ACHT EN DERTIGSTE HOOFDSTUK
C. M. Mensing translation
DE OVERWINNING.
"Gode zij dank, die ons de overwinning geeft."
Hebben niet velen van ons wel eens op den vermoeienden levensweg gevoeld, hoeveel lichter het zijn zou te sterven dan te leven?
De martelaar, wanneer hij een dood van lichamelijke folteringen voor oogen ziet, vindt juist in het schrikkelijke van zijn lot een krachtig middel tot opwekking en versterking. Hij gevoelt eene opgewondenheid, een ijver, eene hoop, die hem het lijdensuur helpen doorstaan, dat het geboorte-uur der eeuwige rust en heerlijkheid zal wezen.
Maar voort te leven, dag aan dag te slijten in een lage, verachte, bittere, kwellende dienstbaarheid, waaronder elke zenuw verslapt en ontstemt, elk gevoelsvermogen langzamerhand verdoofd wordt—dat lange, verterende martelaarschap van het hart, dat langzame, dagelijksche wegbloeden van het innerlijke leven, droppel voor droppel en uur op uur—dit is de ware, doorzoekende proef van wat een mensch, hetzij man of vrouw, in zijn binnenste bezit.
Toen Tom tegenover zijnen woedenden meester stond en zijne dreigementen hoorde, en bij zich zelven dacht dat zijn uur gekomen was, klopte zijn hart hooger en moediger, en dacht hij dat hij martelingen, brandstapel, dat hij alles zou kunnen doorstaan, met het uitzicht op den hemel, die nog maar ééne schrede van hem verwijderd was; maar toen die woedende meester was heengegaan, en zijne opgewondenheid daalde, kwam de pijn in zijne gekneusde leden terug, kwam het gevoel van zijnen vernederden, verlaten, hopeloozen toestand terug; en hij sleet den dag treurig genoeg.
Lang voordat zijne wonden genezen waren, zette Legree hem weder aan het gewone veldwerk; en toen kwamen dag aan dag pijn en vermoeienis, verergerd door alle verongelijkingen en kwellingen, die de hatelijkheid van een laaghartig, boosaardig mensch kon uitdenken. Wie in onze omstandigheden eene proef van pijn heeft gehad, zelfs met die verlichtingen, welke ons meestal ten deel vallen, moet wel weten, welk een wrevelig ongeduld daaruit gewoonlijk ontstaat. Tom verwonderde zich nu niet meer over de doorgaande norschheid zijner makkers; ja, hij vond zelfs de vreedzame, blijmoedige gemoedsgesteldheid, welke de gewoonte van zijn leven geweest was, zeer bemoeielijkt en gestoord door dezelfde kwellingen, die hen zoo onverdragelijk voor anderen maakten. Hij had zich met vrijen tijd gevleid om zijn Bijbel te lezen, maar hier was niets dat naar vrijen tijd geleek. In de drukte van het seizoen aarzelde Legree niet, om zijne arbeiders op Zondag eveneens te laten werken als door de week. Waarom zou hij niet? Hij kreeg dan meer katoen en won zijne weddenschap, en als hij er eenige arbeiders meer door versleet, kon hij andere koopen. In het eerst placht Tom bij het flikkeren van het vuur, een paar verzen in zijnen Bijbel te lezen, als hij van zijn dagwerk terug kwam; maar na de wreede behandeling, die hij ondergaan had, kwam hij doorgaans zoo afgemat naar huis toe, dat zijn hoofd duizelde en zijne oogen schemerden wanneer hij beproefde te lezen, en hij blijde was, als hij gelijk de anderen zijne pijnlijke leden op den grond kon uitstrekken.
