen dat het mijne dat wordt. Ik heb er al twee nachten over liggen denken. Ik heb zulk eene akelige pijn en zulk een vreemd gevoel."
"Och, Marie, ge zijt hypochondrisch. Ik geloof het niet dat het eene hartkwaal is."
"Dat gij het niet gelooft kan ik wel denken, en had ik ook wel verwacht," antwoordde Marie. "Gij kunt u ongerust genoeg maken als Eva maar kucht of haar het minste scheelt, maar om mij denkt gij nooit."
"Als het u bijzonder pleizier doet eene hartkwaal te hebben, welnu, doe dan uw best maar om te bewijzen dat gij er eene hebt," zeide St. Clare. "Ik had het niet gedacht."
"Wel, ik hoop maar dat het u niet spijten zal als het te laat is," zeide Marie, "maar geloof of geloof het niet, mijne droefheid over Eva en de vermoeienissen, die ik voor dat lieve kind van mij heb gevergd, hebben datgene doen ontwikkelen, wat ik reeds lang vermoed had."
Welke vermoeienissen het waren, die Marie bedoelde, zou niet gemakkelijk te zeggen zijn geweest. St. Clare maakte bij zich zelven die aanmerking en bleef toen gevoelloos liggen rooken, tot er een rijtuig voor de veranda stilhield en Eva en hare tante daaruit stapten.
Miss Ophelia ging altijd naar hare kamer om haar hoed en sjaal te gaan bergen, gelijk hare vaste gewoonte was, eer zij nog een woord over iets sprak; terwijl Eva, door haar vader geroepen, op zijne knie kwam zitten en hem een verslag van de preek gaf.
Weldra hoorde men in de kamer van Ophelia, die insgelijks op de veranda uitkwam, eenige luide uitroepingen en daarop eene scherpe bestraffing, tot den een of ander gericht.
"Welk nieuw kattekwaad zou Topsy weer aangericht hebben?" zeide St. Clare. "Die opschudding is haar bedrijf, daar wil ik op wedden."
Een oogenblik later kwam Ophelia aan, ten hoogste verbolgen en de schuldige met zich medetrekkende.
"Kom hier buiten," zeide zij. "Nu wil ik het uwen meester zeggen."
"Wat is de zaak?" zeide Augustine.
"De zaak is dat ik met dit kind niet langer wil geplaagd wezen. Het is niet te verdragen; vleesch en bloed kunnen het niet uitstaan. Daar had ik haar nu opgesloten en een gezang gegeven om van buiten te leeren; en wat heeft zij nu gedaan;—afgeloerd waar ik mijne sleutels berg, mijn bureau opengedaan, er voering van een hoed uitgehaald en die geheel aan stukjes geknipt, om poppejakjes te maken. Ik heb nooit in mijn leven zoo iets gezien."
"Ik heb u wel gezegd, Nicht," zeide Marie, "dat ge wel ondervinden zoudt dat die schepsels niet zonder strengheid kunnen opgebracht worden. Als ik mijn zin nu deed," vervolgde zij, St. Clare verwijtend aanziende, "zou ik die meid eens goed laten geeselen; ik zou haar laten geeselen, dat ze niet meer staan kon."
"Daar twijfel ik niet aan," zeide St. Clare. "Spreek me maar van de zachte heerschappij der vrouw. Ik heb nooit meer dan een half dozijn vrouwen gekend, die niet in staat zouden zijn, om een paar meiden of een meid dood te laten slaan, als zij haar eigen zin mochten doen."
"Ik weet niet hoe gij u nog langer bedenken kunt, St. Clare," hervatte Marie. "Nicht is eene verstandige vrouw en zij ziet het nu evengoed als ik.'
Ophelia was wel in staat om zich zoo boos te maken als eene goede huishoudster behoort te kunnen doen, en zij had zich over de listigheid en baldadigheid van het kind zoo boos gemaakt als zij maar worden kon; maar wat Marie voorsloeg was haar toch al te grof en zij voelde zich dadelijk veel minder warm.
