DRIE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK
C. M. Mensing translation
CASSY
"En ziet, er waren de tranen der verdrukten, en dergenen die geenen trooster hadden, en van de zijde hunner verdrukkers was macht; zij daarentegen hadden geenen trooster.
Pred. 4:1
Tom had slechts weinig tijd noodig om zich bekend te maken met alles wat hij in zijn nieuwen toestand te hopen en te vreezen had. Hij was een bekwaam arbeider, en zoowel uit gewoonte als beginselen ijverig en getrouw in al wat hij deed. Stil en vreedzaam van aard, hoopte hij dat hij door onvermoeide vlijt ten minste een gedeelte der onaangenaamheden van zijn tegenwoordig lot zou kunnen afwenden. Hij zag genoeg mishandeling en ellende, om zijn hart met verontwaardiging en weedom te vervullen; maar hij besloot met godsdienstig geduld voort te zwoegen, zich bevelende aan Hem die rechtvaardig oordeelt; en niet zonder hoop, dat hem nog een weg tot uitkomst zou worden geopend.
Legree lette stilzwijgend op Toms bruikbare eigenschappen. Hij hield hem voor een arbeider van den eersten rang, en toch voelde hij een geheimen wrok tegen hem—de natuurlijke antipathie der boozen tegen de goeden. Hij zag duidelijk dat wanneer, gelijk dikwijls gebeurde, zijn geweld en dwingelandij weerlooze onschuldigen troffen, Tom daarop lette; want zoo fijn is de werking der opinie, dat zij zich zonder woorden doet gevoelen, en zelfs de opinie van een slaaf een meester kan hinderen. Tom openbaarde op verschillende wijzen een teederheid van gevoel, een medelijden met zijne lotgenooten, dat voor Legree nieuw en vreemd was, en door dezen met wangunstige oogen werd bespied. Hij had Tom gekocht met het oogmerk om hem tot eene soort van opzichter te maken, wien hij zijne zaken kon toevertrouwen, wanneer hij zelf nu en dan afwezig moest zijn; en naar zijn begrip was hardheid het eerste, tweede en derde vereischte voor zulk een post. Daar Tom hem niet hard genoeg was, nam Legree zich voor om hem spoedig te harden; en eenige weken nadat Tom op de plantage was gekomen, besloot hij daarmede een begin te maken.
Op een ochtend, toen het volk gemonsterd werd om naar het veld te gaan, zag Tom met verwondering een nieuweling onder hen, wier voorkomen zijne aandacht trok. Zij was eene vrouw, rijzig en rank van gestalte, met bijzonder fijne handen en kleine voeten, net en fatsoenlijk gekleed. Naar haar gezicht te oordeelen kon zij tusschen de vijf en dertig en veertig jaren wezen; en zij had een gezicht, dat men, als men het eens gezien had, nooit weder vergeten kon—een van die gezichten, welke ons met eenen enkelen blik een denkbeeld van een wilde, smartelijke en romaneske geschiedenis schijnen te geven. Haar voorhoofd was hoog en hare wenkbrauwen waren met sierlijke scherpheid geteekend. Haar rechte, welgevormde neus, haar fijn besneden mond, de geheele sierlijke omtrek van hoofd en hals toonden dat zij eens zeer schoon moest geweest zijn; maar haar gezicht was diep gegroefd door trekken van bitter zielelijden en van trotsche verharding daartegen. Hare kleur was vaal en ongezond, hare wangen waren hol, hare trekken scherp en geheel hare gestalte was vermagerd. Hare oogen kwamen echter het meest van alles uit—zoo groot, zoo gitzwart, met lange even zwarte wimpers beschaduwd en vol woeste, treurige wanhoop. Wilde, uitdagende trots sprak uit al hare trekken, uit al hare bewegingen; maar in hare oogen zag men eene nachtelijke donkere diepte van zielesmart, eene uitdrukking zoo hopeloos en onveranderlijk, dat zij een akelig contrast vormden met den fieren trots, dien geheel haar voorkomen aanduidde.
