NEGEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK
C. M. Mensing translation
KRIJGSLISTEN
"De weg der goddeloozen is als een donker, zij weten niet waarover zij struikelen zullen."
De vliering van het huis dat Legree bewoonde was, gelijk de meeste andere vlieringen, eene holle donkere ruimte, met spinnewebben behangen en met afgekeurd huisraad bezet. De rijke familie, die het huis in zijne dagen van glans had bewoond, had vele kostbare meubelen aangeschaft, waarvan een gedeelte door haar weder was medegenomen, terwijl het overige in onbewoonde kamers was blijven staan, of op die vliering was weggezet. Aan een kant stonden eenige gevaarlijk groote pakkisten, waarin die meubelen waren verzonden. Er was maar een venstertje, dat door de bestofte, ondoorzichtige ruiten slechts een flauw schemerend licht liet vallen op de hooge stoelen en oude tafels, die eens betere dagen hadden gekend. Over het geheel zag het er hier akelig en spookachtig uit; en zoo spookachtig als die vliering op zich zelve was, ontbrak het niet aan overleveringen om haar voor de bijgeloovige negers nog schrikkelijker te maken. Eenige jaren geleden was eene negerin, die zich Legree's ongenoegen had berokkend, daar verscheidene weken opgesloten. Wat er voorviel, zeggen we niet; de negers fluisterden er angstig over onder elkander; maar het was bekend dat het lijk der ongelukkige eens van daar afgedragen en begraven was, en sedert dien tijd zeide men dat men des nachts op die vliering een akelig gerucht hoorde: vloeken en slagen, met een wanhopig gillen en kermen gemengd. Eens toen Legree bij toeval iets van dien aard hoorde, stoof hij geweldig op en zwoer dat de eerste, die weder sprookjes van die vliering vertelde, eene gelegenheid zou hebben om te vernemen wat daar was, want dat hij hem voor eene week daar zou vastketenen. Dit was genoeg om het gebabbel te stuiten, hoewel het geloof aan het vertelde daardoor natuurlijk niet in het minste werd geschokt.
Langzamerhand werd de trap, welke naar de vliering voerde en zelfs het eind gang naar die trap, door iedereen vermeden, en daar ieder bang was om er van te spreken, werd ook de legende half vergeten. Nu was het Cassy ingevallen, om van den bijgeloovigen angst, die bij Legree zoo licht werd opgewekt, tot bevrijding van zich zelve en hare lotgenoote gebruik te maken.
De slaapkamer van Cassy was vlak onder die vliering. Eens liet zij, zonder Legree te raadplegen, op eigen gezag en met tamelijk veel ophef, al de meubelen uit die kamer naar eene andere ver daar vandaan brengen. De huisbedienden, die zij daarmede belast had, liepen juist met grooten ijver en drukte heen en weder, toen Legree eens van een rijtoertje terugkwam.
"Hallo, Cassy," zeide hij, "wat is er nu gaande?"
"Niets. Ik heb maar eene andere kamer gekozen," antwoordde Cassy stuursch.
"En waarom dat?"
"Omdat het mij zoo beviel."
"En voor den duivel, waarom?"
"Omdat ik gaarne nu en dan slaap."
"En wie belet u te slapen?"
"Dat zou ik wel kunnen zeggen, als gij het hooren woudt," antwoordde Cassy droogjes.
"Spreek op maar," zeide Legree.
"Och, het is niets. Ik geloof dat het u niet verontrusten zou. Het is maar een gekerm en een gestommel van menschen die vechten en op den vliering over den grond rollen, den halven nacht lang, van twaalf uur tot aan den ochtend."
"Menschen op de vliering," zeide Legree onrustig, maar toch met een gedwongen lach. "En wie zijn dat dan?"
Cassy sloeg hare scherpe zwarte oogen op en zag Legree aan met een blik, die hem door merg en been drong, en zeide:
"Ja, wie zijn dat, Simon? Ik zou dat wel eens van u willen hooren. Gij weet het niet, zou ik denken?"
Met een toornigen vloek deed Legree een slag naar haar met zijne karwats; maar zij schoof op zijde en de deur ingaande, zag zij nog eens om en zeide:
"Als gij maar eens in de kamer wilt gaan slapen, zult gij er alles van weten. Misschien is het best, dat gij het eens beproeft." En daarmede sloot zij de deur en draaide die op het slot.