"Ik zou het kind voor de geheele wereld zoo niet willen behandelen," zeide zij; "maar het is toch zoo, Augustine, ik weet niet meer wat te doen. Ik heb haar geleerd en geleerd; ik heb gepraat tot ik er moe van werd, ik heb haar gestraft op alle manieren die ik bedenken kon, en zij is nog juist hetzelfde wat zij in het begin was."
"Kom hier, Topsy, gij kleine meerkat!" zeide St. Clare, het kind roepende.
Topsy kwam. In hare ronde oogen flikkerde een mengeling van vrees en hare gewone koddige dartelheid.
"Waarom gedraagt gij u zoo?" zeide St. Clare, die bijna niet nalaten kon om de uitdrukking van het zwarte gezichtje te lachen.
"Ik geloof dat het aan mijn goddeloos hart ligt," antwoordde Topsy zeer stemmig. "Miss Phelia zegt dit."
"Begrijpt gij dan niet hoeveel Miss Ophelia voor u gedaan heeft? Zij zegt dat zij alles gedaan heeft wat zij bedenken kon."
"Och meester, mijne oude meesteres placht dit ook te zeggen. Zij sloeg mij veel harder, en trok mij bij de haren en beukte mij met mijn hoofd tegen de deur; maar het deed mij toch geen goed. Ik geloof al trokken zij ieder haartje uit mijn hoofd, het zou mij nog geen goed doen.—Zoo goddeloos ben ik. Och! Ik ben niets anders dan een neger—anders niets."
"Nu, ik zal van haar moeten afzien," zeide Ophelia. "Ik kan dien last niet langer hebben."
"Ik zou u toch wel ééne vraag willen doen," zeide St. Clare.
"Welke vraag?"
"Wel, als uw Evangelie geen kracht genoeg heeft om één heidensch kind te redden, dat gij geheel onder uwe macht tehuis bij u hebt, wat baat het dan om daarmede een paar arme zendelingen te zenden onder duizenden van zulke schepselen? Ik meen toch dat dit kind nagenoeg een staaltje zal wezen van wat duizenden heidenen zijn."
Ophelia gaf niet dadelijk antwoord; en Eva, die dit tooneel tot nog toe stil had aangezien, gaf Topsy zwijgend een teeken om haar te volgen. Op den hoek der veranda was een afgeschoten kamertje van glasramen, waarin St. Clare dikwijls zat te lezen, en het was in dit vertrekje dat Eva met Topsy verdween.
"Wat gaat Eva nu beginnen?" zeide St. Clare. "Dat moet ik toch zien."
Hij sloop op de teenen nader en lichtte de gordijnen op, die voor de glazen deur hingen. Een oogenblik later gaf hij, met den vinger op de lippen, Ophelia een wenk om ook te komen zien. Daar zaten de twee kinderen op den grond, zoodat hunne gezichtjes juist op zijde konden gezien worden—Topsy met hare gewone, koddige, halfspottende onverschilligheid; maar tegenover haar Eva, met vurige aandoening in al hare trekken en tranen in de oogen.
"Waarom maakt gij het zoo slecht, Topsy? Waarom wilt gij uw best niet doen om goed te zijn? Is er niemand dien gij liefhebt, niemand van wien gij houdt, Topsy?"
"Van liefhebben weet ik niet af; en ik houd van klontjes en zoo, anders niet," antwoordde Topsy.
"Maar hebt ge dan uw vader en uwe moeder niet lief?"
"Nooit gehad, weet ge wel. Dat heb ik u gezegd, Miss Eva."
"O ja, dat weet ik," zeide Eva treurig. "Maar hebt gij dan geen broeder of zuster gehad, of tante, of…."
"Neen, niets van dat—heb nooit iemand of iets gehad."
"Maar, Topsy, als ge maar uw best woudt doen om goed te zijn, dan zoudt ge…."
"Ik zou toch nooit iets anders dan een neger kunnen wezen, al was ik nog zoo goed," zeide Topsy. "Als ik gevild kon worden en blank worden, dan zou ik mijn best doen."
"Maar men kan u toch wel liefhebben, al zijt gij zwart, Topsy. Miss Ophelia zou u liefhebben, als gij maar goed waart."