Het is niet vreemd, dat het godsdienstige vertrouwen en de gemoedsrust, die hem tot nog toe hadden ondersteund, voor het slingeren zijner ziel bezweken. Het donkerste raadsel van dit raadselachtig leven stond gedurig voor zijnen geest: zielen met geweld verdorven, het kwaad zegepralende, en God zwijgende. Het duurde weken en maanden dat Tom in zijne ziel zoo in smart en duisternis worstelde. Hij dacht aan Miss Ophelia's brief, aan zijne vrienden in Kentucky, en bad God ernstig om hem redding te zenden; en dan zag hij dag aan dag uit, in de flauwe hoop dat hij iemand zien zou die gezonden was om hem los te koopen; en als er niemand kwam, deed hij weder moeite om in zijne ziel de bittere gedachte te smoren—dat het ijdel was God te dienen, en dat God hem vergeten had. Somtijds sprak hij Cassy; en somtijds, wanneer hij naar het huis werd geroepen, kon hij even de neerslachtige Emmeline zien, maar hij had weinig omgang met eene van beiden, en hij had ook eigenlijk geen tijd om met iemand om te gaan.
Op een avond zat hij geheel uitgeput en ternedergeslagen bij eenige half verbrande houten, waarop zijn onsmakelijk avondmaal braadde. Hij legde eenige droge rijsjes op het vuur, om zoo vast wat licht te krijgen, en haalde zijn Bijbel uit zijn zak. Daar waren al de gemerkte plaatsen, die zijne ziel zoo dikwijls verrukt hadden—woorden van aartsvaders en zieners, van dichters en wijzen, die van den vroegsten tijd af den mensch moed hadden ingesproken—stemmen uit die groote wolk van getuigen, welke ons op de levensbaan altijd omringt. Had het woord zijne kracht verloren, of waren het schemerende oog en het vermoeide gevoel niet meer vatbaar voor den troost der heilige bladen? Met een zwaren zucht stak hij het boek weder in zijnen zak. Een woeste lach wekte hem uit zijne dofheid. Hij zag op, Legree stond voor hem.
"Wel, oude jongen," zeide hij, "gij vindt dat uw godsdienst niet meer werkt, naar het schijnt. Ik dacht wel dat ik dat eindelijk in uw wolligen kroeskop zou krijgen."
Die wreede spot was erger dan honger, koude en naaktheid; Tom zweeg.
"Ge zijt een zot geweest," hernam Legree, "want ik had het goed met u voor, toen ik u kocht. Ge hadt het beter kunnen hebben dan Sambo of Quimbo, en een gemakkelijk leven; en in plaats van elke paar dagen geranseld te worden, hadt ge vrijheid kunnen hebben om den heer te spelen en de andere negers te ranselen; en ge hadt nu en dan eene goede verwarming van punch kunnen krijgen. Kom aan, denkt gij nu niet dat het beter is verstandig te worden? Smijt dat pak gewawel in het vuur, en kom tot mijne kerk over."
"Dat verhoede de Heere!" zeide Tom met vurigen ernst.
"Gij ziet wel dat de Heere u niet helpen zal. Als Hij dat gewild had, zou Hij wel gemaakt hebben dat ik u niet kreeg. Die godsdienst van u is alles een hoop leugenachtige bombast, Tom. Gij deedt beter u aan mij te houden. Ik ben iemand en kan iets doen."
"Neen, meester," antwoordde Tom, "ik blijf er bij. De Heere mag mij helpen of niet helpen; maar ik houd mij aan Hem vast en geloof Hem tot het laatste."
Wanneer een zware last de ziel zoo diep neerdrukt, als zij met mogelijkheid kan verduren, volgt er eene plotselinge, wanhopige inspanning van alle lichamelijke en zedelijke krachten om dien last af te werpen, en daarom is de zwaarste zielsangst dikwijls de voorbode van een terugkeer van moed en blijdschap. Zoo was het nu met Tom. De goddelooze smaad- en spotwoorden van zijnen meester drukten zijne reeds moedelooze ziel in de laagste diepte neder; en hoewel de hand des geloofs de eeuwige rots nog vasthield, was het alleen met de kracht der verstijfde wanhoop. Tom zat daar als geheel bedwelmd en versuft bij het vuur. Eensklaps scheen alles om hem heen te verdwijnen; eene verschijning rees voor hem op van Eenen met doornen gekroond en met bloedige geeselstriemen. Tom staarde met verbazing en ontzag op het verheven geduld van het gelaat; de oogen vol lijden en hemelsch medelijden straalden tot in zijn hart; zijne ziel ontwaakte, terwijl hij overstelpt van aandoening, de handen uitstrekte en op de knieën zonk; toen veranderde langzamerhand de verschijning: de scherpe doornen werden tot stralen eener glorie; met onuitsprekelijken luister zag hij datzelfde gelaat medelijdend naar hem nederbuigen, en hoorde hij eene stem zeggen: "Die overwint, Ik zal hem geven met Mij te zitten in mijnen troon, gelijk als Ik overwonnen heb en ben gezeten met mijnen Vader in Zijnen troon."
