← Table of contents
De Negerhut

VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

C. M. Mensing translation

VOORTEEKENEN.

Twee dagen later namen Alfred en Augustine St. Clare afscheid van elkander; daarna begon Eva, die door het gezelschap van haar neefje tot inspanningen boven hare krachten was aangespoord, snel te vervallen. St. Clare werd eindelijk geneigd om geneeskundigen raad in te roepen, waarvoor hij tot nog toe had gehuiverd, daar dit te doen de bekentenis van een onwelkome waarheid was. Thans was Eva twee dagen lang zoo ongesteld geweest, dat zij geheel in huis moest blijven, en nu werd de dokter geroepen.

Marie St. Clare had volstrekt geen acht gegeven op de langzame vermindering van Eva's gezondheid en krachten, daar zij geheel verdiept was in het bestudeeren van twee of drie nieuwe kwalen, waarvan zij zelve het slachtoffer meende te zijn. Het was bij Marie een voornaam punt van geloof, dat niemand ooit zulk eene groote lijderes was geweest of wezen kon als zij zelve, en dus verwierp zij altijd met zekere verontwaardiging de gedachte, dat iemand van hare onderhoorigen ziek zou zijn. Zij hield zich in zulk een geval altijd verzekerd, dat het niets dan luiheid of gebrek aan geduld was en dat iemand, als hij eens lijden moest wat zij leed, spoedig het verschil zou gewaar worden.

Ophelia poogde verscheidene malen hare moederlijke bekommering over Eva te doen ontwaken, maar vruchteloos.

"Ik zie niet dat het kind iets scheelt," zeide zij dan. "Zij loopt rond en speelt."

"Maar zij heeft een hoest."

"Een hoest! O, gij behoeft niet van een hoest te spreken; ik heb al mijn leven een hoest gehad. Toen ik zoo oud was als Eva, dacht men dat ik de tering had. Nacht op nacht moest Mammy bij mij opzitten. Och, Eva's hoest heeft zeker wel niets te beduiden."

"Maar zij wordt zoo zwak en kortademig."

"O, dat heb ik al jarenlang gehad. Dat is maar zenuwachtigheid."

"En des nachts zweet zij zoo."

"Wel, dat heb ik jarenlang gedaan. Dikwijls zijn des nachts mijne kleeren zoo nat, dat men ze wel kan uitwringen. Dan is er geen droge draad aan mijn nachtgoed, en zijn de lakens zoo nat, dat Mammy ze moet te drogen hangen. Zoo zweet Eva toch niet."

Ophelia zweeg. Maar nu Eva zoo zichtbaar verminderde en er een dokter geroepen werd, sloeg Marie eensklaps een geheel anderen toon aan.

Zij wist het wel, zeide zij, en had het altijd gevoeld, dat zij bestemd was om de rampzaligste aller moeders te zijn. Zij zelve kwijnde weg met eene verwoeste gezondheid, en hare lieveling zou voor hare oogen ten grave dalen; en deze nieuwe jammer verschafte Marie weder eene nieuwe reden om Mammy des nachts telkens wakker te roepen en over dag veel erger dan ooit te bekijven en uit te schelden.

"Maar, lieve Marie, spreek toch zoo niet," zeide St. Clare. "Gij moet niet zoo terstond het ergste denken."

"Gij hebt het gevoel eener moeder niet, St. Clare. Gij hebt mij nooit kunnen verstaan, en dat doet gij nu ook niet."

"Maar spreek toch niet alsof het een wanhopig geval was."

"Gij moogt het zoo onverschillig opnemen als gij kunt, St. Clare. Zoo gij er geen gevoel van hebt, als uw kind in zulk een toestand is, ik wel. Het is een slag die te zwaar voor mij is, met al wat ik te voren al droeg."

"Het is waar," zeide St. Clare, "dat Eva teer van gestel is, dat heb ik altijd geweten, en dat haar snelle groei hare krachten heeft uitgeput, en dat haar toestand bedenkelijk is. Maar nu is zij toch maar zoo verzwakt door de warmte van het weder en de vermoeienis en opgewondenheid, waartoe het bezoek van haren neef aanleiding gaf; de dokter zegt dat er nog reden is om te hopen."

"O, natuurlijk; als gij de zaak van den besten kant kunt bezien, doe het dan. Het is een geluk als iemand in deze wereld zulk een teer gevoel niet heeft. Ik wenschte dat ik het ook maar niet had. Het maakt mij maar geheel rampzalig. Ik wenschte dat ik zoo gerust kon wezen als gij en anderen."