Topsy liet den korten schamperen lach hooren, waarmede zij gewoon was ongeloof aan te duiden.
"Denkt gij dat niet," zeide Eva.
"Neen, zij kan mij niet uitstaan, omdat ik eene negerin ben! Zij zou even lief hebben dat eene padde haar aanraakte. Niemand kan negers liefhebben, en negers kunnen niets doen. Maar het kan mij niet schelen." En Topsy begon te fluiten.
"O, Topsy, arm kind, ik heb u lief!" zeide Eva met eene plotselinge uitbarsting van aandoening, en haar wit uitgeteerd handje op Topsy's schouder leggende. "Ik heb u lief, omdat gij nooit vader, moeder of vrienden hebt gehad, omdat gij een arm mishandeld kind zijt geweest. Ik heb u zeer lief, en ik wenschte dat gij al goed waart. Ik ben heel ziek, Topsy, en ik denk dat ik niet lang leven zal; en het spijt mij waarlijk u zoo ondeugend te zien. Ik wenschte dat gij om mijnentwil uw best deedt om goed te zijn, Topsy: het is nog maar een korte poos dat ik bij u zal wezen."
De ronde flikkerende oogen van het zwarte kind werden door tranen beneveld; groote, heldere droppels rolden een voor een over hare wangen en vielen op het blanke handje. Ja, op dat oogenblik had een straal van waar geloof, een straal van hemelsche liefde de duisternis harer heidensche ziel doordrongen! Zij liet haar hoofd tusschen hare knieën zinken en schreide en snikte, terwijl het schoone meisje, over haar heengebogen, op het beeld van een heerlijken engel geleek, afdalende om een zondaar te redden.
"Arme Topsy!" zeide Eva, "weet gij niet dat Jezus allen eveneens liefheeft? Hij is even gewillig om u lief te hebben als mij. Hij heeft u even lief als ik, nog meer, omdat Hij beter is. Hij zal u helpen om goed te zijn. En gij kunt eindelijk naar den hemel gaan en voor eeuwig een engel worden, evengoed alsof gij blank waart. Bedenk dat eens, Topsy! Gij kunt een van die zalige geesten worden, waar Oom Tom van zingt."
"O, lieve Miss Eva, lieve Miss Eva," zeide het kind. "Ik wil mijn best doen. Ik wil mijn best doen. Voorheen heeft het mij nooit kunnen schelen."
Op dit oogenblik liet St. Clare de gordijn vallen.
"Dat herinnert mij aan moeder," zeide hij tegen Ophelia. "Het is waar wat zij mij zeide: "Als wij de blinden het gezicht willen geven, moeten wij willen doen wat Christus deed—hen tot ons roepen en onze handen op hen leggen."
"Ik heb altijd een vooroordeel tegen negers gehad," zeide Ophelia, "en het is waar, ik heb nooit kunnen velen, dat dat kind mij aanraakte; maar ik dacht dat zij het niet wist."
"Wees er maar zeker van, dat ieder kind zoo iets ontdekt," zeide St. Clare. "Dat is niet voor hen te verbergen. Maar ik geloof dat alle pogingen om een kind wel te doen, en alle wezenlijke gunsten, die men het bewijzen kan, nooit eenige opwelling van dankbaarheid kunnen teweegbrengen, zoolang dat gevoel van tegenzin in het hart blijft; het mag zonderling zijn, maar het is zoo."
"Ik weet niet hoe ik het veranderen kan," antwoordde Ophelia. "Zij zijn mij onaangenaam, en dit kind in het bijzonder. Hoe kan ik dat gevoel bedwingen?"
"Eva doet het toch, naar het schijnt."
"Maar zij is ook zoo liefhebbend!" zeide Ophelia. "Evenwel, zij is toch niet meer dan christelijk. Ik wenschte dat ik op haar geleek. Zij zou mij nog wel eene les kunnen geven."
"Het zou de eerste maal niet zijn, dat een klein kind gebruikt was om een ouden discipel te onderwijzen," zeide St.-Clare.