Legree raasde en vloekte en dreigde de deur open te breken; maar hij bedacht zich naar het scheen, en ging zeer slecht op zijn gemak naar de huiskamer. Cassy bemerkte dat hare pijl getroffen had, en van dat oogenblik af verzuimde zij niets om den gemaakten indruk te versterken, hetgeen haar met hare schranderheid uitmuntend gelukte.
In een gat in eene der planken van de vliering, waar een kwast uit het hout was gevallen, stak zij den hals eener gebroken flesch, zoodanig, dat bij den minsten luchtstroom een allerakeligst huilend geluid daardoor werd voortgebracht, dat, wanneer het hard waaide, tot een gillen steeg, hetwelk voor bijgeloovige ooren als het wanhopig gejammer eener menschenstem moest klinken.
Dit geluid werd nu en dan door de bedienden gehoord en deed de herinnering der oude spookvertelling in volle kracht herleven. Eene huiveringwekkende akeligheid scheen het geheele huis te vervullen en hoewel niemand een woord daarvan tegen Legree durfde spreken, voelde hij er zich toch door omringd als door de lucht die hij inademde.
Niemand is zoo door en door bijgeloovig als de goddelooze. Een christen wordt gesterkt door het geloof aan een wijzen, allesbesturenden Vader, wiens tegenwoordigheid de ijdele ruimte met licht en orde vervult; maar voor den mensch die God onttroond heeft, wordt de geestenwereld inderdaad gelijk de Hebreeuwsche dichter zegt: "een land van duisternis en schaduwe des doods," zonder eenige orde, waar het licht als donkerheid is. Het leven en de dood zijn beide spookgewesten voor hem, met nevelachtige schrikgedaanten vervuld.
Het sluimerend zedelijk gevoel was bij Legree gewekt door zijne woordenwisselingen met Tom—slechts gewekt om weder door de hardnekkige kracht van het kwaad onderdrukt te worden; maar elk godsdienstig woord, gebed of gezang bracht toch eene onrust in zijn binnenste teweeg, die eene vermeerdering van bijgeloovige angstvalligheid naliet.
De invloed, dien Cassy op hem uitoefende, was van een zonderlingen aard. Hij was haar eigenaar, haar tiran, haar beul. Zij was, en dit wist hij, geheel en al, zonder mogelijkheid van redding of tegenstand, in zijne macht; en toch bleek het ook bij hem, dat de ruwste man zich niet bestendig onder den invloed van een krachtigen vrouwelijken geest kan bevinden, zonder daardoor aanmerkelijk bedwongen te worden. Toen hij haar pas kocht, was zij, gelijk zij zeide, een teeder opgebrachte vrouw, en hij had haar zonder eenig bezwaar met voeten getreden. Maar toen de tijd en de wanhoop het vrouwelijk gevoel bij haar verdoofden, en het vuur van woestere hartstochten bij haar ontvlamde, was zij in zekere mate zijne meesteres geworden, zoodat hij haar thans beurtelings tiranniseerde en vreesde.
Die invloed was nog sterker en voor hem drukkender geworden, sedert vlagen van halve krankzinnigheid al hare woorden en bedrijven iets vreemds, geheimzinnigs en akeligs hadden gegeven.
Een paar avonden later nu zat Legree in de oude huiskamer bij een flikkerend houtvuur, dat het vertrek met een afwisselend schijnsel verlichtte; het was een stormachtige avond, zulk een avond, waarop men in een vervallen oud huis allerlei onbeschrijfelijke geluiden hoort. De vensters klapperden en de luiken bonsden, de wind bulderde en loeide in den schoorsteen, en blies nu en dan den rook en de asch door de kamer, alsof hij een legioen van geesten in zijn gevolg medebracht. Legree had eenige uren lang rekeningen zitten nazien en couranten lezen, terwijl Cassy in een hoek stroef in het vuur zat te staren. Eindelijk verveelde hem dit, en toen hij een oud boek op de tafel zag liggen, waarin Cassy in het begin van den avond had zitten lezen, nam hij het op en begon het door te bladeren. Het was een dier verzamelingen van moord- en spookhistoriën, welke iemand, als hij er eens aan begint, met eene vreemde tooverkracht boeien.
Legree bromde nu en dan verachtelijk bij zich zelven, maar sloeg toch het eene blad na het andere om, tot hij eindelijk het boek met een vloek neersmeet.