Waar zij vandaan kwam of wie zij was, wist Tom niet. Hij zag haar nu voor het eerst, nu zij in de grauwe schemering van den dageraad, trotsch opgericht, naast hem stapte. Aan den troep was zij echter bekend; want er werd veel omgekeken, en eene gesmoorde, maar toch duidelijk blijkbare boosaardige blijdschap heerschte onder de havelooze, half verhongerde ellendelingen, die haar omringden.
"Eindelijk er toe gekomen—blij om," zeide er een.
"Hi, hi, hi!" zeide een ander; "gij zult ondervinden hoe pleizierig het is, Juffrouw."
"Wij zullen haar nu eens zien werken."
"Benieuwd of zij van avond een pak zal krijgen evenals wij."
"Ik zou haar graag eens zien geeselen, dat weet ik," zeide nog een ander.
De vrouw gaf geen acht op deze smaadredenen, maar stapte voort met hetzelfde gezicht vol toornige minachting, alsof zij niets gehoord had. Tom had altijd onder beschaafde, welopgevoede lieden verkeerd, en voelde onwillekeurig dat zij tot die klasse behoorde; maar hoe zij in dien vernederden toestand kon gekomen zijn begreep hij niet. De vrouw sprak niet tegen hem en zag hem niet eens aan, hoewel zij op den geheelen weg naar het veld dicht naast hem bleef.
Tom was spoedig aan zijn werk, maar daar de vrouw niet ver van hem af was, keek hij dikwijls naar haar om, hoe zij het maakte. Hij zag terstond dat eene aangeboren handigheid en vlugheid de taak voor haar veel gemakkelijker maakte, dan zij voor velen bleek te zijn. Zij plukte zeer snel en zeer zindelijk, met een zoo trotsch gezicht, alsof zij zoowel het werk als de vernedering van haren tegenwoordigen toestand verachtte.
In den loop van den dag werkte Tom ook dicht bij de mulattin, die tegelijk met hem gekocht was. Blijkbaar was zij zeer zwak en vol pijn; dikwijls hoorde Tom haar bidden, en scheen zij, wankelende en bevende, op het punt om neer te vallen. Toen Tom bij haar kwam, stak hij stilzwijgend eenige handen vol katoen uit zijn eigen zak in de hare.
"O, doe dat niet, doe dat niet," zeide de vrouw, verwonderd opziende. "Gij zult u zelven maar in moeite brengen."
Juist toen kwam Sambo aan. Hij scheen een bijzonderen wrok tegen deze vrouw te hebben, en eene zweep zwaaiende, zeide hij met zijne grove, schorre stem: "Wat is dat, Lucy—gekheid maken?" en zonder een woord verder gaf hij de vrouw een schop met zijnen zwaren schoen, en Tom een slag met de zweep dwars over het gezicht.
Tom hervatte stilzwijgend zijne taak; maar de vrouw, reeds geheel uitgeput, viel in een flauwte.
"Ik zal haar wel bijhelpen," zeide de drijver met een woesten, grijnzenden lach. "Ik zal haar wat beters geven dan kamfer." En eene speld van zijne mouw nemende, stak hij die tot aan den kop in haar vleesch. De vrouw kermde en richtte zich eenigszins op.
"Sta op, gij beest en werk, of ik zal je nog een kunstje leeren."
De vrouw scheen voor een korte poos tot bovennatuurlijke kracht aangeprikkeld en werkte met wanhopigen ijver voort.
"Pas op dat gij er aan blijft," zeide Sambo, "of gij zult van avond wenschen dat gij maar dood waart, zou ik denken."
"Dat doe ik nu al," hoorde Tom haar zeggen. En kort daarop zeide zij weder: "O Heere, hoelang? O Heere, waarom helpt Gij ons niet?"
Alles tartende waaraan hij zich kon blootstellen, kwam Tom nog eens naar haar toe, en stak al het katoen uit zijnen zak in de hare.
"O, dat moet gij niet doen. Gij weet niet wat zij u doen zullen," zeide de vrouw.
"Ik kan het dragen, beter dan gij," zeide Tom en was terstond weder op zijne plaats.