En die "anderen" hadden maar al te veel reden om denzelfden wensch te uiten; want Marie gebruikte haar nieuwen jammer tot een voorwendsel om allen die haar genaakten, te kwellen. Ieder woord, dat door iemand gesproken, al wat er gedaan of niet gedaan werd, was een nieuw bewijs dat zij omringd was door hardvochtige gevoellooze wezens, die zich niet om hare smart bekommerden. De arme Eva hoorde eenige van die gezegden, en schreide van medelijden met hare mama, en van spijt dat zij haar zooveel droefheid veroorzaakte.

In een paar weken werden de verschijnselen veel gunstiger; het was eene dier bedriegelijke tusschenpoozen van schijnbare verbetering, door welke hare onverbiddelijke kwaal zoo dikwijls zelfs nog op den rand van het graf, het angstige hart misleidt. Men zag Eva weder op de balkons en in den tuin; zij speelde en lachte weder, en haar vader zeide met verrukking dat zij spoedig zoo frisch en gezond zou zijn als iemand. Ophelia en de dokter werden door dezen bedriegelijke wapenstilstand niet gerustgesteld. Er was nog een hart, dat dezelfde zekerheid van den eindelijken afloop gevoelde, en dat was het hartje van Eva. Wat is het, dat de ziel somtijds zoo kalm en zoo duidelijk zegt dat haar tijd op aarde kort zal zijn? Is het een geheim instinct der stervende natuur, of eene geheimzinnige bewustheid van den geest, dat de onsterfelijkheid nadert? Wat het wezen moge, het woonde in het hart van Eva, als een kalme, streelende zekerheid, dat de hemel nabij was; en daarmede was haar hartje voldaan, en werd alleen nog ontrust door het leedwezen met hen, die haar zoo hartelijk liefhadden.

Want het kind, hoewel zoo teeder verzorgd, en schoon het leven zich voor haar opende met al de helderheid, welke liefde en overvloed aan het uitzicht konden geven, had voor zich zelve geen tegenzin in het sterven.

In dat boek, waarin zij en haar eenvoudige oude vriend zooveel te zamen gelezen hadden, had zij het beeld gevonden van Een, die de kinderkens liefhad; en terwijl zij staarde en peinsde, had dat beeld opgehouden een schilderij uit het lang verleden te zijn, en was eene levende, alomtegenwoordige werkelijkheid geworden. Zijne liefde omving het kinderlijke hart met meer dan sterfelijke teederheid; en het was naar Hem en naar Zijn huis, zeide zij, dat zij heenging.

Maar haar hart bleef toch met treurige teederheid gehecht aan allen die zij zou achterlaten—het meest aan haren vader; want hoewel zij dit nooit duidelijk dacht, voelde Eva er toch eene onwillekeurige zekerheid van, dat zij meer in zijn hart woonde dan in eenig ander. Zij had hare moeder lief, omdat zij zoo vol liefde was; en al de zelfzucht, welke zij in deze zag, bedroefde en verbijsterde haar slechts, want zij koesterde het blinde vertrouwen van een kind, dat hare moeder geen kwaad kan doen. Er was iets in de moeder, waarvan Eva geen begrip kon krijgen, en zij bewimpelde dit voor zich zelve door te denken dat deze toch hare mama was, en had haar toch waarlijk en innig lief.

Zij was ook gehecht aan die trouwe bedienden, voor wie zij als daglicht en zonneschijn was. Kinderen bekommeren zich doorgaans niet om algemeene belangen; maar Eva was een ongewoon vroeg ontwikkeld kind, en wat zij gezien had van het kwaad, dat het stelsel waaronder zij leefde medebracht, was al dieper en dieper in haar peinzend hartje gedaald. Zij had een onbestemd verlangen om iets voor hen te doen, om hen niet alleen, maar allen in hunnen staat, te redden en gelukkig te maken—een verlangen, dat een droevig contrast vormde met de zwakheid harer krachten.

"Och Tom," zeide zij eens, toen zij voor haren vriend las, "nu kan ik begrijpen waarom Jezus voor ons wilde sterven."

"Waarom, Miss Eva?"

"Omdat ik dat ook gevoeld heb."

"Wat is dat, Miss Eva?—Dat begrijp ik niet."