"Gij gelooft toch niet aan spoken, niet waar, Cassy?" zeide hij, de tang opnemende om het vuur bij te leggen. "Ik dacht wel dat gij te veel verstand hadt om u door geluiden te laten bang maken."
"Het komt er niet op aan wat ik geloof," antwoordde Cassy stuursch.
"Toen ik voorheen op zee was, wilden mijne kameraden mij met vertelseltjes bang maken," hervatte Legree. "Maar zij konden mij nooit zoo beetnemen. Ik ben veel te taai voor zulke oude wijvenpraat."
Cassy zat hem in de schaduw van den hoek strak aan te staren. Zij had dien vreemden glans in hare oogen, die Legree altijd onrustig maakte.
"Die geluiden waren niets dan de ratten en de wind," zeide Legree. "Ratten kunnen een duivelsch geweld maken. Ik heb ze dikwijls in het hol van het schip gehoord; en de wind—och, van den wind kan men zich alles verbeelden."
Cassy wist zeer wel dat Legree onder haren blik onrustig werd en daarom gaf zij geen antwoord, maar bleef hem met dezelfde spookachtige strakheid aanstaren.
"Kom aan, spreek op!" zeide Legree. "Denkt gij ook zoo niet?"
"Kunnen ratten de trap afkomen en de gang doorstappen en eene deur opendoen, als gij die gesloten en een stoel er tegen gezet hebt," zeide Cassy, "en recht naar uw bed komen, en de hand uitsteken, zoo?"
Cassy hield onder het spreken hare glinsterende oogen op Legree gevestigd, en hij staarde haar aan, alsof hij de nachtmerrie had, en toen zij zweeg en hare hand, die ijskoud was, op de zijne legde, sprong hij met een vloek achteruit.
"Wijf! Wat meent ge? Dat heeft niemand gedaan!'
"Wel neen—natuurlijk niet—heb ik dat dan gezegd?" zeide Cassy met een kouden spottenden glimlach.
"Maar hebt gij inderdaad gezien dat—kom aan, Cassy, wat is er dan? Spreek op."
"Gij kunt zelf daar gaan slapen, als gij het weten wilt," antwoordde Cassy.
"Kwam het van de vliering, Cassy?"
"Het—wat?"
"Daar gij van spreekt."
"Ik heb u niets verteld," zeide Cassy met koppige stroefheid. Legree stapte onrustig de kamer op en neer.
"Ik wil dat onderzocht hebben," zeide hij. "Ik zal er van avond nog naar gaan zien. Ik zal mijne pistolen medenemen, en…."
"Doe dat," zeide Cassy. "Ga in de kamer slapen. Ik zou het wel eens van u willen zien. Schiet uwe pistolen af—dat ook!"
Legree vloekte en stampvoette.
"Vloek niet," zeide Cassy. "Niemand weet wie u hooren kan! Wat was dat?"
De klok, die in een hoek der kamer stond, sloeg twaalf.
Om eene of andere reden durfde Legree niet spreken of zich bewegen. Eene ijzing voor hij wist niet wat beving hem, terwijl Cassy hem met hare spottende, glinsterende oogen aanzag en de slagen telde.
"Twaalf uur! Wel! nu zullen wij zien," zeide zij, naar de deur gaande die in de gang uitkwam. Zij opende die en bleef staan alsof zij luisterde.
"Hoor? Wat is dat?" zeide zij, haar vinger opstekende.
"De wind, anders niet," zeide Legree. "Hoort gij niet hoe vervloekt het waait?"
"Simon, kom hier," zeide Cassy fluisterend, legde hare hand op zijnen arm en bracht hem onder aan de trap. "Weet gij wat dat is? Luister!"
Een akelige gil klonk. Het geluid kwam van de vliering en weergalmde langs de geheele trap. Legree's knieën knikten en hij verbleekte van schrik.
"Zoudt ge niet liever uwe pistolen krijgen?" zeide Cassy met een smalenden lach, die Legree deed ijzen. "Het is tijd dat hier naar gezien wordt, weet ge. Ik zou u gaarne eens naar boven hebben; zij zijn aan den gang."
"Ik wil niet gaan," antwoordde Legree met een vloek.
"Waarom niet? Er zijn toch immers geene spoken. Kom!" En Cassy wipte de wenteltrap op, lachend naar hem omziende. "Kom voort!"