Plotseling sloeg de vreemde vrouw, die onder het werk dicht bij genoeg gekomen was om Toms laatste woorden te hooren, hare zwarte oogen op en zag hem strak aan. Daarop nam zij een hoop katoen uit haren mand en stak dien in zijnen zak.
"Gij weet niets van deze plaats," zeide zij, "of gij zoudt dat niet gedaan hebben. Als gij een maand hier geweest zijt, zult gij het wel laten om iemand te helpen; gij zult het moeilijk genoeg vinden op uw eigen huid te passen."
"Dat verhoede de Heere, Missis," zeide Tom, onwillekeurig zijne medearbeidster op het veld met dezelfde benaming aansprekende, welke de beschaafde vrouwen, met wie hij vroeger gewoon was te spreken, toekwam.
"De Heere komt nooit hier," zeide de vrouw met bitterheid, en ging vlug weder voort met haar werk, terwijl een hoonende glimlach hare lippen deed krullen.
Het bedrijf der vrouw was echter door den drijver in de verte gezien, en zijne zweep zwaaiende, kwam hij naar haar toe.
"Wat, wat?" zeide hij op een zegepralenden toon: "gij aan het gekheid maken? Ge zijt nu onder mij. Pas op, of ge zult krijgen."
Een bliksemstraal scheen uit die donkere oogen te schieten, en zich met bevende lippen en opgetrokken neusgaten omkeerende, richtte zij zich rechtop, en vestigde een blik, waaruit een gloed van woede en verachting straalde op den drijver.
"Hond," zeide zij, "raak mij eens aan, als ge durft! Ik heb nog macht genoeg, om u door de honden te laten verscheuren of levend te verbranden, of duim voor duim te laten klein snijden. Ik heb het maar te zeggen!"
"Waar duivel zijt gij dan voor hier?" zeide Sambo blijkbaar uit het veld geslagen, en deed met een norsch gezicht een paar stappen achteruit. "Ik meende geen kwaad, Miss Cassy!"
"Blijf dan van mij vandaan," zeide de vrouw. En Sambo scheen het raadzaam te vinden om naar iets aan de andere zijde van het veld te gaan zien, en liep op een draf heen.
De vrouw keerde zich weder om en werkte voort met een spoed, die Tom geheel en al verbaasde. Het scheen wel tooverij te zijn. Vóór het einde van den dag was hare mand gevuld, neergedrukt en opgehoopt, en had zij verscheidene malen nog ruimschoots in den zak van Tom gedaan. Lang na het vallen der duisternis trok de geheele vermoeide trein, met de manden en zakken op het hoofd, naar het gebouw waar de katoen gewogen en opgepakt werd. Legree stond daar en sprak met de twee drijvers.
"Die Tom zal wel een boel moeite geven," zeide Sambo. "Hij bleef maar aldoor in Lucy's mand stoppen. Hij is een van die kerels, die al de negers zal doen denken, dat zij het te kwaad hebben, als meester niet op hem past."
"Zoo, zoo! Die vervloekte zwartkop!" zeide Legree. "Hij zal gedrild moeten worden, he, jongens?"
Beide negers antwoordden met een afschuwelijke grijns.
"Ja, ja," zeide Quimbo, "meester Legree kan wel drillen. Daarin zou de duivel zelf hem niet kunnen verbeteren."
"Wel, jongens, de beste manier is hem het geeselen te laten verrichten, tot die grillen uit zijnen kop zijn. Dat zal hem drillen."
"Meester zal veel moeite hebben om ze uit zijnen kop te brengen."
"Zij zullen er toch uit moeten," zeide Legree, en kauwde op zijne pruim.
"En daar is dan die Lucy, die leelijkste, onwilligste meid van de plaats," zeide Sambo.
"Pas op, Sam, ik zal haast gaan denken wat de reden is, dat gij zulk een pik op Lucy hebt."
"Wel, meester weet zelf dat ze zich tegen meester heeft verzet, en mij niet hebben wilde, toen hij haar dat zeide."
"Ik zou haar wel zoolang gegeeseld hebben tot zij wilde," zeide Legree spuwende; "maar het werk dringt zoo, dat ik haar nu niet gaarne van de hand wilde brengen; zij is teer, maar die teere meiden laten zich halfdood slaan om haar zin te hebben."
"Wel, Lucy was zoo lui en onwillig als zij maar kon; zij wilde niets doen—Tom, die nam het voor haar op."
"Zoo, deed hij dat? Wel, dan zal Tom het pleizier hebben van haar te geeselen. Dat zal eene goede oefening voor hem zijn, en hij zal de meid ook zoo hard niet slaan, als gij, duivels."
"Ho, ho, ho! ha, ha, ha!" lachten de twee ellendelingen; en die helsche klanken schenen inderdaad geene ongepaste uitdrukking te zijn van den duivelachtigen aard, dien Legree hun toeschreef.
"Maar, meester, Tom en Miss Cassy hebben met hun beiden Lucy's mand gevuld. Ik geloof wel dat het gewicht er haast zijn zal."
"Ik weeg," zeide Legree met nadruk.
Beide drijvers lieten wederom hun duivelachtig gelach hooren.
"En dus heeft Miss Cassy haar dagwerk gedaan?" zeide Legree.
"Zij plukt als de duivel en al zijne engelen."
"Zij heeft ze allen in het lijf geloof ik," zeide Legree; en een woesten vloek uitbrakende, ging hij naar de weegkamer.
Langzaam kwamen de afgematte slaven en slavinnen de kamer in, en kruipende, maar met blijkbaren tegenzin, brachten zij hunne manden om gewogen te worden.
Legree teekende het gewicht aan op eene lei, waarop aan den kant eene lijst der namen was geplakt.
De mand van Tom werd gewogen en goedgekeurd, en hij bleef angstig staan kijken, hoe het zou gaan met de vrouw die hij geholpen had.
Waggelende van zwakheid kwam zij aan en zette haar mand neer. Deze had het volle gewicht, gelijk Legree nu wel zag; maar zich vergramd veinzende, zeide hij:
"Wat, gij lui beest, alweer te kort? Ga daar op zijde, gij zult spoedig wat krijgen."
De vrouw zette zich kermende van wanhoop op den grond neer.
Zij, die Miss Cassy genoemd was, kwam nu voorwaarts en gaf met trotsche achteloosheid haar mand over. Toen zij dit deed, zag Legree haar met een hoonenden, maar toch onrustig uitvorschenden blik in de oogen.
Zij zag hem met hare zwarte oogen strak aan, bewoog even hare lippen en zeide iets in het Fransch. Wat het was verstond niemand; maar Legree's gezicht nam terstond eene duivelachtige uitdrukking aan, en hij hief de hand half op, als om haar een slag te geven—een gebaar dat zij met een blik van fiere minachting beantwoordde, waarna zij zich omkeerde en heenging.
"En nu, gij Tom, kom hier," zeide Legree. "Ik heb u al gezegd, dat ik een kerel als gij niet voor het gewone werk had gekocht. Ik heb plan u te bevorderen en een drijver van u te maken, en van avond moogt gij wel eens beginnen om er den slag van te krijgen. Neem die meid mede en geesel haar, gij hebt het dikwijls genoeg gezien, om te weten hoe."
"Ik verzoek meester verschooning," antwoordde Tom, "Ik hoop dat meester mij daar niet aan zal zetten. Dat is iets waaraan ik niet gewoon ben—ik heb het nog nooit gedaan—en ik kan het ook niet doen, het is mij onmogelijk."
"Gij hebt kans om nog een aantal dingen te moeten leeren, waarvan gij nog nooit geweten hebt, eer ik met u gedaan heb," zei Legree, en een lederen zweep opnemende, gaf hij Tom een fellen striem over de wang, gevolgd door een hagelbui van slagen, waar hij maar kon raken.
"Daar," zeide hij, ophoudende om te rusten, "zult ge mij nu nog zeggen dat gij het niet doen kunt?"
"Ja, meester," antwoordde Tom, het bloed afvegende, dat langs zijn gezicht droop. "Ik ben gewillig om te werken, nacht en dag en zoolang er leven en adem in mij is; maar dit kan ik niet denken dat goed is om te doen; en, meester, ik zal het nooit doen—nooit."
Tom had eene bijzonder zachte stem en eerbiedige manieren, waardoor Legree het denkbeeld had opgevat, dat hij lafhartig en gemakkelijk te dwingen zou zijn. Toen hij deze woorden sprak, liep er een schok van verbazing in het rond; de arme vrouw sloeg hare handen samen en zeide: "O Heere!" en allen zagen onwillekeurig elkander aan en hielden den adem in, als om zich schrap te zetten tegen den storm die nu moest uitbarsten.
Legree keek eerst verbijsterd en versuft, maar daarop barstte hij los.
"Wat, gij vervloekt zwart beest, zegt gij mij dat gij het niet goed acht, te doen wat ik zeg? Wat behoeft gij, vervloekt vee, er over te denken wat goed is? Daar zal ik een eind aan maken. Wat denkt ge wel dat gij zijt? Misschien houdt gij u zelven voor een gentleman, meester Tom, om uwen meester te zeggen wat goed is en wat niet. Gij wilt dus zeggen dat het verkeerd is die meid te geeselen?"
"Zoo denk ik, meester," antwoordde Tom. "Het arme schepsel is ziek en zwak; het zou ronduit wreedheid zijn; en dat is iets dat ik nooit doen zal of aan beginnen wil. Meester, als gij mij wilt doodslaan, doe het; maar mijne hand op te heffen tegen iemand hier, dat zal ik nooit; ik wil liever sterven."
Tom sprak met eene zachte stem; maar met eene vastberadenheid, waarin men zich niet vergissen kon. Legree beefde van woede; zijne groenachtige oogen fonkelden, en zelfs zijne bakkebaarden schenen van woede te krullen; maar gelijk een tijger, die een poos met zijn slachtoffer speelt eer hij het verscheurt, bedwong hij zijne neiging tot dadelijk geweld, en overlaadde hij zijn weerspannigen slaaf met bitteren spot.
"Wel zoo, hier is een vrome hond onder ons zondaren afgedaald! een heilige, een gentleman en niets minder, om ons zondaren over onze zonden te onderhouden! Een machtig heilig schepsel moet hij zijn! Hier, gij schavuit, die u zoo vroom wilt houden—hebt gij dan nooit uit uwen Bijbel gehoord: "Dienstknechten, zijt uwen heeren gehoorzaam"? Ben ik uw meester niet? Heb ik niet twaalfhonderd dollars klinkende munt betaald voor alles wat er in uw oud vervloekt zwart vel steekt? Zijt gij de mijne niet met lichaam en ziel? Zeg mij dat!" zoo besloot hij, Tom een geweldigen schop met zijne zware laars gevende.
Zelfs in de diepte van zijn lichamelijk lijden, door woest dierlijk geweld onderdrukt, wekte deze vraag een gevoel van zegevierende blijdschap in het gemoed van Tom. Hij richtte zich eensklaps op, en ernstig naar den hemel ziende, terwijl tranen en bloed ondereengemengd over zijn gezicht vloeiden, riep hij uit:
"Neen, neen, mijne ziel is uw eigendom niet, meester. Die hebt gij niet gekocht—die kunt gij niet koopen. Die is gekocht en ook betaald, door Eenen—Eenen—die in staat is om haar te bewaren. Doe dus wat gij wilt, gij kunt mij niet schaden."
"Niet?" zeide Legree smalende. "Dat zullen wij eens zien. Hier, gij Sambo en Quimbo, geef dien hond zulk een pak, dat hij in geene maand te boven is."
De twee reusachtige negers grepen, met eene valsche duivelachtige blijdschap in hun gezicht, den armen Tom aan. De arme vrouw gilde van angst, en allen stonden onwillekeurig op, toen hij, zonder zelfs eenigen tegenstand te bieden, werd weggesleept.