Hoelang Tom daar lag, wist hij niet. Toen hij tot zich zelven kwam, was het vuur uitgegaan en waren zijne kleederen doornat van den kouden dauw; maar de schrikkelijke benauwdheid zijner ziel was voorbij, en in de vreugde, die hem vervulde, gevoelde hij geen honger, geen koude, geen vernedering, teleurstelling of ellende meer. Uit het diepste zijner ziel verzaakte hij in dat uur alle hoop in het tegenwoordige leven, en offerde hij zijn eigen wil als een onherroepelijk offer aan den Oneindige op. Tom zag op naar de stille, altijd levende sterren, zinnebeelden dier engelenscharen, die altijd op den mensch neerzien, en in de eenzaamheid van den nacht klonken de zegepralende woorden van een lied, dat hij in gelukkiger dagen dikwijls had gezongen, maar nooit met zulk een gevoel als thans:
"Deze aarde zal als sneeuw vergaan, De zon geen licht meer geven; Maar bij den God, die mij hier riep, Zal ik dan eeuwig leven.
"Als 't aardsche leven mij ontzinkt, De zinnen mij begeven, Dan wacht mij in het hemelhof Het eeuwig, zalig leven.
"En als ons daar tienduizend jaar Reeds tienmaal is gegeven, Dan wacht ons nog geen dag te min Van 't eeuwig, zalig leven."
Zij, die met de godsdienstige geschiedenis der slavenbevolking bekend zijn, weten dat verhalen van zulke verschijningen en gezichten zeer dikwijls voorkomen. Wij hebben eenige zulke verhalen van treffend aandoenlijken aard uit den eigen mond van hen gehoord, die aldus gesterkt en getroost waren. Zielkundigen spreken van een toestand, waarin de aandoeningen en voorstellingen van het gemoed zulk eene kracht en levendigheid bekomen, dat zij de uiterlijke zinnen aan zich dienstbaar maken en deze eene tastbare gedaante aan die innerlijke voorstellingen doen geven. Wie zal het bepalen, waartoe een alles doordringende Geest deze vatbaarheid van ons stoffelijk hulsel zal aanwenden, of door welke middelen Hij eene in wanhoop verzonkene ziel zal bemoedigen? Indien de arme, vergeten slaaf gelooft dat Jezus hem verschenen is en tot hem gesproken heeft, wie zal hem tegenspreken? Heeft Hij niet gezegd dat Hij door alle eeuwen heen gezonden was, om hen die gebroken zijn van harte te genezen en de verslagenen heen te zenden in vrijheid?
Toen de grauwe schemering van den dageraad de sluimerenden wekte om weder naar het veld te gaan, was er een onder die huiverende, met lompen bedekte ellendelingen, die met fieren tred voortstapte; want vaster dan de grond dien hij betrad was zijn krachtig geloof in eene almachtige eeuwige liefde. Ha, Legree, beproef al uw vermogen! Lichaamspijn en zieleleed, gebrek en mishandeling zullen slechts den overstap verhaasten, waardoor hij een koning en priester voor God zal worden.
Van dien tijd af omringde een onschendbaar gebied van vrede het nederige hart van den verdrukte; een altijd tegenwoordige Zaligmaker heiligde het tot een tempel. Voorbij was nu het bloeden van aardsche wonden—voorbij was het sidderen van hoop, vrees en verlangen—de menschelijke wil, lang bloedend worstelende, was nu geheel in den Goddelijken versmolten. Zoo kort scheen nu de nog overige levensreis—zoo nabij, zoo duidelijk zichtbaar scheen de eeuwige zaligheid—dat het zwaarste leed des levens op hem afstuitte, zonder hem te deren.