"Ik geloof dat gij de duivel zijt!" zeide Legree. "Kom terug, gij heks—kom terug, Cassy. Gij zult niet gaan!"
Maar met een wilden lach ijlde Cassy voort. Hij hoorde haar de deur van de gang openen, die naar de vliering leidde. Eene windvlaag kwam de trap af en woei de kaars uit die hij in de hand had, en tegelijk klonk een allerakeligst, onnatuurlijk gegil, alsof het vlak aan zijn oor was.
Legree vlood als razend naar de kamer terug, waarheen Cassy hem eene korte poos later volgde, bleek, koud en kalm als een engel der wraak, en met denzelfden schrikkelijken glans in hare oogen.
"Ik hoop dat gij tevreden zijt," zeide zij.
"Wees verdoemd," antwoordde Legree.
"Waarom?" zeide Cassy. "Ik ben maar naar boven gegaan en heb de deuren gesloten. Wat zou er toch op die vliering zitten, denkt gij wel, Simon?"
"Dat raakt u niet," antwoordde Legree.
"Zoo, niet?" hervatte Cassy. "Welnu, ik ben in allen gevalle blij, dat ik niet meer onder de vliering slaap."
Daar Cassy verwacht had dat de wind dien avond zou opsteken, had zij het vlieringvenster opengezet. Natuurlijk was toen, zoodra de deur ook geopend werd, de kaars door den tocht uitgewaaid.
Dit moge dienen tot een proefje van het spel, dat Cassy met Legree speelde, totdat hij liever zijn hoofd in een leeuwenmuil zou hebben gestoken, dan die vliering te gaan onderzoeken. Intusschen had Cassy des nachts, wanneer al de anderen sliepen, daar langzamerhand een voorraad van levensmiddelen bijeengebracht, voldoende om eenigen tijd te strekken, en ook stuk voor stuk een groot gedeelte van haar eigen kleedervoorraad en dien van Emmeline daar verborgen. Toen alles beschikt was, wachtte zij slechts naar eene gunstige gelegenheid om het plan ten uitvoer te brengen.
Door Legree eenige goede woorden te geven, toen hij eens in een redelijke luim was, had Cassy hem overgehaald om haar naar eene naburige stad mede te nemen, die vlak aan de Roode rivier lag. Met een geheugen dat tot bijna bovennatuurlijke helderheid was verscherpt, had zij op elke bocht van den weg gelet en den tijd berekend, dien men noodig had om hem af te leggen.
Nu alles rijp was om te handelen, zouden onze lezers zeker wel gaarne eens achter de schermen willen zien, en getuigen wezen van den laatsten coup d'état.
Het was bijna avond. Legree was afwezig op een rijtoertje naar eene naburige hoeve. Vele dagen lang was Cassy bijzonder vriendelijk geluimd geweest, en alles scheen tusschen haar en Legree te zijn bijgelegd. Thans zien wij haar en Emmeline in de kamer der laatste, bezig met twee pakjes te maken.
"Daar, die zullen groot genoeg zijn," zeide Cassy. "Zet nu uw hoed op, en laten wij gaan. Het is nu zoo wat de beste tijd."
"Maar zij kunnen ons zien," zeide Emmeline.
"Ik wil ook dat wij gezien worden," antwoordde Cassy koelbloedig. "Weet gij niet dat zij ons toch zullen nazetten? Wij zullen het juist op deze manier aanleggen. Wij zullen de achterdeur uitgaan en bij het kwartier langs loopen. Sambo en Quimbo zullen ons zeker zien. Zij zullen ons najagen en wij loopen het moeras in. Dan kunnen zij ons niet verder volgen vóórdat zij alarm gemaakt hebben, en de honden op het spoor gebracht en al zoo meer, en terwijl zij aan het haspelen zijn en elkaar in den weg loopen, zooals zij altijd doen, sluipen wij naar de kreek die achter het huis omloopt, en waden door het water, tot wij vlak over de achterdeur komen. Dat zal de honden geheel van het spoor afbrengen; want op het water blijft de reuk niet liggen. Iedereen zal het huis ontloopen, om naar ons te zoeken, en dan wippen wij de achterdeur weder in en naar de vliering, waar ik een goed bed heb opgemaakt in eene van de groote kisten. Wij moeten eene goede poos op de vliering blijven, want ik zeg u, hij zal hemel en aarde in beweging brengen om ons terug te krijgen. Hij zal een aantal van die oude opzichters bijeenhalen en eene groote jacht houden; zij zullen geen voet gronds van het moeras ondoorzocht laten. Hij snoeft er op, dat er nog nooit iemand van hem is weggekomen. Laat hij dus nu eens jagen naar hartelust."
"O, Cassy, hoe goed hebt gij dat overlegd!" zeide Emmeline. "Wie anders dan gij zou ooit daaraan gedacht hebben?"
Er sprak noch blijdschap, noch eigenwaan uit Cassy's oogen—niets anders dan wanhopige vastberadenheid.
"Kom!" zeide zij en gaf Emmeline de hand.
De twee vluchtelingen slopen stil het huis uit en in de snel vallende avondschemering het kwartier voorbij. De maan, welker smalle sikkel in het Westen onderging, vertraagde de duisternis van den nacht nog een poos. Gelijk Cassy verwacht had, werden zij, toen zij den zoom der moerasbosschen naderden, die de plantage omringden, aangeroepen om stil te staan. Het was echter Sambo niet, maar Legree, die met toornig vloeken achter haar aankwam. Dit hoorende bezweek de zwakkere geest van Emmeline bijna, en hare gezellin bij den arm grijpende, zeide zij: "O, Cassy, ik zal flauw vallen."
"Als gij dat doet, steek ik u dood!" zeide Cassy, een kleine, glinsterende ponjaard uithalende, die zij voor de oogen van het meisje liet flikkeren.
Deze afleiding bereikte haar doel. Emmeline viel niet flauw; maar stortte zich met Cassy in een gedeelte van het moeras, zoo donker en dicht begroeid, dat Legree er niet aan denken kon om haar zonder hulp te volgen.
"Welnu," zeide hij met een ruwen lach, "zij zijn nu toch in de val geloopen—die karonjes. Zij zitten daar goed vooreerst en zij zullen er voor zweeten."
"Hallo, daar! Sambo! Quimbo! Allemaal!" riep Legree, toen hij het kwartier bereikte, waar de mannen en vrouwen juist van het werk terugkwamen. "Er zitten twee wegloopsters in het moeras. Ik geef vijf dollars aan den neger die ze vangt! Laat de honden los!"
De indruk, die dit bericht maakte, was niet gering. Velen der mannen kwamen driftig aan, om hunne diensten aan te bieden, hetzij uit hoop op belooning, of alleen door die kruipende onderdanigheid, die een van de noodlottigste gevolgen der slavernij is. Sommigen liepen naar den eenen, sommigen naar den anderen kant heen. Eenigen gingen flambouwen van dennentakken halen, anderen maakten de honden los, wier schor, kwaadaardig geblaf het rumoer niet weinig vergrootte.
"Meester, moeten wij ze doodschieten, als wij ze niet kunnen vangen?" zeide Sambo, aan wien Legree een jachtroer had gegeven.
"Op Cassy moogt ge schieten, als ge lust hebt; het is tijd dat zij naar den duivel komt, waar zij behoort; maar op de meid niet," antwoordde Legree. "En nu, jongens, weest vlug en ijverig. Vijf dollars voor wie ze krijgt, en altijd een glas brandewijn voor iedereen."
Daarop trok de geheele troep, onder een geweldig geschreeuw en geblaf naar het moeras, op eenigen afstand door al de huisbedienden gevolgd. Het huis was dus geheel verlaten, toen Emmeline en Cassy de achterdeur binnenslopen. Het schreeuwen en roepen harer vervolgers klonk nog door de lucht; door de vensters der huiskamer uitkijkende konden Cassy en Emmeline den troep zien, die zich met flambouwen langs den zoom van het moeras verspreidde.
"Ziedaar!" zeide Emmeline, Cassy daarheen wijzende. "De jacht is begonnen. Zie die lichten eens ronddansen! En door die honden! Hoort ge niet? Als wij daar nog waren, zou onze kans geen cent waard zijn. O, om 's hemels wil, laten wij ons verschuilen. Schielijk!"
"Wij hebben geen haast," antwoordde Cassy koel. "Zij zijn allen op de jacht uit—dat is het vermaak van den avond. Wij zullen straks naar boven gaan. Ondertusschen," zeide zij, bedaard een sleutel halende uit een zak van de jas, die Legree in zijne haast had neergesmeten, "ondertusschen zal ik wat reisgeld voor ons nemen."
Zij opende den lessenaar en nam een rolletje bankbriefjes er uit, die zij natelde.
"O, laten wij dat niet doen!" zeide Emmeline.
"Waarom niet?" zeide Cassy. "Zoudt gij liever hebben dat wij in de moerassen dood hongerden, of dat wij geen geld hadden om de reis naar de vrije Staten te betalen? Geld doet alles, meisje." En daarmede stak zij de bankbriefjes in hare borst.
"Maar dat zou stelen zijn," zeide Emmeline, treurig en angstig fluisterende.
"Stelen!" herhaalde Cassy met een smadelijken glimlach. "Zij die zielen en lichamen stelen behoeven niets daarvan te zeggen. Ieder van die briefjes is gestolen—gestolen van arme, uitgehongerde, afgewerkte schepsels, die eindelijk voor zijn voordeel naar den duivel moeten. Laat hij maar van stelen praten! Maar kom, wij moesten nu maar naar de vliering gaan. Ik heb daar een voorraad van kaarsen en eenige boeken om den tijd te korten. Gij kunt tamelijk zeker zijn, dat zij daar niet zullen komen zoeken. En als zij het doen, zal ik wel spookje voor hen spelen."
Toen Emmeline op de vliering kwam, vond zij een groote kist, waarin eens eenige zware stukken huisraad waren verzonden, zoodanig omgewenteld, dat de opening naar den muur of eigenlijk naar het schuin opgaande dak Was gekeerd; Cassy stak een lampje aan, en langs den muur kruipende, kwamen zij in de kist. Op den grond waren twee kleine matrassen en eenige kussens gelegd, een koffer dichtbij bevatte een voorraad van kaarsen en eetwaren, benevens al de kleederen die zij op reis konden noodig hebben, welke Cassy tot pakjes van verbazend kleinen omvang had weten te maken.
"Daar," zeide Cassy, terwijl zij een lampje aan een haak hing, die zij daartoe in een wand der kist had geslagen, "dat moet vooreerst onze woning zijn. Hoe bevalt zij u?"
"Zijt ge wel zeker, dat zij niet hier zullen komen zoeken?" zeide Emmeline.
"Ik zou Simon Legree dat wel eens willen zien doen," antwoordde Cassy. "Neen waarlijk niet; hij is maar al te blij dat hij hier vandaan kan blijven. En wat de bedienden betreft, zij zouden zich liever allen dood schieten dan hier komen."
Eenigszins gerustgesteld, zette Emmeline zich op hare kussens.
"Wat hebt gij toch gemeend, Cassy, met te zeggen dat ge mij zoudt doodsteken?" vroeg zij met alle eenvoudigheid.
"Ik wilde u maar beletten om flauw te vallen," antwoordde Cassy, "anders niet. En ik zeg u nu, Emmeline, gij moet u vast voornemen om niet flauw te vallen, wat er ook gebeuren mag. Dit dient nergens toe. Als ik u niet had doen schrikken, zou die ellendeling u nu misschien in zijne macht hebben."
Emmeline huiverde.
Beiden zwegen een poos. Cassy hield zich met een Fransch boek bezig; Emmeline door vermoeienis overstelpt, viel in slaap. Zij werd gewekt door een luid geschreeuw, met paardengetrappel en hondengeblaf gemengd. Met een flauwen gil sprong zij op.
"Het is maar de jacht die terugkomt," zeide Cassy koeltjes. "Wees maar niet bang. Kijk eens uit door die reet. Ziet gij hen daar niet allen beneden? Simon moet het voor van nacht opgeven. Zie hoe bemodderd zijn paard is van het rondtrappelen in het moeras; en de honden zien er ook tamelijk druilig uit. O, goede man, gij zult nog dikwijls op de jacht moeten gaan—het wild zit daar niet."
"O, spreek toch niet!" zeide Emmeline. "Als zij u eens hoorden!"
"Als zij iets hooren, zal het hen nog zorgvuldiger hier vandaan doen blijven!" antwoordde Cassy. "Geen gevaar! Wij mogen zooveel leven maken als wij willen, dat zal den schrik onderhouden."
Eindelijk werd het stil in en om het huis, en tegen middernacht begaf Legree zich naar bed, vloekende over zijnen tegenspoed en wraak zwerende tegen den volgenden ochtend.