"Ik kan het u niet zeggen. Maar toen ik die arme schepsels op de boot zag, weet ge, toen wij hiernaar toe kwamen, sommigen die hunne moeder, en sommigen die hare mannen hadden verloren, en sommige moeders die om hare kinderen schreiden; en toen ik dat van de arme Prue hoorde—was dat niet schrikkelijk?—en nog heel dikwijls op andere tijden, heb ik gevoeld, dat ik gaarne zou willen sterven, als mijn sterven een einde aan al die ellende kon maken. Ik zou voor hen willen sterven, Tom, als ik kon," zeide het kind ernstig, haar uitgeteerde handje op zijne hand leggende.

Tom zag haar nu met zekere eerbiedige ontzetting aan; en toen zij, de stem van haren vader hoorende, heentrippelde, veegde hij terwijl hij haar nazag verscheidene malen zijne oogen af.

"Het baat niet of wij Miss Eva hier willen houden," zeide hij tegen Mammy, die hij een oogenblik later ontmoette. "Zij heeft het teeken des Heeren op haar voorhoofd."

"Och, ja, ja," antwoordde Mammy hare handen opheffende. "Dat heb ik altijd gezegd. Zij geleek nooit naar een kind dat moest blijven leven—er was altijd iets dieps in hare oogen. Ik heb het mevrouw zoo dikwijls gezegd—en nu komt het uit—dat zien wij nu—allen—dat lieve, kleine, gezegende lam!"

Eva kwam de stoep op naar haren vader toe. Het was laat in den namiddag, en de zonnestralen vormden eene soort van glorie achter haar, toen zij aankwam in haar wit kleedje, met haar goudblonde lokken, gloeiende wangen en onnatuurlijk heldere oogen, schitterende door de koorts, die in hare aderen brandde.

St. Clare had haar geroepen om haar een beeldje te laten zien, dat hij voor haar gekocht had; maar haar voorkomen, toen zij naderde, maakte een plotselingen en pijnlijken indruk op hem. Er is eene soort van schoonheid, zoo bekoorlijk, en tevens zoo broos, dat wij die niet kunnen aanzien. Haar vader sloot haar in zijne armen en vergat bijna wat hij haar wilde zeggen.

"Eva, liefje, ge zijt toch beter tegenwoordig, zijt ge niet?"

"Papa," antwoordde Eva met eene ongewone vastheid van toon, "er zijn al lang dingen geweest, die ik u zeggen wilde, en ik wil ze u nu zeggen, eer ik zwakker word."

St. Clare beefde, terwijl Eva zich op zijne knie plaatste.

Zij leide haar hoofdje tegen zijne borst en vervolgde:

"Het baat niet, Papa, of ik het langer voor mij zelve wil houden. De tijd komt dat ik u verlaten zal. Ik ga heen en kom dan nooit terug." En Eva snikte.

"O kom, mijne lieve kleine Eva," zeide St. Clare, bevende terwijl hij sprak, maar zich tot een opgeruimden toon dwingende: "gij zijt zenuwachtig en droefgeestig geworden. Gij moet niet aan zulke zwaarmoedige gedachten toegeven. Zie eens hier, ik heb een beeldje voor u gekocht."

"Neen, Papa," zeide Eva, het zacht wegduwende: "bedrieg u zelven niet. Ik ben niet beter—dat weet ik heel wel; en ik ga heen binnenkort. Ik ben niet zenuwachtig—ik ben niet zwaarmoedig. Als het niet om u en mijne vrienden was, Papa, zou ik blijde zijn. Ik wil gaarne gaan—ik verlang om te gaan."

"Maar, lief kind, wat heeft uw hartje zoo treurig gemaakt? Gij hebt alles gehad wat u maar gegeven kon worden om u gelukkig te maken."

"Ik zou toch liever in den hemel willen zijn—alleen om mijne vrienden zou ik nog gaarne blijven leven. Er zijn vele dingen hier, die mij droevig maken, die mij schrikkelijk voorkomen. Ik zou liever daar willen zijn—maar ik zou u toch niet willen verlaten—het breekt mij het hart bijna."

"Wat maakt u zoo droevig, wat komt u zoo schrikkelijk voor, Eva?"

"Ach, dingen die er gedaan zijn en nog gedurig gedaan worden. Ik ben bedroefd over onze arme slaven; zij hebben mij lief en zijn goed en vriendelijk voor mij. Ik wenschte, Papa, dat zij allen vrij waren."

"Maar, Eva, kind, denkt gij dan niet dat zij het tegenwoordig goed genoeg hebben?"