Iedereen merkte de verandering in zijn voorkomen op. Hij scheen zijne opgeruimdheid en vlugheid terug te krijgen, en eene kalmte te bezitten, die door geene beleediging of mishandeling kon gestoord worden.
"Wat duivel zit er in Tom?" zeide Legree tot Sambo. "Eene maand geleden was hij geheel melancholiek, en nu is hij zoo vroolijk als een krekel."
"Weet niet, meester. Misschien wil hij wegloopen."
"Dat zou ik hem wel eens willen zien probeeren," zeide Legree met een woesten grijnzenden lach. "Zouden we niet, Sambo?"
"Denk nog al, ha, ha!" antwoordde de zwarte pluimstrijker, gedienstig lachende. "He, wat een pret! Hem in de modder te zien steken, en door de struiken rennen, met de honden op het lijf. Ik dacht te barsten van lachen, toen we Molly vingen. Ik dacht dat zij haar geheel opengescheurd zouden hebben, eer we bij haar konden komen. Zij heeft nog de teekens van die grap."
"En die zal ze wel houden tot in haar graf, denk ik," zeide Legree. "Maar let nu goed op, Sambo, als de neger iets van dien aard voornemens is, laat hem dan in de val loopen."
"Laat mij maar begaan, meester," antwoordde Sambo, "ik zal hem wel beetnemen, ho, ho, ho!"
Dit werd gezegd toen Legree te paard stapte, om naar eene naburige stad te rijden. Toen hij dien avond terugkwam, viel het hem in om eens naar het kwartier te rijden en te zien of alles veilig was.
Het was helder maneschijn, de schaduwen van het geboomte teekenden zich met scherpe omtrekken op het gras, en er was eene stilte in de lucht, waarvan het storen bijna heiligschennis scheen te zijn. Legree was nog op eenigen afstand van het kwartier, toen hij eene stem hoorde zingen. Dit was daar iets zeer ongewoons, en hij bleef staan om te luisteren. Eene welluidende tenorstem zong:
"Ben ik van mijn plaats maar zeker, In de woning van mijn Heer, 'k Vrees dan voor geen lijdensbeker, 'k Ween dan geene tranen meer.
"Mag de wereld mij bestrijden, Helsche boosheid wonden slaan, Ik kan kampen, dulden, lijden, Satans woede wederstaan.
"Laten rampen me overstroomen, 'k Sta voor storm en golven pal, Als ik veilig maar mag komen Bij mijn God, mijn heil, mijn al."
"Zoo, zoo, denkt hij zoo?" zeide Legree bij zichzelven. "Die vervloekte methodisten-zangen! Hier, gij neger!" riep hij, plotseling op Tom toeschietende en met zijne karwats dreigende, "Hoe durft gij zoo'n geweld hier maken, als gij in bed moest wezen. Houd je zwarten smoel, en maak dat je wegkomt!"
"Ja, meester," antwoordde Tom, met vlugge bereidwilligheid opstaande om heen te gaan.
Legree werd woedend over Toms onverstoorbare kalmte, en op hem toerijdende, sloeg hij zoo hard hij kon op zijn hoofd en schouders los.
"Daar gij hond!" zeide hij. "Zie of ge nu nog zoo weltevreden zijt."
Maar de slagen vielen slechts op den uitwendigen mensch, en niet gelijk te voren op het hart. Tom bleef onderdanig staan, en toch kon Legree het niet voor zich zelven verbergen, dat hij zijne macht over zijnen gekochten slaaf, hoe dan ook, verloren had; en toen Tom in zijne hut verdween, en hij zijn paard wendde om heen te rijden, schoot er eensklaps eene van die flikkeringen door zijne ziel, die dikwijls den bliksem des gewetens in een donkeren, goddeloozen geest zenden. Hij begreep ten volle dat het God was die tusschen hem en zijn slachtoffer stond, en hij lasterde Hem. Die zwijgende, onderdanige man, die geene smaadwoorden, dreigementen of slagen konden ontrusten, welke eene stem in zijn binnenste, gelijk in vroegeren tijd zijn meester in de door den duivel bezeten ziel had gewekt, zeggende: "Wij, Jezus van Nazareth, wat hebben wij met U te doen? Zijt gij gekomen om ons te pijnigen vóór den tijd?"
Toms hart vloeide over van liefderijk medelijden met de rampzaligen die hem omringden. Het was alsof voor hem nu alle leed des levens voorbij was, en hij uit de schatkamer van vrede en vreugde, waarmede hij boven hen begiftigd was, iets verlangde mede te deelen tot verzachting hunner ellende. Het is waar, de gelegenheden daartoe waren zeldzaam; maar op weg naar het veld en terug en gedurende de werkuren, had hij toch nu en dan eene kans om vermoeiden, neerslachtigen en moedeloozen een helpende hand te reiken. De arme, afgetobde, verdierlijkte schepselen konden dit in het eerst nauwelijks begrijpen; maar toen dit week op week, en maand op maand aanhield, begon het eindelijk een lang verstorven gevoel in hunne verdoofde harten op te wekken. Langzamerhand en onbemerkt begon die vreemde, geduldige, stille man, die zoo gereed was om ieders last te dragen en zelf bij niemand hulp zocht—die voor allen week, het laatste kwam en het geringste nam, en toch de eerste was, om het weinige dat hij had te deelen met hen die gebrek leden—de man, die in koude nachten zijne gescheurde dekens afstond, om een vrouw te verwarmen die van koorts rilde,—en die in het veld de manden der zwakken vulde, op het schrikkelijke gevaar af om zelf in gewicht te kort te komen—en die, hoewel hij door den algemeenen dwingeland met onverbiddelijke wreedheid werd vervolgd, nooit mededeed om een woord van smaad of vloek tegen hen uit te spreken—eindelijk begon die man eene vreemde macht over hen te bekomen; en toen het drukste van het seizoen voorbij was, en zij de Zondagen weder tot eigen gebruik kregen, verzamelden zich velen, om door hem van Jezus te hooren. Gaarne zouden zij geregeld bijeengekomen zijn om te hooren, te bidden en te zingen; maar Legree wilde dit niet toelaten, en meer dan eens stoorde hij zulke vergaderingen met vloeken en verwenschingen, zoodat het gezegende nieuws bij enkelen van mond tot mond moest gaan. Wie kan echter de eenvoudige blijdschap beschrijven, waarmede sommigen van die arme verworpelingen, voor wie het leven eene vreugdelooze reis naar eene onbekende duisternis was, van een medelijdenden Verlosser en een hemelsch vaderland hoorden? De zendelingen verklaren dat, onder al de geslachten der aarde geen het Evangelie met zulk eene gretige leerzaamheid ontvangen heeft als het Afrikaansche. Het beginsel van vertrouwen en onvoorwaardelijk geloof, dat den grondslag daarvan uitmaakt, is meer een natuurlijk element voor dit geslacht, dan voor eenig ander; en dikwijls heeft men onder negers bevonden dat een verdwaald zaadje waarheid, door den wind van het toeval in de onkundige harten gevoerd, opgegroeid is en vruchten heeft gedragen, welker overvloed die van meer zorgvuldige kweeking beschaamde.
De arme mulattin, wier eenvoudig geloof bijna verpletterd en begraven was door den berg van wreedheid en onrecht, die haar overstelpt had, voelde hare ziel opgebeurd door de gezangen en Bijbelplaatsen, die deze nederige zendeling haar nu en dan in het oor fluisterde, wanneer zij naar het werk ging of terugkwam; en zelfs het half krankzinnige, ongeregeld zwervende gemoed van Cassy werd door zijnen stillen zich nooit opdringenden invloed verzacht en bedaard.
Tot razernij en wanhoop gedreven door de opeengehoopte zielesmarten van haar leven, had Cassy dikwijls bij zich zelve besloten, dat er eens een uur van vergelding zou komen, wanneer hare hand op haren verdrukker wraak zou oefenen over al de wreedheid en onrechtvaardigheid, waarvan zij getuige was geweest of die zelve geleden had.
In een nacht, toen allen in Toms hut lagen te slapen, werd hij eensklaps gewekt, en zag hij haar gezicht voor het gat dat tot venster diende; zij wenkte hem stilzwijgend om buiten te komen.
Tom kwam voor de deur. Het was tusschen één en twee uren in den nacht, en de maan scheen helder. Tom zag, toen het maanlicht Cassy in de oogen scheen, dat die groote zwarte oogen een wilden, eigenaardigen glans hadden, geheel verschillend van hare gewone strakke blik.
"Kom hier, vader Tom," zeide zij, hare hand op zijnen arm leggende, en hem voorttrekkende met eene kracht alsof dat smalle handje van staal was. "Kom hier—ik heb nieuws voor u."
"Wat is het, Miss Cassy?" zeide Tom, met vurige oplettendheid.
"Tom, zoudt ge niet gaarne uwe vrijheid willen hebben?"
"Die zal ik hebben, missis, als het Gods tijd is," antwoordde Tom.
"Ja, maar gij kunt haar dezen nacht nog krijgen," zeide Cassy met drift. "Kom maar mede."
Tom aarzelde.
"Kom," zeide zij fluisterend en hem strak aanziende. "Kom voort! Hij slaapt—gerust! Ik heb genoeg in zijn brandewijn gedaan, om hem te doen slapen. Ik wenschte dat ik meer had gehad; dan zou ik u niet noodig gehad hebben. Maar kom, de achterdeur is open en daar ligt eene bijl. Zijne kamer is ook open. Ik zal u den weg wijzen. Ik zou het zelve wel gedaan hebben, maar mijne armen zijn zoo zwak. Kom!"
"Voor geen tien duizend werelden, missis," zeide Tom op vasten toon, stilstaande en haar terughoudende, terwijl zij hem wilde voorttrekken.
"Maar denk eens aan al die arme schepsels," zeide Cassy. "Wij zouden hen allen kunnen vrijlaten en ergens in de moerassen gaan en een eilandje opzoeken en daar verborgen leven. Ik heb gehoord dat zoo iets meer gedaan is. Alle ander leven is beter dan dit."
"Neen," antwoordde Tom, even vast. "Neen. Nooit komt er goed uit goddeloosheid. Ik zou liever mijne rechterhand afhakken."
"Dan zal ik het doen," zeide Cassy, zich omkeerende.
"O, miss Cassy," zeide Tom, zich voor haar neerwerpende, "om den wil van den lieven Heer, die voor u gestorven is, verkoop toch uwe kostbare ziel niet zoo aan den duivel! Niet dan kwaad zal er uit voortkomen. De Heere heeft ons niet tot wraak geroepen. Wij moeten lijden en Zijn tijd afwachten."
"Wachten!" zeide Cassy. "Heb ik niet gewacht? Gewacht tot mijn hoofd duizelig en mijn hart flauw is? Wat heeft hij mij niet doen lijden? Wat heeft hij honderden van arme schepsels doen lijden? Zuigt hij ook u dan het hartebloed niet uit? Ik word er toe geroepen! Zij roepen mij! Zijn tijd is nu gekomen en ik zal en moet zijn bloed hebben!"
"Neen, neen, neen!" zeide Tom, hare handen vasthoudende, die zij met stuipachtige kracht dichtkneep. "Neen, gij arme verdwaalde ziel, dat moet gij niet doen! De lieve, gezegende Heere heeft nooit bloed gestort, dan zijn eigen, en dat heeft Hij voor ons vergoten, toen wij Zijne vijanden waren. Heere, help ons uwe schreden te volgen en vijanden lief te hebben."
"Liefhebben!" zeide Cassy met een woest flikkerenden blik. "Zulke vijanden liefhebben! Daartoe zijn vleesch en bloed niet in staat!"
"Neen, die zijn het ook niet," antwoordde Tom omhoog ziende, "maar Hij geeft dat aan ons, en dat is de overwinning. Wanneer wij kunnen liefhebben en bidden voor allen en door alles, dan is de strijd voorbij en de overwinning gekomen—eere zij God!"
En met oogen vol tranen, daar de stem hem begaf, zag de zwarte man naar den hemel op.
En dit, o Afrika!—laatst geroepene van alle volken, geroepen tot de doornenkroon, de geeselroede, het bloedig zweet en het kruis van smarte—dit zal uwe overwinning zijn; hierdoor zult gij met Christus regeeren, wanneer Zijn koninkrijk op de aarde zal gekomen zijn!
Het vurige van Toms gevoel, de zachtheid zijner stem en zijne tranen bedaarden het woest opgewonden gemoed der ongelukkige vrouw. Er kwam een nevel van zachtheid voor het flikkerende vuur van hare oogen; zij zag voor zich neer, en Tom voelde hare hand hem omklemmen, toen zij tot hem zeide:
"Heb ik u niet gezegd, dat booze geesten mij volgden? O, vader Tom, ik kan niet bidden! Ik wenschte dat ik het kon. Ik heb nooit gebeden sedert mijne kinderen verkocht werden! Wat gij zegt moet wel zoo zijn—dat weet ik; maar als ik beproef te bidden, kan ik alleen haten en vloeken. Ik kan niet bidden."
"Arme ziel," zeide Tom medelijdend. "De satan begeert u te hebben, om u te ziften als de tarwe. Ik bid den Heere voor u. O, Miss Cassy, keer u naar den lieven Heere Jezus. Hij kwam om te genezen die gebroken van harte zijn, en om alle treurenden te troosten."
Cassy bleef stilstaan terwijl groote tranen uit hare neergeslagene oogen rolden.
"Miss Cassy," zeide Tom met zekere aarzeling in zijnen toon, nadat hij haar een poos had aangezien; "als gij maar hier vandaan kondt komen—als dat maar mogelijk was—dan zou ik u en Emmeline raden om het te doen, dat is, als gij het zonder bloedschuld doen kunt—anders niet."
"Zoudt gij het met ons beproeven, vader Tom?"
"Neen," antwoordde Tom. "Er is een tijd geweest dat ik het zou gedaan hebben, maar de Heere heeft mij een werk onder deze arme menschenzielen hier gegeven, en ik zal bij hen blijven en mijn kruis met hen dragen tot aan het einde. Met u is het anders—het is een valstrik voor u—het is meer dan gij wederstaan kunt, en het is beter dat gij gaat, als gij kunt."
"Ik weet geen weg dan door het graf," zeide Cassy. "Er is geen beest of vogel, of hij kan ergens schuilplaats vinden, zelfs de slangen en alligators hebben hunne plaatsen om te liggen en stil te zijn; maar voor ons is er geene plaats. In de diepste moerassen zullen hunne honden ons opjagen en vinden. Iedereen en alles is tegen ons, zelfs de beesten zijn tegen ons, waar willen wij dan henengaan?"
Tom zweeg een poos, eindelijk zeide hij:
"Hij, die Daniël in den leeuwenkuil bewaarde—die de jongelingen in den vurigen oven behield—Hij, die op de zee wandelde en de winden beval stil te zijn,—Hij leeft nog; en ik heb geloof om te hopen dat Hij u verlossen kan. Beproef het en ik zal met al mijne macht voor u bidden."
Door welke eene vreemde werking van den geest is het, dat een denkbeeld lang voorbijgezien en als een nutteloozen steen onder den voet getreden, eensklaps in een nieuw licht schittert, als een dan eerst ontdekte diamant?
Cassy had dikwijls uren lang over alle mogelijke plannen ter ontsnapping nagedacht en alle als hopeloos en onuitvoerbaar verworpen; maar op dat oogenblik kwam haar een plan voor den geest, zoo eenvoudig en uitvoerbaar in alle bijzonderheden, dat het haar terstond met hoop en moed vervulde.
"Vader Tom, ik zal het beproeven," zeide zij eensklaps.
"Amen!" zeide Tom. "De Heere helpe u!"