"Maar o, Papa, als u iets gebeuren mocht, wat zou er dan van hen worden? Er zijn heel weinig menschen, die u gelijken, Papa. Oom Alfred gelijkt niet naar u, en mama ook niet; en denk dan eens aan de eigenaars van die arme oude Prue! Welke schrikkelijke dingen doet men en kan men doen?" En Eva huiverde.

"Lief kind, gij zijt al te gevoelig. Het spijt mij dat ik u ooit zulke histories heb laten hooren."

"Ach, Papa, dat is het wat mij ontrust. Gij wilt dat ik gelukkig zal zijn, en nooit eenige pijn hebben, en nooit iets lijden, zelfs niets akeligs hooren, terwijl andere arme menschen hun leven lang niets dan pijn en droefheid hebben; dat schijnt zoo eigenlievend. Ik behoor zulke dingen te weten—ik behoor er gevoel voor te hebben. Zulke dingen zinken mij altijd in het hart, diep in het hart. Ik heb er over gedacht en weder gedacht. Papa, is er geen middel om alle slaven vrij te maken?"

"Dat is eene moeielijke vraag, liefje. Er is geen twijfel aan of deze staat van zaken is zeer slecht, en vele menschen denken er zoo over, ik zelf insgelijks. Ik zou hartelijk wenschen, dat er geen slaaf in het land was, maar ik weet toch niet wat er aan te doen."

"Papa, gij zijt zulk een goed man, zoo edeldenkend en menschlievend, en gij weet alles op zulk eene innemende manier te zeggen; zoudt gij niet kunnen rondgaan en beproeven de menschen te overreden om hierin te doen wat recht is? Als ik dood ben, Papa, dan zult gij aan mij denken en het om mijnentwil doen. Ik zou het doen als ik kon."

"Als gij dood zijt, Eva?" zeide St. Clare met aandoening. "O, kind, spreek toch zoo niet. Gij zijt al wat ik op de wereld heb."

"Het kind van die arme oude Prue was ook al wat zij had, en toch moest zij het hooren schreeuwen en kon het niet helpen. Papa, die arme schepsels hebben hunne kinderen even lief, als gij mij hebt. O, doe toch iets voor hen. Daar is de arme Mammy, die hare kinderen zoo liefheeft; ik heb haar zien schreien als zij er van sprak. En Tom heeft zijne kinderen ook zoo lief. O, het is schrikkelijk, Papa, dat zulke dingen gedurig gebeuren."

"Kom, kom, lieveling," zeide St. Clare troostend; "maak u maar niet bedroefd en spreek maar niet van sterven, en ik wil alles doen wat gij maar verlangt."

"Beloof mij dan, lieve vader, dat Tom zijne vrijheid zal hebben zoodra…." zij bleef hier steken en voegde er aarzelend bij: "zoodra ik hier vandaan ben."

"Ja, liefje, ik wil alles doen—al wat gij maar vragen kunt."

"Lieve Papa," zeide Eva, hare gloeiende wangen tegen de zijne leggende, "hoe wenschte ik dat wij te zamen konden gaan!"

"Waarheen liefje?"

"Naar het Huis van onzen Zaligmaker. Het is daar zoo zoet en vreedzaam—allen hebben elkander daar zoo lief." Het kind sprak onwillekeurig als van eene plaats waar zij dikwijls geweest was. "Verlangt gij ook niet te gaan, Papa?" zeide zij.

St. Clare drukte haar vaster aan zijne borst, maar zweeg.

"Gij zult eens bij mij komen," zeide het kind op den toon van geruste zekerheid sprekende, dien zij dikwijls onwillekeurig aannam.

"Ik zal u nakomen. Ik zal u niet vergeten," zeide haar vader.

De plechtige avondschemering werd al donkerder en donkerder, terwijl St. Clare daar nog zat met zijne lieveling in de armen. Hij zag de zielvolle oogen niet meer, maar de stem klonk hem als eene geestenstem in de ooren: en als in een visioen rees in een oogenblik geheel zijn leven voor hem op—de gebeden en gezangen zijner moeder—zijne eigene kinderlijke zucht en streven naar het goede—en tusschen die dagen en dit uur jaren van aardschgezindheid en twijfelzucht, en wat men een onberispelijk leven noemt. Men kan in een oogenblik veel, zeer veel denken. St. Clare zag en gevoelde veel, maar hij sprak niet; en toen het donkerder werd, bracht hij zijn kind naar haar slaapkamertje; en toen zij te bed was geholpen, zond hij de bedienden weg, en hield haar in zijnen arm en zong voor haar tot zij sliep.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings