← Table of contents
De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis

III. Geslachtsnamen van allerlei oorsprong.

Reading edition

§ 108. In deze afdeeling zullen alle geslachtsnamen besproken worden, die niet van mansvóórnamen afgeleid, en niet van aardrijkskundigen oorsprong zijn; alle soorten van geslachtsnamen dus die niet in de beide voorgaande afdeelingen vermeld werden. Zy formen met elkanderen een zeer bont samenstel, wijl zy van zoo zeer verschillenden oorsprong zijn.

A. Geslachtsnamen aan de namen van ambten, bedryven, handwerken, enz. ontleend.

Sedert de opkomst der steden in de Nederlanden, sedert de opkomst tevens van den zoogenoemden derden stand, dien der burgers of poorters, kwamen ook de verschillende handwerken in bloei en eere. Handwerkslieden van allerlei soort, kooplieden die met allerlei verschillende waren handel dreven, zy die fynere kunsten uitoefenden en daar mede een bestaan vonden, vereenigden zich in gilden. Deze gilden hadden hunne eigene wetten. En die wetten, welke naar den strengen geest der middeleeuen, geenszins mild te noemen waren, zorgden er vooral voor dat slechts bekwame werklieden, of slechts zy die bewijs konden leveren hun bedrijf of nering of handel uit der mate wel te verstaan, in die gilden werden opgenomen. Daarenboven moest men een eerlijk man zijn, wel te naam en faam bekend, zoo men als gildebroeder zoude worden aangenomen. Het was dus voor den burger eene eere, broeder van dit of dat gilde te zijn, of door de hoofdlieden dier vereenigingen als meester in het eene of andere bedrijf te zijn erkend. Men voegde dan ook geerne den naam van zijn handwerk of bedrijf achter den eigenen persoonsnaam, het zy dan achter den enkelen vóórnaam, of achter vóór- en vadersnaam beiden; b. v. Claes Laeckenwever, of Claes Egbertse Laeckenwever; Symoen de Backer of Simon Henrickszoon de Backer. En in navolging van deze meesters-handwerkers of ambachtslieden, voegden geringere lieden, die het een of ander schameler bedrijf uitoefenden, en die niet in een gilde vereenigd waren, den naam van dat bedrijf ook wel achter hunnen eigennaam; b. v. Pierkin d’ Houtsaegher, Kaerle Ketelboeter. Dat de mannen die aanzienlike ambten, het zy in het wereldlike of in het geestelike bekleedden, of die wetenschappelike betrekkingen vervulden, nog meer dan de handwerkslieden en anderen de namen van hunne ambten en waardigheden achter hunne persoonsnamen voerden, ligt voor de hand: Hillebrant Drossaert, Seger Lievenszoon de Landtheer, Ryklof Proest (Proost), meester Aert Doctoor, enz. zijn zulke namen.

Al deze namen gingen later wel op de zonen en kleinzonen van de mannen die ze eerst gevoerd hadden, als vaste geslachtsnamen over, ook al oefenden dezen het voorvaderlik bedrijf, dat tot het dragen van die namen aanleiding gegeven had, niet meer uit. En zoo zijn honderden van die namen tot op onzen tijd als vaste geslachtsnamen in volle gebruik gebleven.

Het voeren van zulke namen, eerst als toenamen slechts voor eenen enkeling geldig, later ook als geslachtsnamen, klimt reeds tot vroeg in de middeleeuen op. In der daad, deze namen behooren, met de patronymika en de aardrijkskundige namen, tot de oudsten die in gebruik zijn gekomen. Ziet men de naamlijsten in van de poorters van deze of gene nederlandsche stad, in middeleeusche oorkonden ons bewaard, zoo zal men daar onder altijd zeer velen vinden, die toenamen, soms ook reeds ware geslachtsnamen dragen, aan de namen van handwerk, bedrijf of ambt ontleend. Deze zaak is overvloedig bekend aan allen die de geschiedenis der laatste middeleeuen beoefenen of kennen. En ook is het ontstaan van zulke namen, en het voorkomen er van als hedendaagsche geslachtsnamen zoo eenvoudig en geleidelik te verklaren, dat het wel geheel onnoodig is, voorbeelden uit middeleeusche geschriften dienaangaande, hier te vermelden.

Vele maagschapsnamen aan bedrijfsnamen ontleend, staan, als patronymika, in den tweeden naamval; b. v. Bakkers, Brouwers, Kuipers, Schoenmakers. In § 64 vindt men reeds een aantal dezer namen opgesomd en nader besproken. Zy eischen hier geene nadere toelichting.

Over het algemeen genomen, komen de geslachtsnamen aan bedrijfsnamen ontleend, in grooter aantal voor in de zuidelike, dan in de noordelike gewesten. Is de oorzaak hiervan te zoeken in de omstandigheid, dat reeds van ouds her de nyverheid, het handwerk en de kunst, meer in Zuid-Nederland bloeiden dan in het Noorden? Dat reeds in de middeleeuen deze zaken in het zuiden eene groote mate van bloei hadden bereikt, toen zy in de noordelike gewesten nog grootendeels sluimerden? Zulks komt my zeer waarschynelik voor. En dat velen dier zuid-nederlandsche maagschapsnamen, door de byzondere spelling waarin zy nu nog voorkomen, blyken geven van hoogen ouderdom, pleit, dunkt my, ook nog ten voordeele dezer opvatting. Zie hier eenigen van die byzondere zuid-nederlandsche namen: De Cupere, D’Huyvettere (dat is de leêrlooier), Harnisfeger, Raeymaecker (raey == raderen), De Saedelaer, De Scheemaeker, Schrynemaeckers, Selversmet, Swertvagher, Teegelbeckers, De Waepenaert, De Wannemaeker, enz.

§ 110. De eerste menschen waren jagers en visschers. Later werden hunne nazaten herders, en nog later landbouers. Maar het uitoefenen van handel en van handwerken kwam eerst nog veel later in zwang. Het is dus billik dat men, by ’t uitvoerig behandelen der geslachtsnamen aan menschelike bedryven ontleend, beginne met de namen van deze oudste bedryven.

Allereerst vermelden wy dan de geslachtsnamen Jager en De Jager, die nog al algemeen voorkomen. Een oud-nederlandsch woord voor jager is weiman; zoo ook noemde men de jacht wel het weispel. Nog hier en daar aan oude herbergen ten platten lande hangt »de Weiman” uit, in plaats van »De Jager”; b. v. te Santpoort in Kennemerland. Weiman komt ook als maagschapsnaam voor, even als Weyman, en in misspelling Wijman. Een ander oud woord voor jager is wildschut, overeenkomende met het hoogduitsche Schütz, Wildschütz. »De Wildschut” hangt nog, in stede van »de Jager”, uit aan een huis te Amsterdam, by de Munt. Als geslachtsnaam is Wildschut ook niet zeldzaam. Een andere maagschapsnaam met dit woord schut samengesteld, is Busschut, iemand beteekenende die schiet met eene bus of bos, het oud-nederlandsche woord voor schietgeweer, en dat overeenkomt met het hoogduitsche Büchse, waarvoor men in nieu-nederlandsch buks zegt. Reeds in 1511 vinden wy eenen burger van Leeuwarden, die den toenaam Busschut draagt. Een andere form van dezen zelfden naam is Bosschieter, als geslachtsnaam voorkomende. De maagschapsnamen Hazejager, Hoendervanger en Snepvangers behooren tot de jagernamen, zoo mede Vogelvanger, Vinkelaar, Finkeler en misschien het half verfranschte Vinqueleir (zie bl. 205), en Flapper. De drie voorlaatste namen komen overeen met het hoogduitsche woord Finkler, vinkevanger; terwijl in Friesland iemand die met een flapnet allerlei moeras- en veldgevogelte vangt, zoo als daar zeer gebruikelik is, een flapper wordt genoemd. De geslachtsnaam Flapper is dan ook in Friesland inheemsch. De maagschapsnamen Mollevanger en Kraaivanger met Craeyvanger zijn zeker meer namen voor wegvangers van schadelik gedierte, dan voor eigenlike jagers. De Valckenier en Valkenier, met De Valckenaer, Valkenaar, Valckenaar en Valckenaere behooren ook tot de jagernamen, even als Vogelaar, De Voghelaer, De Vogheleir en, in patronymikalen form, Veugelaers. Eindelik dient hier nog vermeld de maagschapsnaam De Strooper.

In ons waterrijk en aan zee gelegen Nederland overtreffen de visschers den jagers in aantal. En zoo zijn ook de geslachtsnamen Visscher met De Visscher, Visser, De Visser, De Visschere, De Vischere, Visker, Fisker en Vissers algemeener dan Jager en De Jager. Vooral in de friesche gewesten is deze algemeene bedrijfsnaam aan vele verschillende geslachten als maagschapsnaam eigen. Byzondere visschers vinden wy onder de geslachtsnamen weinig vertegenwoordigd. My zijn geene andere bekend dan Varkevisser, Botvanger, Botschuyver en Schelvisvanger. Waarschijnlik behooren Botman en Bottemanne (zie bl. 184) ook tot de visschersnamen. Eene byzondere wyze om bot te vangen, is in sommige oorden van ons vaderland gebruikelik, vooral op de slikkerige gronden buitendijks, in onze wadden, riviermonden en zeegaten. De visscherman schuift over die gevaarlike gronden met eene vlakke slede, de botsleê, in het Friesch kraite genoemd. Aan deze eigenaardige visschery is de maagschapsnaam Botschuyver ontleend. Een varkenvisscher is natuurlik niet een man die varkens, zwynen, vischt; maar iemand die bruinvisschen of zoogenoemde tuimelaars vangt. Deze vischvormige zoogdieren, die in grooten getale aan onze kusten en in onze wyde stroommondingen voorkomen, werden in vorige eeuen veel gevangen, en dienden onzen voorouders tot een welkom voedsel. Men noemde die dieren wel zeevarkens of meerzwynen. Nog heden zegt onze zeeman, als hy bruinvisschen en tuimelaars, volgens de gewoonte van die dieren in groote scharen vereenigd, al tuimelende en buitelende ziet voortzwemmen: »kijk! de boer met z’n varkens!” De Franschen noemen den tuimelaar ook marsouin. Dit is eene verwaalsching van het friesche woord mar-swiin, meer-zwijn. En naar deze zeevarkens draagt de varkenvisscher (Varkevisser) zynen naam. Visman is ook nog een visschersnaam, die door een geslacht van visscherliên op het eiland Tessel, als maagschapsnaam gevoerd wordt. Eindelik is nog de geslachtsnaam Commandeur aan de visschery ontleend. Immers »commandeur” was de titel van den hoofdman op eenen »groenlandsvaarder”, die oudtijds, en nog in d’ eerste helft van deze eeu, de walvischvangst in de IJszee bedreef.

Aan het veehoeders- en veehoudersbedrijf danken de geslachtsnamen Herder, De Herder, De Harder, Den Herder hunnen oorsprong. Zoo ook Schaper—dat is schaapherder; en Scheper met het patronymikale Schepers. Immers noemt men in onze saksische gewesten den schaapherder scheper. Het woord schaper of scheper is de nederlandsche weêrga van het hoogduitsche woord Schäfer. Volgens onze geslachtsnamen zijn de hoogduitsche schaapherders (geslachtsnamen Schäfer, Schäffer, Scheffer, Schäfers) talryker onder ons dan de nederlandsche schapers en schepers. Een tegenhanger van den schaper is, in taalkundig opzicht, de geiter, de geitehoeder. In de formen De Geyter en De Geetere komt dit oude woord nog als maagschapsnaam voor. Veeman, Schaepman met Schaapman en Koeman met Koemans en Coeymans, benevens De Schaepmeester en De Schaepdryver zijn eveneens namen aan het veehoudersbedrijf ontleend. Ook voeg ik hier nog by de maagschapsnamen Kalverboer en Bargeboer. Een »bargeboer” is een varkensboer; »baerch, barch” geldt tegenwoordig in Friesland als een woord voor varken in het algemeen. Oorspronkelik echter beteekent het slechts een gelubde beer of gesneden mannelik zwijn. Ook in menige andere gou van Nederland wordt zulk een dier berg genoemd. Zie blad. 132. Het woord geld of gild heeft, by dieren, ook de beteekenis van onvruchtbaar. Van daar het werkwoord gilden, een dier onvruchtbaar maken of lubben. En een gilder is iemand die van deze zaak zijn bedrijf maakt. In De Navorscher, dl. XXXII, bl. 338 vind ik de volgende aanteekening: »In Noord-Brabant onderscheidt men bergen van gilden. Berg is een gewezen beer; gild een gewezen zeug, niet waar? Ik heb in die provincie eene familie Gilders gekend, waarvan de mannelijke leden zich voornamelijk onledig hielden met het verkoopen van te mesten varkens en wat er toe behoort.” Dien ten gevolge dient de geslachtsnaam Gilders ook in deze afdeeling vermeld te worden. En eindelik mag de maagschapsnaam Melkman ook nog wel tot de veehoudersnamen geteld worden, even als De Kaesmaeker en De Caesemaeker met Waaiboer, Waiboer, Soepboer en Molkenboer. Den uitleg van deze namen vindt men op de twee volgende bladzyden.

Aan het landboubedrijf, zoo veel ryker aan byzondere onderdeelen dan het veehoudersbedrijf, zijn ook meer geslachtsnamen ontleend als aan de veehoudery. Behalven al de boeren (De Boer) en meyers (Meyer) mogen hier eerst genoemd worden de geslachtsnamen Landman, Bouwman en Bouman met Bouwknecht, De Zaayer, Zaayer en De Saeyere, Boonzajer, De Maeyer, Hooyer, Hooiman, Stroman, Akkerman, Ackermans, Havermans, Gerstman, Rogmans, en vele dergelyken. Tuinman, Hovenier en Hofman (met Hoffman, Hofmans, Hoffmann, enz.), Bloemist met Gardenier en Gerdenier behooren hier ook toe. Eindelik nog Pachter en De Pachter.

In vorige eeuen, tot in het begin van dit loopende jaarhonderd werden de boeren veelal »huislieden” genoemd; huysman, hûsman, vooral in Holland en Friesland. Van daar de geslachtsnamen Huisman, Huysman, Huysmans, Huesman, enz.

De geslachtsnamen Boer, De Boer, Den Boer zijn uit der mate talrijk, voornamelik in de noordelike gewesten, en in de friesche gouen wel het meest. Boers en Boeren met Boere, (misschien ook de verfranschte (?) formen Boursse en Bource?), als oneigenlike vadersnamen, komen ook voor. En de namen Boerman (met Buhrman) en Boermans reken ik hier ook toe, even als, in sommige gevallen, de friesche geslachtsnamen Boerema, Boerma, Boersma, Boersema.—Boering kan een patronymikon zijn van de soort die in § 31 is vermeld. Echter kan in deze laatstgenoemde friesche namen ook de oude mansvóórnaam Boere, Bure, Bore schuilen; zie bl. 79 en 187. In verkleinform komt het woord boer ook al als geslachtsnaam voor; in Friesland als Boerke, in Holland als Boertje.

Talrijk zijn ook de samengestelde geslachtsnamen die men van het woord boer heeft geformd, door er het eene of andere woord, als tot nadere aanduiding, by te voegen; b. v. Veenboer, Heyboer (heideboer), Hooiboer, Strooboer, Bravenboer, Rijckeboer, Turfboer, Biesboer, Wortelboer en Worteleboer, Jongeboer, Polderboer, Mooyboer, enz. Allen namen, die geene nadere verklaring noodig hebben. Waaiboer, met Waiboer, Molkenboer en Soepboer zijn naverwante namen. Molken is een oud-nederlandsch woord (Kiliaan vermeldt het als byzonder-geldersch) voor zuivel in het algemeen. Als zoodanig zou de Molkenboer by den Veeman en den Melkman, op bl. 301 genoemd moeten zijn. Zoo ook de Waaiboer en de Soepboer, wier samen men in § 140 nader verklaard vindt.

Iemand die nieu op eene boerenhoeve komt wonen, of iemand die eene nieu geboude en nieu ingerichte boereplaats betrekt, noemt het volk, althans in Friesland nog heden, de nieuboer, de nyboer. Aan die benaming danken de geslachtsnamen Nieuwboer, Nieuweboer, Nyboer en ook Niebuhr hun ontstaan. Grooteboer en Lutjeboer formen elkanders weêrga; lutje, lutke, overeenkomende met het friesche woord lîts, het engelsche little, enz. is friso-saksisch voor klein, en nog in onze noordoostelike gouen en de noordwestelikste van Duitschland in gebruik. By den naam van menige plaats in onze friesche gewesten gelegen, komt het nog voor; b. v. Lutje-Broek in noordelik Noord-Holland, Lutke-Wierum in Friesland, Lutje-Gast in Groningerland, Lutje-Wolde in Oost-Friesland, enz.—Sommige boerderyen zijn in oude tyden het byzonder eigendom van kloosters geweest, en anderen zijn wel opgericht ter plaatse waar vroeger een klooster stond. Zulke boerderyen dragen dan nog heden wel den naam van »de Kloosterhoeve” of »de Kloosterplaats,” en de boer die er woont, wordt nog wel »de Kloosterboer” genoemd. Deze toenaam is ook een vaste geslachtsnaam geworden: Kloosterboer. En deze naam werd als zoodanig in 1844 nog gevoerd door den boer die op de Kloosterplaats woonde te Heiligerlee in het Oldambt, ter plaatse waar vroeger een klooster van Norbertyner nonnen stond, tevens de plaats waar in 1568 onze voorouders eene roemryke overwinning behaalden op den spaanschen dwingeland.—De geslachtsnaam Ledeboer is zoowel in de Nederlanden als in Duitschland (als Ledebur en zelfs Von Ledebur), eigen aan verschillende geslachten. Dezen naam weet ik niet met zekerheid te verklaren. De maagschaps-overlevering en het volksverhaal geeft er dezen uitleg van. Een ryke vader, die onder anderen ook vele boerderyen bezat, door pachters bewoond, verdeelde op zijn sterfbed zyne nalatenschap onder zyne zonen, en gaf tevens aan ieder hunner eene aanwyzing welk gedeelte van het bestuur over de boerderyen hy in het vervolg in het byzonder vervullen moest. Zoo zeide die vader ook tot eenen zyner zonen: »lede Du den Buren!” leid Gy de boeren! (de man sprak nederduitsch). En dit bevel was oorzaak dat die zoon in het vervolg den toenaam kreeg van Ledebur of Ledeboer. Volgens deze overlevering zou Ledeboer eigenlik »Boere-leider” beteekenen. Vilmar in zijn Deutsches Namenbüchlein (Frankfurt a/M. 1863), bl. 22, schrijft: »Ledebur (Bauer auf der Lede, d. i. Heide).” Deze afleiding kan ik niet aannemen.—Holsboer kan ik anders niet verklaren als door aan te nemen dat deze naam eene nederlandsche verbastering zy van eenen hoogduitschen naam Holzbauer, die in der daad voorkomt.—In de middeleeuen richtte men op uitgestrekte landgoederen wel groote, van kelders en zolders wel voorziene, ook dikwijls met wallen en torens versterkte en bevestigde gebouen op, om daarin het graan en andere landelike voortbrengselen veilig te kunnen bewaren. Zulke bergplaatsen droegen den naam van »het Spycker”, een bastaardwoord van het latynsche spicarium. Dit woord »spyker” komt nog heden wel als plaatsnaam voor; b. v. het geldersch Spyker, by Arnhem, en het dorp Spyker in Fransch-Vlaanderen, by Duinkerke. Ook maakt het, naar myne meening, deel uit van den geslachtsnaam Spykerboer. Deze naam zal oorspronkelik dus de toenaam geweest zijn van eenen boer, die in, of naby zulk een spyker woonde, of er het opzicht over had.—Ook plaatsnamen maken wel deel uit van geslachtsnamen met boer samengesteld. Velserboer en Beemsterboer namelik zijn afgeleid van de plaatsnamen Velsen, een dorp, en de Beemster, een polder, beiden in Noord-Holland.—De Wilde Boer is van ouds, o. a. te Haarlem en Amsterdam, een huisnaam, een gevelteeken geweest; daarvan is de geslachtsnaam Wildeboer ontleend. Blaauboer, Witteboer en Dubbelboer zijn my moeielik te verklaren. Met Meereboer, Ongerboer, Pinksterboer, Segboer en Traanboer weet ik in het geheel geen weg. De maagschapsnaam Hatenboer zal wel tot de aardrijkskundige namen behooren, en ontleend zijn aan den naam van het gehucht Hateboer, by Roermond.

De meier-namen formen de weêrga van de boer-namen. Immers het woord meier, al heeft het ook verschillende andere beteekenissen, moet, waar het op zich zelven of als samenstellend deel, geslachtsnamen uitmaakt, wel opgevat worden als pachter, boer. In dien zin is het nog heden ten dage in eenige nederlandsche gewesten in gebruik; b. v. in Groningerland, even als ook in de aangrenzende duitsche gouen, vooral van Westfalen, meer byzonder van Munsterland. En juist uit Munsterland, dat reeds van ouds her steeds zoo velen zyner zonen naar de Nederlanden zendt, zijn ons de meesten dezer meiernamen toegekomen. Behalven de enkelvoudige namen Meyer, Meier en De Meier met De Meyere in zuid-nederlandschen form, die geenszins zeldzaam zijn, is het getal der geslachtsnamen met meier (in verschillende spellingen met ei en ey) samengesteld, zeer groot. Zie hier een twaalftal uit die honderden: Bichelmeier, Bredemeier, Brenninckmeier, Bodemeier, Gravemeyer, Kolkmeyer, Krusemeyer, Langemeier, Leidelmeier, Lindemeyer, Tielkemeyer, Winkelmeyer. Van velen dezer namen, zoo mede van Brockmeier, Poolmeyer, Bruggemeyer, Johanningmeyer, Rootmeyer, enz. is de oorsprong gemakkelik na te gaan en de beteekenis te verklaren. Nieuwmeyer, met Nymeyer, Neumeier, Numeyer, Niemeier, is de tegenhanger van Nieuwboer, Nyboer, enz. op bl. 302 besproken, en heeft met dien naam den zelfden oorsprong. Zoo ook Grootmeyer en Greutemeyer met Grooteboer; Luttikmeyer met Lutjeboer; Kloostermeier met Kloosterboer, enz. Een groot aantal dezer meier-namen vindt men opgenoemd in De Navorscher, deel XIX, bl. 44 en 204.

Een paar byzondere meier-namen mogen hier nog nader verklaard worden. In De Navorscher, dl. XXIX, bl. 30, schreef ik: »Dezen zomer (1878) in zekere landstreek van ’t noordelike Westfalen vertoevende, noemde een ingezetene van die streek my verschillende meier-namen op, terwijl hy my de meieryen of landhoeven, waar die namen aan verbonden zijn, aanwees: dort wohnt der Brüggemeier, dort der Niermeier, da der Obermeier, hier der Erlenmeier, enz. Ten slotte nog: und da wohnt der Dreckmeier. By dezen laatsten naam, die ook in Nederland als geslachtsnaam voorkomt, moest ik glimlachen, wijl ik dacht dat hy zoo juist paste aan eenen westfaalschen boer, die gewoonlik zoo morsig is en vuil, als wy ons dat hier te lande gelukkig haast niet voorstellen kunnen. Mijn lachen bemerkende, voegde mijn geleider my toe: Gy lacht wel om dien Dreckmeier? Dat is oorspronkelik niet Dreckmeier maar Dree-eek-meier. Zie maar! daar staan ook dree eeken (westfaalsch-nederduitsch voor drie eiken) by ’t huis!—En zoo was het in der daad. In die drie eeuen-oude eiken is de oorsprong van den naam Dreckmeier te vinden.”

Wien het vreemd moge schynen dat dree-eek tot dreck, drek, en niet tot dreek samengetrokken zy, dien maak ik opmerkzaam dat ook in andere nederduitsche gouspraken en tongvallen deze zelfde verbastering van den tweeklank ei of ee tot onvolkomene e (ek) voorkomt, en wel in dit zelfde woord. Zoo heet de eikenboom te Leeuwarden, even als in Westfalen: eek; men spreekt te Leeuwarden van eekenhout, eekene planken, ’n eekenhoutene kiste. Wat in Holland een runmolen heet, noemt men te Leeuwarden een eekmöln. En als een Leeuwarder ergens komt waar eikenhout in voorraad ligt of verwerkt wordt, dan zeit hy wel: »it ruukt hier eekerich.” Toch heet de eikel, de vrucht van den eek, te Leeuwarden niet eekel, zoo als het zijn moest in overeenstemming met het hollandsche eikel en het hoogduitsche eichel, maar ekkel. Ekkelspek, spek van zwynen die met eikels gemest zijn, houdt men er voor het beste; en aan klierachtige kinderen geeft men daar ekkelkoffi te drinken. Deze naam van de vrucht heeft men er ook weêr terug gebracht op den eek of eikenboom zelven; van daar de geslachtsnaam Ekkelboom, te Leeuwarden. Tegenhangers van den naam Dreckmeier, van de westfaalsche dree eeken, zijn de geslachtsnaam Vijf-eeken (die zekerlik zynen oorsprong dankt aan vijf eiken die by ’t huis van den man stonden, welke eerst dezen toenaam droeg), de plaatsnaam Seveneecke, zoo als een dorp heet in Oost-Vlaanderen, en de engelsche geslachtsnaam Sevenoake.

Uit den geslachtsnaam Wedemeyer (ook komt Wehdemeier voor) is eene m verloren gegaan, in het schryven. In het spreken immers maakt het geen onderscheid of men Wedemeier dan wel Wedemmeyer zegge. De wedemmeier is de boer die op de hoeve woont welke tot de wedeme behoort, of die op de wedem zelve woont, zoo deze eene boerehoeve is. Wedeme, wedem, ook versleten tot weême, is de oude naam (oud-saksisch en oud-friesch withum, dat is: wijddom, het gewyde) dien men hier en daar in de friesche en saksische gewesten van Nederland en Duitschland nog geeft aan de pastory, aan het huis dat tot de kerk of aan de kerkelike gemeente behoort, en tot woning van den geestelike dient. De wedemhoeve wordt tegenwoordig in het nederlandsche Friesland ook wel »de pastory-plaats” genoemd. De weeme zelve is hier en daar ook wel eene boerdery, die dan door eenen pachter of meier, de wedemmeier, wordt bemeierd. Van die pachtpenningen, of anderszins uit de opbrengst der boerdery leeft dan de geestelike. Zoo was het oudtijds in vele dorpen van de noordoostelike Nederlanden en van noordwestelik Duitschland, en zoo is het daar nog wel. Ook in de friesche geslachtsnamen Wymstra en Weemstra (dat is gelyk aan Van der Weeme—zie bl. 264), vind ik dit oude woord terug.

§ 111. De tegenhanger van den landman is de zeeman; de schipper is de weêrga van den boer, zooals de jager is van den visscher. In ons waterrijk, langs zee zich uitstrekkend vaderland zijn er natuurliker wyze vele zeelieden en schippers, en de woorden die hun stand en bedrijf aanduiden, vinden wy in de geslachtsnamen terug. Zie hier eenigen van die geslachtsnamen, die geene verklaring eischen. In d’ eerste plaats Zeeman, en dan Schipper met het patronymikale Schippers. Verder het patronymikale Zeevaarders, met Schipman, Koffeman, Buisman en Buysman met Buismans (de schipper van eene haringbuis), Stuurman, Schieman, Bootsman en Bootsgezel, Matroos en Schuitevoerder. Of de maagschapsnaam Kapitein, met Kapteyn en Capiteyn, van eenen zeeman of van eenen krijchsman, die ja beiden dezen titel voeren, afkomstig zy, moet ik hier in het midden laten. De geslachtsnamen De Reeder, Loots en Tonneboeyer zijn ook al aan het zeemansbedrijf ontleend. En eveneens Kaper. De geslachtsnaam Schuiteboer, of liever het bedrijf waaraan deze naam ontleend is, formt als het ware eenen overgang van den schipper tot den boer. In Friesland wordt de man die binnenlands vracht vaart, gewoonlik met een klein vaartuich turf uit de venen of zand uit »de wouden” naar de steden voert, en van daar stratendrek of andere meststof terug brengt naar heiden en venen, »skuteboer” genoemd. Dit woord vinden wy terug in den geslachtsnaam Schuiteboer, in de friesche gouen inheemsch. Ook de maagschapsnamen Veerman en De Veirman behooren in deze afdeeling. En naar myne meening is dit ook het geval met den geslachtsnaam Schuttevaer. Immers meen ik dezen naam te moeten houden voor eene verbastering van het oud-nederlandsche woord Scutevarer, schuitevaarder, of, in het Friesch skutefarjer. Dit woord komt herhaalde malen voor als toenaam van burgers der stad Leeuwarden, in het begin der 16de eeu. Immers vinden wy in het Register van den Aanbreng van 1511, dl. I, onder de leeuwarder burgery opgenoemd eenen Claes Scuteferger (bl. 4), Hilcke Scutefergier (bl. 5), Upke Scutefergier (bl. 13), Jetthie Scutefergier (bl. 13), Herman Scuteferger (bl. 27), enz. In der daad merkweerdig is het dat de geslachtsnaam Schuttevaer eigen is aan eenen man die zich aan het hoofd stelde der binnenschippers of schuitevaarders (skutefarjers), en met hen eene vereeniging stichtte tot heil der binnenscheepvaart, welke vereeniging ook zynen naam draagt.

§ 112. Van de geslachtsnamen die aan het bedrijf der handwerkslieden ontleend zijn, zal ik er hier slechts eenige weinigen kunnen opnoemen van het overgroote aantal dat er bestaat, en zoo menigvuldig voorkomt in alle nederlandsche gewesten.

De timmerlieden mogen de ry openen, met de maagschapsnamen Timmerman, Temmerman, De Timmerman, De Temmerman, en als patronymikon Timmermans. Het hoogduitsche Zimmermann en het fransche Carpentier zijn als geslachtsnamen in Nederland ook niet byzonder zeldzaam.

Nevens de eigenlike timmerlieden behooren ook de kastemakers of schrijnwerkers, de scheepstimmerlieden, de wagenmakers, en eenige anderen tot dit gilde. Aan hunne bedryven zijn de volgende geslachtsnamen ontleend: Schrynemaeckers en Schryner, Kistemaker, Kistemaecker en Kistemaeckers, Schuitemaker en Schuitmaker, Scheepmaker, Mastenmaker, Breeuwer en Breeuwers. Het bedrijf der wagenmakers vooral heeft aan vele geslachtsnamen oorsprong gegeven. Vooreerst aan Wagenaar met de byformen Wagenaer, De Wagenaere, Wagenaere, De Wageneire, Wegenaar, Wegener, en de meer hoogduitsche formen Wagner en Wegner. Dan aan De Waegemaecker en Swagemakers (zie bl. 184) en aan Stelmaker; want zóó wordt in onze noordoostelike gewesten de wagenmaker genoemd, even als in het Hoogduitsch Stellmacher. Ploegmakers en De Baeremaecker behooren er ook toe, even als Molenmaker, Wielmaker, Rademaker, Raeymaeckers, De Raeymaker, enz.; en Leestemaker kan men er ook toe brengen. Ten slotte nog Drayer, De Saegher, misschien ook Zaagmans, en Houtzager, Houtzagers, Houtsaegher, Holtsager, enz. De kuipers kan men ook nog tot de timmerlui rekenen. Van hun bedrijf hebben wy de geslachtsnamen Kuiper, Kuyper, De Cuyper, De Cuypere, De Cupere, Cuyper, de verlatynschte formen Cuperus en Couperus, met de oneigenlike vadersnamen Kuipers, Kuypers, Cuypers, Küppers, Cuperi, Couperi, enz.

Zeer talrijk zijn ook de namen der smeden onder de geslachtsnamen vertegenwoordigd. Vooreerst het eenvoudige woord smid, in allerlei formen, als Smid, Smit, Smitt, Smidt, Smet, Smedt, De Smet, De Smedt, ook in patronymikalen form: Smits, Smidts, Smedes, Smidtz, en in hoogduitsche en engelsche formen: Schmidt, Smith, enz. En dan de samengestelde namen Ankersmit, Kopersmit, Walsmit, Hoefsmit, Beylsmit en Beilschmidt, Koelensmid, met de hoogduitsche Guthschmidt en Kleinschmit, en in verkleinform Smidje. Ook Slotemaker. Den naam Broeksmit weet ik niet te verklaren, ten zy men hem als eene schertsende benaming voor kleêrmaker wou opvatten—gelijk iemand, die dezen naam droeg, my verzekerde dat het geval is. Men zoude ook kunnen denken aan eenen smid, die in eene der talryke, »het Broek” (het moeras) genoemde streken woonde. De wapensmeden behooren ook tot het smidsgilde; aan hun bedrijf zijn de namen Zwaardemaker, Bussemaker en Bosgieter (bus, bos is de oud-nederlandsche form die met het hoogduitsche bücks overeenstemt, en in eenigen onzer gewesten nog in gebruike is; in Holland zegt men buks, dat zonder verandering van de Hoogduitschers is overgenomen; zie ook bl. 298). Verder De Mesmaecker (met de patronymikale formen Messemaeckers en Smessemaeckers, zie bl. 184), Swertvagher en Harnisfeger.—Zilversmit en Selversmet, Goudsmit en Goldsmit behooren al mede hier toe. En dan nog Silvergieter, Blikslager (misschien ook Blikman), Ketelaer en De Ketelaere, met Ketellapper, Ketelbueters en Panneboeter. Zoo mede Tingieter, Potgieter, Kannegieter, met den hoogduitschen form Kannengiesser, enz.

De handwerkslieden die ons spyze en drank bereiden, zijn de bakkers, de koks, de slachters, de brouers, enz. Aan hun bedrijf zijn talryke geslachtsnamen ontleend, die ook grootendeels veelvuldig voorkomen, en aan vele verschillende maagschappen eigen zijn. B. v. Bakker, Backer, De Bakker, De Backer, in verlatynschten form Bakkerus, en als patronymikon Bakkers. Sommige oude Nederlanders zeiden ook baken en baker met opene a, in plaats van het hedendaagsche bakken en bakker. Zoo deden ook de oude Friesen, die den bakker batser (ba-tser; ts == k) noemden; de zeventiende-eeusche Gysbert Japicx schrijft baetsir. Het Engelsch heeft nog heden ten dage dit woord als baker. Die oud-nederlandsche form leeft nog in de geslachtsnamen Baker, De Baker en De Baecker, met Baekers als patronymikon. Men heeft by deze namen, die klaarblykelik van oude dagteekening zijn, natuurlik geenszins te denken aan het hedendaagsch-hollandsche woord baker (de Friesen zeggen naukeuriger baekster) voor kraamwaarster, friesch: kreamwarster of kreamheinster. De geslachtsnamen Bekker, Becker, De Becker en Beckers komen ook menigvuldig onder ons voor. Zy beteekenen bakker, en zijn van hoogduitschen oorsprong. Byzondere bakkers worden nog aangeduid door de geslachtsnamen Bollebakker (bolle wordt in Friesland gezeid voor wittebrood), Bonebakker, Koekebakker en Wafelbakker.

Het bedrijf van den slachter heeft de volgende maagschapsnamen doen ontstaan: Slager en Slagter, Vleeschhouwer (zie bl. 320), Beenhouwer en Beenhakker. De namen Vleesman (met den hoogduitschen, ook hier te lande voorkomenden form Fleischmann) en Spekman zijn hier zeker ook toe te rekenen. Misschien ook de anders wel wat zonderlinge namen Van der Spek en Van der Ham.

De Nederlanders zijn van ouds her liefhebbers geweest van »eene goede teuge biers,” en het getal bierbrouers was in vorige eeuen onder de nederlandsche burgery steeds zeer aanzienlik. Geen wonder dan ook dat de geslachtsnamen Brouwer, Brouer, De Brouwer, De Brauwer en De Brauwere zoo veelvuldig onder ons voorkomen. Verlatynscht als Brouerius en in patronymikalen form als Brouwers, komt deze naam ook voor. Hoppenbrouwer met Hoppenbrouwers behooren eveneens tot dit gilde. Eene byzondere soort van bier, reeds in de middeleeuen bekend, gelijk nog heden in sommige streken van de Nederlanden, b. v. in Limburg, draagt den naam van kuit, kuyt, koit. Van daar de geslachtsnaam Kuytenbrouwer. De moutmaker (geslachtsnamen Moltmaker en Smoutmaeckers—met voorgevoegde s, zie bl. 184) behoort ook tot het brouersgild. De bierhandelaar draagt den byzonderen naam van biersteker, en deze naam is als Biersteker, Bierstekers en (half saksisch, half hoogduitsch) Beerstecher tot geslachtsnaam geworden. Bierman behoort hier ook by.

In de middeleeuen, en eer de kunst van kousenbreiden (die van betrekkelik jonge dagteekening is) uitgevonden was, sneed en naaide men de kousen van leer of laken of andere stof, even als andere kleederen. En de kousemakers formden toen eene byzondere afdeeling van het kleêrmakersgilde. Aan hun bedrijf zijn ontleend de geslachtsnamen Kousmaker, Kousemaker, De Kausemaeker, De Coussemaeker, De Coussemaecker, De Causmaeker; zoo ook Cousseschepper.

Hoedemaker en De Hoedemaker komen, vreemd genoeg, slechts zeldzaam als geslachtsnamen voor. En nog zeldzamer is De Capmaker. De schoenmakers daarentegen zijn zeer talrijk vertegenwoordigd, als Schoemaeker, Schoemaker, Schoenmaker, Schoemakers, Schomaker, enz. Ook de hoogduitsche formen Schuhmacher, enz. zijn geenszins zeldzaam in Nederland. In het Latyn heet de schoenmaker sutor. Dit latynsche woord is in de germaansche talen overgegaan; b. v. in het Oud-Engelsch als sooter en in het Oud-Duitsch als suter. Men zeide ook schuh-suter; het hedendaagsch hoogduitsche woord schuster is daar van eene samentrekking. De oude Nederlanders, vooral in de vlaamsche gewesten, verbasterden het latynsche sutor eveneens tot suter, en zetten er dan ook wel hun woord schoe, schoen, nog voor. Ook verbasterden zy dit suter nog wel verder tot sutter, zelfs tot sitter en setter. Van daar de meest in Vlaanderen en Brabant inheemsche geslachtsnamen De Sutter, De Suttere, De Zutter, De Zuttere, De Sittere, De Sitter, De Zetter, Schoesitter, Schoesetters, enz.—By den schoenmaker behoort nog de man, wiens handwerk wordt aangeduid door den geslachtsnaam Klompmaker.

Het bedrijf van den pottebakker (de man heet, meen ik, tegenwoordig »fabrikant in aardewerk”) gaf oorsprong aan de geslachtsnamen Pottebakker, Pannebakker, Panbakker, Potter, De Potter, De Pottere, en, als patronymikon Potters. Potjer en Panjer zijn in Groningerland inheemsch, en volgens het friso-saksische taaleigen geformd; zie § 153. Des steenbakkersbedrijf vindt men in de maagschapsnamen Tichelaar, Tigchelaar, Tiggelaar en Steenbakker. De hoogduitsche form van dezen naam, Ziegler en Ziegeler is mede niet zeldzaam hier te lande, en komt ook, half-verdietscht, als Ziegelaar voor. Zoo de geslachtsnamen Bicker en Bikker aan den steenbikker zijn ontleend (en ik zoude niet weten wat zy anders kunnen beteekenen), dan worden zy gevoegelikst te dezer plaatse vermeld. De tegelbakker behoort ook tot dit gilde; in den patronymikalen geslachtsnaam Teegelbeckers vindt men zijn kunstmatig handwerk genoemd. De looier draagt, vooral in de zuidelike gewesten, nog wel den oud-nederlandschen naam van huidevetter. In vele vlaamsche steden vindt men nog eene Huyvettersstraet of een Huidevettersplaats. Aan dit woord danken de maagschapsnamen Huyvetter, D’Huivetter, D’Huyvettere en D’Huvettere, in Vlaanderen inheemsch, hunnen oorsprong. In Holland is deze naam, door samensmelting der d van het lidwoord aan het hoofdwoord, en door uitslyting der h, tot Duyvetter geworden. De hollandsche geslachtsnaam De Looyer is de weêrgade van den vlaamschen Huyvetter. De kaarsemakers vinden wy weêr meest in de zuidelike gewesten, onder de maagschapsnamen Keersemaeker, De Keersmaeker, De Kersmaeker, Kersemakers, Keersmaekers, Keersgieter, enz. Ook de geslachtsnamen aan het zadelmakersbedrijf ontleend, zijn meest in Zuid-Nederland inheemsch. De zadelmaker draagt daar ook wel den naam van zadelaar, overeenkomstig den hoogduitschen form sattler. En van dezen byzonderen form zijn de maagschapsnamen De Sadelaer, De Sadeleer, De Saedeleer, De Zadeleer en het half verfranschte De Sadelaire met het patronymikale Saelmaekers afgeleid. Andere werklieden in leder zijn nog vertegenwoordigd door de geslachtsnamen De Leersnyder met De Leersnydere, Riemsnyder, Teschemaker (tasschenmaker) en De Scheemaeker. De naam Touwslager eischt geene verklaring, maar Lijnslager, Seeldrayers, Reepmaker wel. Dit zijn oude, byzondere benamingen voor den touslager. Eene andere oude naam van dien handwerksman is Reepslager; van daar nog de Reepslagersbaan (Reepschlägersbahn), eene straat te Hamburg in St. Pauli. Een reep is een plat gevlochten tou. Ten slotte moeten in deze groep nog vermeld worden de geslachtsnamen Wever en De Wever, met het patronymikale Wevers en het hoogduitsche Weber dat vry algemeen is; Zeilmaker en Zeylemaker, met de latynsche formen Velius en Carbasius; Wolkammer, Boendermaker, Verwer, Mandemaker en Korfker (zie § 153), De Wannemaeker, Stoelwinder, Tabakspinder, Zeper, enz. Waarschijnlik behooren de namen Corver en Korver ook te dezer plaatse, als beteekenende korfmaker. Het woord zeepzieder is in het Oud-Friesch sieper (sjiëper), weêr verhollandscht tot zeper. Nog heden wordt deze geslachtsnaam (Zeper) door eenen zeepzieder te Leeuwarden gevoerd, gelijk reeds door zyne voorvaderen, van ouder tot voorouder eveneens geschiedde.

De fynere kunsten zijn vertegenwoordigd in de maagschapsnamen Beeldsnyder, Schilder, Houtsnyder en Holtsnyder, De Munter, Graveur, Drukker en Drucker, Schryver en Schriever, De Schryver, Landmeter, De Landmeter, en, als patronymikon Landmeeters; verder Sanger en De Zanger, Muzykant, Speelman (de oud-nederlandsche benaming van den muzikant), Trompetter, Bonger (zie bl. 292), Pyper en de hoogduitsche formen Pfeiffer, Pheiffer, Feifer, en de daarvan verbasterde formen De Feifer, De Vijver, enz.

§ 115. Een groot aantal andere bedryven en kostwinningen zijn er nog, die men tot de eigenlike handwerken of ambachten niet rekenen kan, en evenmin tot den handel. Ook de namen van zulke bedryven zijn tot geslachtsnamen geworden voor de nakomelingen der mannen, welke die kostwinningen in hunnen tijd uitoefenden, en daar naar toenamen verkregen. Zie hier eenigen van deze maagschapsnamen: De Waard en De Weerdt met Casteleyn, Kastelein en Hospes; Tapper, Wijnschenk en Bierschenk. De geslachtsnaam Kruger behoort hier ook; hy is van hoogduitschen oorsprong en beduidt: kroeg- of tappery-houder. Bleeker, De Bleeker en De Bleeckere, De Mangelaere, en misschien ook Wasman, behooren by elkanderen. Verder Barbier en Barbiers, Scheerder, Pruikemaker en Kapper; ook Uitdrager, Colenbrander en Loteryman. Vrouen, die waarzeggen (kaartleggen, handkyken, koffidikkyken) zijn er nog in alle nederlandsche steden. Oudtijds oefenden ook wel mannen dat bedrijf uit; voor een vijf-en-twintig-tal jaren heb ik er nog eenen gekend te ’s-Gravenhage. Aan dat bedrijf zijn de maagschapsnamen Waersegger en Waersegers ontleend. De geslachtsnamen De Gidts en Lijdsman (Leidsman?), Tolk, Voerman, Reisiger, Reiser en Reizer, De Bo, De Boo, De Boodt, Bode en Boode behooren ook by elkanderen. Denkelik ook Minnebo (Minnebode? de dietsche weêrga van den franschen Postillon d’amour?) en Slotboo (de bode van het slot, van het kasteel?).

Tollenaar en Tollner doen denken aan den tijd toen de steden nog tol eischten van den invoer en uitvoer van allerlei waren, en de tollenaars aan de poorten gezeten, dien tol moesten innen. Het hoogduitsche Zöllner komt ook by ons voor, en ik houd de geslachtsnamen Tullenaar, Tullener en Tullner, met de patronymikale formen daarvan, Tulleners, Tulners, voor halve verdietschingen van dien naam. De Roover is ook een byzondere naam, van duidelike beteekenis. Dat de geslachtsnamen Rovers en Roovers echter als vadersnamen van het woord roover te beschouen zouden zijn, wil ik geenszins beweren. Ter verklaring van dezen naam denk ik liever aan den oud-germaanschen mansvóórnaam Hrodfrid, Rodfried. Even als het patronymikon Govers van den mansvóórnaam Govert komt en deze naam weer eene verslyting is van den vollen form Godfried, zoo komt ook Rovers van Rovert, Rodfried. De oud-germaansche naam Hrodfrid, Rodfried is in Förstemann’s Altdeutsches Namenbuch te vinden, ook in den afgesletenen form Rofred; van Rofred tot Rovert is slechts één stap, niet meer als een zeer gewone letterkeer.—Zeer byzonder, en tevens duidelik, is ook de geslachtsnaam Ziekenoppasser.

Tot de lagere standen der maatschappy afdalende, vinden wy de geslachtsnamen Keetbaas, Den Heyer, Werkman, Sjouwerman, Daggelder, Pakkedrager, Lastdrager, Bierdrager, Drager, Kruyer en Bezorger, Karreman (en, in limburgschen form, als patronymikon Kerremans), Poerstamper (poederstamper, waarschijnlik een werkman in eenen kruitmolen, of een apothekersknecht), Vischschraper enz. aan het werk dier klasse ontleend. Dan volgen nog de geslachtsnamen Baggerman, Modderman en Aschman. De geslachtsnamen Asman en Asmans acht ik niet afkomstig van het bedrijf des mans die asch aan de huizen in ontvangst neemt. In Asman, enz. zie ik liever, met Förstemann, volgens diens Altdeutsches Namenbuch, een oud-germaansche mansvóórnaam, de zelfde waar aan ook de naam van het stadje Assmannshausen aan den Rijn zynen oorsprong dankt. De hedendaagsche Hollanders doen het niet meer, maar de oude Nederlanders in het algemeen onderscheidden wel degelik zeer scherp in hunne uitspraak tusschen asch en as. De hedendaagsche Friesen en Vlamingen doen het nog.

De bedelaar staat op den laagsten trap der samenleving. Aan het woord schooien, nog eene verscherpte uitdrukking voor bedelen, zal wel de geslachtsnaam Schoyer ontleend zijn. Zonderling dat iemand daar ooit vrede meê kon hebben, vrywillig zulk eenen geslachtsnaam aan te nemen of te dragen.

Ten slotte moet ik hier nog, als zeer zonderling, vermelden den geslachtsnaam Kussendrager; en niet minder is dit de geslachtsnaam Tafelkruier, waar ik geenen redeliken oorsprong voor vinden kan. Hoendervoogt en Pluimgraaf, Keukenmeester en Keukenschryver mogen ook wel tot de zonderlinge geslachtsnamen van deze groep gerekend worden, al zijn ze juist niet onverklaarbaar.

§ 116. Maagschapsnamen, aan het bedrijf der kooplieden ontleend, zijn de volgenden. In de eerste plaats het eenvoudige Koopman, Coopman, De Coopman; als vadersnamen Koopmans en Coopmans. Oudtijds zeide men wel, by uitslyting der letter p, cooman in plaats van koopman, en nog meer verbasterd, coomen, gelijk men ook van coomeny sprak in plaats van koopmanny of koopmanschap. Uit de geslachtsnamen De Cooman, Coomen, Koomen en Komen blijkt nog deze oude verbastering. De hoogduitsche en fransche formen Kaufmann en Marchand ontbreken natuurlik ook niet onder onze geslachtsnamen. Verder behooren nog tot deze groep de maagschapsnamen Handelaar, Zeehandelaar, Makelaar en Kramer met al de byformen van laatstgenoemden naam: Kraamer, Cramer, Kremer, Cremer, Cremers en Creemers, en het verlatynschte Cramerus.—Merseman en De Mersseman duiden eenen marskramer aan; misschien ook Marsman; zie echter bl. 293. Kruidenier, De Crudeniere en, in patronymikalen form Cruyniers zijn duidelik van beteekenis; zoo ook Beddekoper, Boterkooper, Blommekoper, Houtkooper, Huidekoper en Huydecoper, Kleerekoper, Paardekooper, Ossekooper, Stofkoper (dit is zekerlik een verkooper van kleedingstoffen), Vellekoper, Vischkooper en Viskoper, enz. Een byzondere tegenhanger van Paardekooper is de zekerlik reeds zeer oude patronymikale maagschapsnaam Hengstmangers. Immers manger of menger, met de byformen monger en minger, is een oud-nederlandsch, ook oud-friesch en oud-engelsch woord voor koopman, slyter; men zie ’t woordenboek van Kiliaan, op het woord: »Mangher, Mengher, vetus. Permutator, commutator mercium, negotiator—appelmangher, vleeschmangher—” enz. In het begin van deze eeu was dit woord onder den form menger of minger nog in de friesche taal in gebruik; zie Wassenbergh, Taalkundige Bijdragen, I, bl. 12. Een Hengstmanger is dus anders niet als een paardekoopman. Ook leeft dit oude woord nog in de eenvoudige maagschapsnamen Manger en Menger.

§ 117. Het aantal der bovenstaande geslachtsnamen, van § 108 af vermeld, en van nog honderden anderen soortgelyken, wordt nog aanmerkelik vermeerderd door de verschillende wyzen waarop deze namen gespeld worden. Oude spelwyzen en boekstavingen volgens de eene of andere gewestelike uitspraak, ook slordige spellingen door afkortingen en afslytingen der oorspronkelike woorden, misspellingen en wanspellingen, alle dergelyke zaken komen by deze geslachtsnamen, zoowel als by anderen, voor. Menig voorbeeld hier van is op de voorgaande bladzyden reeds vermeld, zoo als alle spellingen en formen, waarin de eenvoudige woorden smid en molenaar als maagschapsnamen, op bl. 308 en 314 voorkomen. De woorden vleeschhouwer en rademaker (wielmaker, wagenmaker), waaraan vele geslachtsnamen, vooral in de zuidelike gewesten, ontleend zijn, kunnen nog tot voorbeeld dienen van de groote verscheidenheid waarin deze woorden, als geslachtsnamen, gespeld worden. Zie hier die welke my zijn voorgekomen. Daar zullen er echter nog wel meer zijn. Vleeschhouwer, Vleeshouwer, Vleyshouwer, Vleeschouwer, Vleeschauwer, De Vleeshouwer, De Vleeschouwer, De Vleeschauwer, De Vleesaver, De Vleeschouder, De Vleeschoudere, De Vleschoudere; eindelik nog het hoogduitsche Fleischhauer. Dan Rademaker, Raedemaeker, Raedemaecker, Radermecker, Ramaeker, Raymaecker, De Raedemaecker, De Raedemaeker, De Raeymaker, De Raymaeker, De Reymaeker, en als patronymika Rademakers, Raedemaeckers, Raedemaekers, Ramaeckers, Raemaekers, Raeymaekers, Raaymaakers, Raymaekers, het hoogduitsche Rademacher, enz. in haast oneindige afwisseling, en allen aan verschillende maagschappen eigen.

§ 119. Zijn al de bovenstaande geslachtsnamen, van § 108 af, zekerlik eerst gedragen geworden door lieden die werkelik de handwerken en bedryven uitoefenden, welke door die geslachtsnamen worden aangeduid, dit is gewis niet het geval by die geslachtsnamen welke ontleend zijn aan de namen van weerdigheden, ambten en bedieningen, zoo wel wereldlike als geestelike. Althans niet wat de namen der hooge weerdigheden betreft. De geslachtsnamen Keizer, Koning, Hertog, Prins, Paus, Bisschop, enz. komen veelvuldig onder ons voor. Niemand zal echter willen beweren dat de voorvaders van al die »Keizers, Koningen, Hertogen, Prinsen, Pausen, Bisschoppen” in der daad de weerdigheden hebben bekleed, die door hunne namen worden aangeduid. En niettegenstaande de voorvaders van hen, die de geslachtsnamen Bakker, Smid, De Boer, De Jager dragen, ongetwyfeld wel degelik bakkers, smeden, boeren, jagers geweest zijn. Die geslachtsnamen Keizer, Koning, Bisschop, enz. zijn zekerlik eerst slechts toenamen of bynamen geweest van mannen, die om de eene of andere reden door hunne tijd- en plaatsgenooten zoo werden genoemd. In de meeste gevallen zal zulk een bynaam wel afgeleid zijn van de opschriften of afbeeldingen op gevelsteenen en uithangborden, dus van de namen van huizen. Huisnamen, gevelsteenen en uithangborden als: »de Keyser van Romen”, »de Koningh van Enghelant”, »de Bisschop van Munster”, enz. kwamen oudtijds veelvuldig voor in alle nederlandsche plaatsen. Van Lennep en Ter Gouw vermelden er velen in hun werk De Uithangteekens. Die namen waren wel wat te lang in het dageliksche gebruik. Men kortte ze dus wel in, en sprak enkel van »de Keizer”, »de Koning”, »de Bisschop”; b. v. ik woon in »de Keizer”, of naast »de Koning”, ik ga naar »de Bisschop.” En zeer geleidelik gingen deze verkorte huisnamen wel over op de lieden welke in die huizen woonden. Leenaert Heyndricks-zoon b. v. die in het huis De Keyser van Duytschlandt woonde, noemde men al spoedig niet meer Leenaert Heyndricksz, maar Leen in »de Keyser.” Maar ook deze benaming was op den duur voor den gemakzoekenden volksmond nog te omslachtig, en eerlang werd het Leen de Keyser. En deze toenaam »de Keyser” ging ook na den dood van Leenaert Heyndricksz wel op zynen zoon Heyndrick Leenaertsz over, vooral als deze ook in het vaderlike huis »de Keyser” bleef wonen,—en hy werd in verloop van tijd een vaste geslachtsnaam voor al de nakomelingen van den ouden Leendert. Ook kan het wel zijn voorgekomen dat deze of gene heerschzuchtige, die reeds als knaap steeds aanvoerder en eerste wilde zijn by het spel met zyne makkers, die later ook als jongeling en man dien trek van zyne inborst niet verloochende, maar soms nog te sterker deed uitkomen, dat zulk een knaap reeds »het koninkje” werd genoemd, of by het noordnederlandsche volk in de dagen van ons gemeenebest, »het prinsje”;—dat die bynaam als »Koning” of »Prins” ook aan den volwassen man bleef hechten, en voor diens nageslacht een vaste geslachtsnaam werd. En nog menige andere redenen zoude men kunnen bedenken die aanleiding verschaften tot het geven of tot het aannemen van dergelyke bynamen.

Dit geldt echter aleen voor de namen van hooge weerdigheden of van zeer aanzienlike ambten. Voor die van lageren rang (ridder, drossaart, hopman, vaandrig, koster) bestaat natuurlik geen enkele reden waarom men niet zoude aannemen dat de voorvader van den hedendaagschen drager van dien naam werkelik die betrekking vervuld heeft, welke door den geslachtsnaam wordt aangeduid.

Hier volgt eene opsomming van de geslachtsnamen aan de namen van allerlei weerdigheden, ambten, bedieningen, betrekkingen en posten ontleend, die my zijn voorgekomen—hoog en laag, aanzienlik en gering, geestelik en wereldlik, van den keizer tot den slaaf, van den paus tot den koster.

Keizer, De Keizer, Keyser en De Keyser; het hoogduitsche Kaiser komt ook voor.—Koning, De Koning, Coninck, Keuning, De Ceuninck, De Ceunynck, De Cueninck, Conninck en het hoogduitsche König.—Hertog, De Hertog, Den Hertog, De Hertoghe, Hartog, Hartoch, Hartogh, De Hartog, Den Hartogh, met het hoogduitsche Herzog en het fransche Le Duc.—Graaf, Graaff, Graeff, De Graaf, De Graaff, De Grave, De Graeve, Greve, De Greef, De Greeve, De Greve, en het fransche Le Comte. Misschien ook De Groof? Dan nog Vorst en het verlatynschte Vorstius. Zeer talrijk komen deze geslachtsnamen ook voor als patronymika: Keizers, Konings, Conincks, Coninckx, Ceunynckx, Connyncks, Cuenyncx, Hertogs, Hartogs, ’S Hertogen, Graven, Graeven, Greven, Grefen, enz. De maagschapsnamen Hoogvorst en D’ Hoogvorst meen ik tot deze groep van namen niet te moeten brengen. Ik vermoed in dezen naam veel eer eenen aardrijkskundigen oorsprong. Vorst, voorst, forst, foorst, foreest is een oud-nederlandsch bastaardwoord, in de beteekenis van woud, bosch. Dus Hoogvorst is het hooge woud.

Nu volgt Ceurvorst, Prins, De Prins, De Prince (als patronymikon Prinsen, Prinssen, Prinsse, zelfs Prince), Markgraaf, De Landgraaf, Burggraaf, Burghgraef, De Borchgrave en Borggreve, met Borchgrevink als patronymikon (zie bl. 76). Baron, Edelman, Edeling, Adeling (zie bl. 120). Jonkheer, Jonker, De Jonckheere, De Jonker, Joncheere, Jonckheere en Jonkers; Ridder, De Ridder, in Vlaanderen, volgens de vlaamsche uitspraak, De Ruddere en De Rudder. De Bontridder behoort zeker ook hier by? wat dat voor een ridder is, weet ik niet.—Stadhouder, Stedehouder en Stehouwer, Landsheer, Landtsheer, Landsheere, De Landtsheer, De Lantsheere, Leenheer en Ambachtsheer met Ambagtsheer. Hierop volgt de eenvoudige heer, als Heer, De Heer, Dheere en D’ Heere. Dit woord heer zal wel te verstaan zijn in de aloude feodale beteekenis, niet in de nieuerwetsche beduidenis, waarin ieder man die een hoed draagt en heele schoenen, als heer geldt. De patronymika Heeres en Heeren meen ik echter niet van den titel heer, maar van den frieschen mansvóórnaam Hero of Here, Heere, Heerke, te moeten afleiden, even als de patronymikale geslachtsnamen Heringa, Heering, Herema, Heerma, Heerkens, enz. ook. Met het bezittelike voornaamwoord er vóór, eigenlik in den vocativus, komt het woord heer ook als geslachtsnaam voor. Te weten als Mijnheer, Menheer en Menheere.

Nevens de heeren, en gelijk met dezen in rang, staan in de friesche gouen de »welgeboren mannen”, de eigenerfden of erfgezetenen, de einierden of erfesgen, de vrye boeren, die op hunne eigene saten zitten. Van hunnen alouden titel »welboren” (wolberne is in het Friesch nog heden gebruikelik) of »welgeboren,” is de geslachtsnaam Welboren afkomstig. In de Informacie up den staet van Hollant ende Frieslant, worden, op bl. 25, die vrye friesche mannen van den dorpe Velsen in Kennemerland afsonderlik vermeld als »Die welgeboren luyden van Velzen”, en als zoodanig wel degelik onderscheiden van »Die huysluyden van Velzen.” Deze laatsten zijn de onvrye boeren, de pachters, de huurboeren met de arbeiders, de keuterboeren of de brinkzitters, gelijk men ze in onze saksische gouen noemt. Hugo de Groot, in zyne »Inleiding tot de Hollandsche Rechtsgeleerdheit”, bl. 22b, schrijft: »’t Schijnt dat wel-gebooren mannen van ouds zijn geweest die van aver tot aver van vrye ende eerlicke luyden waeren gekomen.” Vermoedelik was de man die het eerst den naam van Velserboer (zie bl. 304) droeg of aannam, wel een dezer »welboren” mannen van Velsen. Het schijnt althans dat hy prijs stelde op het voeren van dien naam, als iets byzonders.

De geslachtsnaam Hooggeboren, een tegenhanger van Welboren, komt my voor oorspronkelik een bynaam geweest te zijn, in scherts gegeven, en ironice bedoeld.

Nu komen wy tot de regeerings-ambtenaren: Goeverneur, Senator, Burgemeester met den byform Burgemeestre, Balju en Bailyu, Droste, Drost (misschien ook wel Troste), Drossaart, Schoutheet, Schoutheete, De Schoutheet, De Schoutheete, De Schautheete, De Schauteete, Schauteeten en Schautetten (de twee laatste namen zijn patronymika, in wanspelling), Schout, Scholte, Schulte met den hoogduitschen form Schulze, enz. Over deze namen Schout, Scholte, enz. die evenzeer oorspronkelik mansvóórnamen kunnen zijn, zie men bl. 77 en 184. De geslachtsnamen Commissaris, Klerk, Schryver en Schriever zullen wy ook maar rekenen tot die welke ontleend zijn aan regeerings-ambten. De naam Klerk en De Klerk, ook als patronymikon Klerks, is zeer algemeen, en komt in allerlei spellingen voor. Zie hier slechts eenigen van die byformen: Klerck, Clerck, Clercq, De Clercq, De Klerck, Clercks, Clerqx, Clerckx, enz.

De geslachtsnamen Regter, Richter (ook als patronymika Rigters en Richters), Raadsheer, Boerrichter en Boerrigter met Dorprechter, Procureur, Advokaat en Advookaat, met het oud-nederlandsche Taalman, Deurwaerder en De Deurwaerder, Diender, De Beule en De Beul vertegenwoordigen de rechterlike macht, even als Doctor, Dokter, Docter met het patronymikon Docters, Arts en De Stadbader den geneeskundigen dienst. De laatste naam is zekerlik van zeer oude dagteekening. Hy stamt toch af uit den tijd toen men badstoven, openbare baden had in de nederlandsche steden, gelijk in de laatste middeleeuen het geval was. Deze inrichtingen stonden onder het bestuur van eenen, door de stedelike regeering aangestelden bader of stovenhouder, den stadsbader. Deze man oefende tevens een gedeelte der geneeskunde uit; b. v. het aderlaten, het koppenzetten, en dergelyke geringe zaken, gelijk ook de barbiers deden. In sommige streken van Duitschland, vooral in het Zuiden, draagt nog heden de wondarts (chirurgyn) den naam van »Bader”.

De onvryen, de hoorigen, by de germaansche volken, vroeg in de middeleeuen en vóór dien tijd, werden door hunne heeren wel vrygemaakt, vrygegeven, vrygelaten, van verplichte dienstbaarheid ontslagen. Zy kregen dan den naam van laten;—niet waar? Aan dit woord zijn de geslachtsnamen De Laat en De Laet ontleend, die vooral in de zuidelike gewesten inheemsch zijn. Zekerlik waren het vooral deze »laten”, die by de opkomst en bevestiging der steden, den kern formden der burgery, der vrye poorters. De benaming van dezen zoogenoemden derden stand vinden wy terug in de geslachtsnamen De Poortere en De Poorter, Borger, De Borger, De Borgher, Burger, De Burger, Den Burger, Burgerman, enz. Dat de patronymika Borghers, Burghers en Burgers van dit woord burger zouden afgeleid zijn, is niet geheel zeker. De oud-germaansche mansvóórnaam Borchart, Borgert, Burkhard, Burgert kan ook daar aan ten grondslag liggen; zie bl. 176.

De burgery in de steden, voor zoo verre zy tot de handwerkslieden en neringdoenden behoorde, was in gilden verdeeld. Aan het hoofd van elk gild stonden de gildemeesters; de verdere leden van elk gilde bestonden uit meesters of bazen, gezellen en leerlingen. Al deze benamingen komen nog als geslachtsnamen voor; te weten: Gildemeester, Baas, Gezelle, Geselle, Gheselle, Ghezelle, De Gheselle (als patronymikon in den tweeden-naamval Gesellen en Gezellen), en Leerling. De veenbaas, die aan het hoofd der veenarbeiders staat, en wiens naam ook als geslachtsnaam (Veenbaas) voorkomt, behoort meer tot de boeren dan tot de burgers. De knechten, behulpzaam by allerlei bedrijf, staan een trap lager dan de gezellen der ambachten. Hun stand vinden wy vertegenwoordigd in de geslachtsnamen Knegt, Knecht en De Knegt, ook in Bouwknecht, Wagenknecht en Stalknecht. Hier toe behoort ook de geslachtsnaam Koetsier en Coetsier. Ook Koetser, dat my eene halve verdietsching schijnt van het hoogduitsche Kutscher. De beteekenis van den naam Leenknecht is my niet duidelik. Misschien is het wel een gemeenzame form van Leendert de knecht, Leen-knecht, op de wyze als de geslachtsnamen Janknegt, Leentvaar, enz. die op bl. 174 zijn vermeld. Beneden den knecht staat de slaaf; ook dit woord is tot een geslachtsnaam, Slaaff, geworden. Zonderling genoeg komt deze naam juist onder de vrye Friesen, te Leeuwarden voor. Dat deze naam nog zoude dagteekenen uit den tijd toen de Germanen werkelik slaven hielden, acht ik geheel onwaarschijnlik. Zou Slaaff hier ook een volksnaam zijn? Eenen Slavonier beteekenen? Of eene halve verdietsching van eenen hoogduitschen geslachtsnaam Schlaf? Deze naam is my wel nooit voorgekomen. Toch kan hy zeer wel bestaan, gelijk ook het nederlandsche woord slaap een geslachtsnaam formt; zie § 146.

Uit het heir der krijchslieden, uit de verschillende rangen die daar in voorkomen, is ook menige nederlandsche geslachtsnaam genomen, van den hoogsten rang tot den laagsten. Als zoodanig zijn my de volgenden bekend: vooreerst de geslachtsnamen Krijgsman (met Kriegsman), en Ruiter, Ruyter, De Ruiter, De Ruyter, De Ruytter, enz. een krijchsman te peerd beteekenende. Deze namen zijn van algemeenen aard. Daarna staat als de hoogste in rang Veldheer; vervolgens Maarschalk, De Maerschalk, ook verbasterd als De Maeschalck en De Maesschalck voorkomende. Verder Overste, Majoor, Kapitein (zie bl. 307), Hoofdman, Hooftman en Hopman (een nederlandsch bastaardwoord van het hoogduitsche »Hauptmann”, tydens ons gemeenebest by het leger in gebruik), Ritmeester, Sergeant, Korporaal en Corporaal, Vaandrager, Vaandrig, Vendrik, en als patronymikon Vendrickx, Soldaat, Musquetier, De Schutter, De Handschutter (handboogschutter, in tegenstelling van den voetboogschutter), en Schildwagt. Aan de zeemacht in het byzonder zijn de geslachtsnamen Admiraal, Konstabel en Bottelier ontleend. Dan komen nog Trompetter, Tamboer en Pyper, met het patronymikon Pypers. De hoogduitsche form van laatstgenoemden naam, die echter eene meer algemeene beteekenis heeft, Pfeiffer, komt in verschillende formen en spellingen (zie bl. 317) ook geenszins zeldzaam in de Nederlanden voor. Geen wonder! hoe menig bovenlandsche toonkunstenaar is niet reeds onze grenzen overschreden!—Gyzelaars komen meest in oorlogstyden voor, al is dit niet uitsluitend het geval, en al worden ze niet altijd uit den krijchsmansstand genomen. Toch meen ik de geslachtsnamen, aan dien maatschappeliken toestand ontleend, hier te moeten vermelden. Het zijn De Gyselaar, en, als patronymikon, Ghiseleers.

§ 120. Byna alle kerkelike weerdigheden, ambten en bedieningen zijn ook onder de geslachtsnamen vertegenwoordigd. Hier volgen die, welke my bekend zijn. Roomschen en Protestanten door elkanderen—ik kan ze niet schiften.

Van algemeene beteekenis zijn vooreerst de geslachtsnamen Kerckheer, De Kerckheer en De Paap, ook Paap, Pape en De Paepe, met de patronymika Paaps, Spapen, Spaapen en het versletene Spaape. Aangaande de forming van laatstgenoemde namen zie men bl. 184 en 185. Wat de beteekenis eigenlik is van den geslachtsnaam De Boelpaep, die hier ook schijnt te behooren, is my niet duidelik; ’t en zy men hier by aan het oud-nederlandsche woord boel te denken hebbe (?). In aanmerking nemende, dat in dit geval aan het dragen van dezen naam schande zoude verbonden zijn, valt dit naueliks aan te nemen. Maar Langpaep, een lange geestelike, is zoo veel te duideliker.—De volgende namen zijn allen duidelik: Paus, en misschien ook Pous. (Neemt men in aanmerking dat Pau, Pauw in gemeenzame dageliksche spreektaal ook wel in gebruik is als afkorting van den mansvóórnaam Paulus, zoo is het zeer wel mogelik dat deze geslachtsnaam Paus, althans in sommige gevallen, een patronymikon zy van dien mansnaam Pau; b. v. Karel Pauszoon of Karel Pausz, d. i. Karel de zoon van Pau of Paulus). Verder Cardinaal, Bisschop, De Bisschop en Den Bisschop met het verbasterde Busschop en het hoogduitsche Bischoff. Dan Priester en De Priester, Pastoor en, als patronymika, Pastoors en Pasteurs met Pasteuren en Pasteure. Proost en De Proost, De Deken en Den Deken, Dominé, Abt en Den Abt, Prior, Pater en De Pater, Monnik, Munnik, Munk, Monk, De Monnik, De Munnik, De Munnick, De Meuninck, De Munck en De Muynck, met de patronymika Munniks, Munninckx, Meunynckx, Munnyncks, Smeunincks en Munninksma; zie bl. 166. Eindelik Jeswiet en Carmeliet. Omdat een monnik door de Roomsch-Catholyken als »broeder” wordt aangesproken, en men ook van hem spreekt als van »den broeder” of b. v. als »broeder Benedictus”, zoo houd ik het daar voor dat in de geslachtsnamen De Broeder en Den Broeder ook zeer wel een monnik schuilen kan. Cluysenaer, Cluysenaar, Heeremiet en Pelgrim, ook Pelgrum en Pellegrom, met het hoogduitsche Pilger, en de patronymika Pelgrims en Pylgroms. Het woord pelgrim, in den frieschen form Pylgrom, is in Friesland ook nog heden als mansvóórnaam (Pylgrom) in gebruik. En dus kunnen deze patronymika ook zeer wel aan dien mansvóórnaam ontleend zijn, en niet aan het woord pelgrim.—Aan den joodschen eeredienst ontleend, is my enkel de geslachtsnaam Rabbie bekend.

Tot de geslachtsnamen van lagere kerkelike bedieningen afkomstig, reken ik de namen: Kerkmeester, Koster, Coster, De Koster, De Coster, De Custer, De Costere, De Keuster, De Ceuster, met het verlatynschte Costerus en de patronymika Kosters, Custers, Ceusters, ook als Custodis in goed Latyn overgezet. Verder Voorzanger met het hoogduitsche Vorsänger, en Orgelist.

Als aanhangsel tot deze kerkelike namen reken ik nog de geslachtsnamen Apostel, Profeet en De Maertelaere met De Maerteleire (martelaar). Zoo ook Den Heyligen. Waarschijnlik zijn deze namen van huisnamen afkomstig. Te Amsterdam toch was in deze eeu »de Profeet” nog de naam van een huis—althans van eene handelszaak.

Toch komt de geslachtsnaam Sangster voor, een naam die, naar myne meening, geene andere beteekenis kan hebben dan die van het meer nieuerwetsche woord zangeres. Is deze naam dan eerst door eenen man gedragen, die de zoon van eene zangeres was, van eene vrou, die algemeen onder dien naam b. v. van »Ghese Sangster” bekend was? Dit is byna niet aan te nemen. Eerder zoude ik geneigd zijn te gelooven dat deze naam Sangster eene halve verdietsching ware van het engelsche woord, misschien ook wel van den engelschen geslachtsnaam Songster. Een woord dat, ten spijt van zynen vroueliken form, toch eene mannelike beteekenis, dien van zanger heeft. Even zoo is het met het engelsche woord webster; ook dit woord vertoont eenen vroueliken form, en beteekent, volgens het engelsche spraakgebruik, toch wever, niet weefster. De geslachtsnaam Webster, van engelschen oorsprong, komt ook in de Nederlanden voor.

Iets anders is het met de geslachtsnamen Beghyn, De Nonne en Quanonne. Dezen zijn zonder twyfel van echt-nederlandschen oorsprong, en duiden, eveneens twyfelloos, iemand van de vrouelike kunne aan. Hoe deze benamingen ooit als geslachtsnamen in gebruik gekomen zijn, verklaar ik niet te kunnen bevroeden. »De Begijn” en »De Non” kunnen nog namen van huizen geweest zijn, (»de Non” althans wordt als huisnaam door Van Lennep en Ter Gouw vermeld), en als zoodanig overgegaan op de bewoners dier huizen. Maar Quanonne, de kwade non! Zeker is wel geen naam ongeschikter om eerst als by- of toenaam, later als geslachtsnaam door eenen man te worden gedragen.

§ 122. Even als met zoo vele andere geslachtsnamen het geval is, zoo zijn er ook eenige geslachtsnamen aan weerdigheden, ambten, bedryven en handwerken ontleend, in het Latyn omgezet geworden. Zie § 167 en bl. 150. Zoo is b. v. de geslachtsnaam Bakker tot Pistorius geworden, Kuiper tot Viëtor enz.

Zie hier eene lijst van die namen: Sartorius, dat is: kleêrmaker, van het latynsche woord sartor; Sutorius, de schoenmaker, van het latynsche woord sutor; Faber, de smid, ook nog meer »verschnörkelt” als Fabricius en Fabritius voorkomende, en in patronymikalen form als Fabri, Fabry en Faberi, dat is: Smids, des smids zoon. Rusticus en Agricola, de boer of de landman; Textor, wever; Carbasius en Velius, zeilmaker; Cantor, de zanger; Mechanicus, de werktuigkundige. Dezen laatsten naam houd ik voor jonger dan de 17de eeu. Waarschijnlik is hy eerst in het laatst van de vorige of in het begin van deze eeu in zwang gekomen. Pistorius is niet de eenigste vreemde form, waarin de naam Bakker is omgezet geworden. Immers Syds Buwes Bakker, die in 1633 predikant was te Dokkum, schreef zynen naam als S. D. Artopaeus. Maar deze naam schijnt weêr met dien man verdwenen te zijn; als hedendaagsche geslachtsnaam is hy my nooit voorgekomen. De geslachtsnaam Nauta, met het ontaalkundige Van Nauta, in Friesland aan verschillende geslachten eigen, kan beschoud worden als eene verlatynsching van den naam Schipper. Immers het woord schipper is in het Latyn nauta. Ook neem ik geerne aan, dat dit met sommigen van deze namen Nauta in der daad het geval is. Maar deze naam kan ook even zeer een eigenaardig friesch patronymikon zijn (zie § 44) van den oud-germaanschen mansvóórnaam Nauto, Naute, die in Förstemann’s Namenbuch voorkomt, en waarvan ook de geslachtsnaam Nauts een vadersnaam is.

In den tijd toen het verlatynschen der geslachtsnamen in gebruik was, gebeurde het ook wel dat men die namen niet in zuiver Latyn vertaalde, maar dat men slechts eenen latynschen uitgang, us of ius, voegde achter den nederlandschen naam. Zeker dwaas genoeg! Eenigen van die namen, aldus van eenen latynschen steert voorzien, zijn tot den dag van heden als geslachtsnamen in wezen gebleven. Sommigen daar van zijn in dit werk reeds genoemd: Bakkerus, Brouerius, Costerus, Cramerus, Cuperus. Anderen zijn nog: Scrinerius, van schryner, schrijnwerker of kastmaker. In het Nederlandsch, en wel in bepaald hollandschen form, als Schrijnder, komt dit woord ook als maagschapsnaam voor. Verder Vorstius, Schenkius (zie bl. 327), Stamperius (Stamper, Poerstamper, zie bl. 318), Schipperus, enz. Ook schijnt de geslachtsnaam Smedicus my toe eene quasi-verlatynsching te zijn van het woord smid.

Titels en weerdigheden komen, als maagschapsnamen, ook al in het Latyn voor. By de namen Doctor, Prior, Rector, Senator, in § 119 reeds vermeld, noem ik hier nog Praetorius en Sindikus. Misschien behoort de maagschapsnaam Factor ook tot deze groep.

De geslachtsnamen Estor, Proctor en Toxopeus hebben ook een latynsch voorkomen. Maar ik kan die namen niet verklaren; ik weet niet wat zy beteekenen, en hun oorsprong is my volkomen duister.

§ 123. Tot besluit van al deze maagschapsnamen, aan ambten en bedryven ontleend, dienen hier nog eenige namen te worden vermeld, die oorspronkelik half uit scherts, half uit spot, als bynamen gegeven zijn aan handwerkslieden, en die aan het gereedschap door die lieden by hun werk meest gebruikt, ontleend zijn. Tot deze namen reken ik b. v. Knipscheer en Vingerhoed, oorspronkelik bynamen voor eenen kleermaker; Knieriem, de spotnaam voor den schoenmaker (in myne jeugd, te Leeuwarden, noemde men iederen schoenmaker wel schertsender wyze: »Baas Knieriem,” of »Baas Pikkedraad”). Verder Hoefnagel, de bynaam van den hoefsmid; Hamer, de bynaam van den timmerman, enz. Deze namen komen geenszins zeldzaam, en in allerlei formen voor; b. v. als Knyrim en Knierum, Vingerhoedt, door uitslyting der h als Vingeroedt, ook als patronymikon Vingerhoets; Hoefnagel, ook als patronymikon Hoefnagels, in Vlaanderen als Houvenaghel en Houvenaeghel, in hoogduitschen form als Hufnagel, enz.

Dikwijls ook is het voorvoechsel van der of van den geplaatst vóór de namen van allerlei handwerksgereedschap, en heeft men op die wyze allerlei tamelik onzinnige maagschapsnamen zich geformd. De slachter noemde zich of werd genoemd Van der Bijl, de kleêrmaker Van der Naald, de schoenmaker Van der Els of Van der Leest, de timmerman Van den Hamer, Van der Zaag of Van der Schaaf, enz. De Friesen volgden weêr hunne eigene wyze om zich, in scherts, zulke geslachtsnamen te formen. De bleeker in Friesland noemde zich Osinga, de slachter Bylsma, de schoenmaker Elsinga, de glazemaker Glasstra, de timmerman Latsma, de schipper Scheepstra, enz. Al die namen bestaan thans nog als geijkte maagschapsnamen, en houden de herinnering aan het voorvaderlike bedrijf levendig. Sommigen van deze namen bestonden reeds, vóór men ze in scherts aan handwerkslieden gaf. Zy waren reeds het eigendom van oude bestaande geslachten, en hadden eenen geheel anderen oorsprong, dan het volk daarin meende te vinden. Met de namen Van der Els (zie bl. 256 en § 135), Osinga, Elsinga (zie bl. 162) is dit o. a. het geval. Men zie aangaande deze en soortgelyke namen ook § 129.

B. Geslachtsnamen aan persoonlike eigenschappen ontleend.

§ 124. Dat aan dezen of genen persoon, die de opmerkzaamheid van anderen trekt door de eene of andere byzondere eigenschap van zijn lichaam of van zynen geest, eenen bynaam gegeven wordt naar aanleiding van die eigenschap, is eene zeer alledaagsche zaak, die nog heden veelvuldig onder ons voorkomt. Iedereen kent wel personen in zyne omgeving welke in het dageliksche leven bynamen dragen als: »de lange,” »de dikke,” »de manke,” als zy lang of dik zijn van lichaamsbou, of wel kreupel zijn—of als »de goeie,” »de vrek,” »scherp” als ze byzonder goedaardig, uit der mate gierig, of zoogenoemd scherp, vinnig, bits zijn van inborst. In beschaafde kringen vermijdt men te recht het gebruik van zulke bynamen, die in den regel, ook al zijn ze van onschuldigen aard of al vermelden zy soms wel eene loffelike eigenschap—toch onaangenaam, zoo niet hatelik klinken in d’ ooren van den persoon die zulken bynaam zich hoort toevoegen. Maar in min beschaafde kringen, en in de laagste standen der maatschappy is men geenszins achterhoudend met zulke bynamen. Men spreekt de personen, aan wie ze gegeven zijn, daar wel rechtstreeks mede aan, of noemt hen wel met die namen, ook in hun byzijn. »De rooie,” »de lamme,” »de bult,” »mankpoot” zijn zulke liefelike namen die in onze achterbuurten soms zoo algemeen in gebruik zijn, dat menigeen nooit anders wordt genoemd door de lieden zyner dageliksche omgeving. Zoo dat op het laatst menigeen geenen anderen naam meer kent van de personen die alzoo genoemd worden—en de personen wien het aangaat die bynamen zich dan ook maar goedschiks-kwaadschiks aanleunen laten.

De algemeenheid dezer bynamen in aanmerking genomen, kan het niet anders of velen van deze namen moeten van de vaders, wien ze eerst gegeven waren, op de zoons zijn overgegaan; en van de zoons weêr op de kleinzoons, tot dat het langzamerhand vaste toenamen geworden waren die alle leden van een zelfde geslacht droegen,—tot dat zy eindelik geheel als vaste geslachtsnamen beschoud en in gebruik genomen werden. En deze zaak heeft zich in der daad zeer veelvuldig aldus toegedragen. De talryke geslachtnamen, heden ten dage nog bestaande, en die van ouds eerst als zulke persoonlike bynamen, aan byzondere persoonlike eigenschappen ontleend, ontstaan zijn, strekken ten bewyze daarvan. Merkweerdig is het, dat menig persoon nog de zelfde kenteekens vertoont, die by zynen voorvader aanleiding gegeven hebben tot het in gebruik komen van diens bynaam, welke nu heden ten dage zijn geslachtsnaam is. Menig man, die den geslachtsnaam De Rooi voert, om maar een voorbeeld te noemen, heeft rood haar; en een ander die Kroese heet, heeft eenen gekroesden haardos. Verschillende voorbeelden van dergelyke overeenstemmingen zijn my bekend. Zy kunnen, ja, louter op toeval berusten. Maar zy kunnen tevens zeer gemakkelik verklaard worden door d’ omstandigheid, dat zulke lichamelike kenmerken dikwijls, ja in den regel, van vader op zoon en kleinzoon, door eene lange reeks van nakomelingen heen, overerven. Zie op bl. 173, den naam Kroeseklaas.

§ 125. De geslachtsnamen aan persoonlike eigenschappen ontleend, en die geenszins zeldzaam voorkomen, ook over alle nederlandsche gewesten verspreid zijn, kan men gevoegelik verdeelen in zulken die hun ontstaan danken aan lichamelike eigenschappen, en in die welke ontleend zijn aan byzonderheden van den inborst, het geestesleven der menschen. Als voorbeelden van eerstgenoemde soort kunnen gelden: De Groot, De Witte, Scheluwaert, Breebaart; van laatstgenoemde: De Coene, Sorgeloos, De Vroe. Gebreken, en ook byzonderheden die als schoonheden of volkomenheden gelden (Scheele en Slingervoet tegenover Schoonooghe en Zwaanshals),—ook goede en kwade eigenschappen (De Brave en Welgemoed tegenover De Quay en De Sot) komen gelykelik voor. Eene andere verdeeling zoude men kunnen maken al naar mate deze geslachtsnamen eenvoudig uit byvoegelike naamwoorden bestaan, met of zonder een lidwoord (Schele, De Lange),—dan wel of het zelfstandige naamwoorden zijn (Caluwaert, De Blindeman). Maar ik wil liever deze onderscheidingen achterwege laten, en hier al de namen welke, als tot deze groep behoorende, my bekend zijn, in geleidelike volgorde opsommen. De geslachtsnamen van lichamelike eigenschappen der menschen afgeleid, mogen de ry openen; om te beginnen die welke van algemeenen aard zijn.

De Groote, De Groot, De Groodt, Grote, Groot.—De Reus en Reuse behooren hier ook toe. In tegenoverstelling van deze namen bestaan: De Kleine, De Cleine, De Cleyne, De Cleene, De Klein, De Cleyn, De Cleen, Kleine, Clene, Klein, Cleyn. Ik heb hier de woorden klein en kleen door elkanderen genomen. De form kleen is tegenwoordig nagenoeg volkomen buiten gebruik geraakt in de algemeene nederlandsche taal; althans in de byzonder-hollandsche schrijf- en boeketaal. En waar deze oude form nog voorkomt, wordt hy als volkomen gelijkbeduidend met klein gebruikt. Intusschen is er wel degelik onderscheid tusschen klein en kleen. Het eerste woord is het latynsche parvus; het tweede het latynsche minutus. Onze voorouders, ook in Holland, voor zoo verre zy naukeurig en kiesch waren op hunne taal, onderscheidden wel naukeurig tusschen klein en kleen. De Vlamingen doen het nog heden wel, en de Friesen, die er twee verschillende woorden voor hebben, te weten lîts == klein == parvus, en klien == kleen == minutus, eveneens. Toch raakt tegenwoordig het woordje klien in Friesland en kleen in Vlaanderen zeer in verval, door den infloed van het taalverarmende Hollandsch, dat deze fyne onderscheiding niet meer kent.

De Lange, De Lang, De Langh, Lange, Lang en De Corte, De Kort, De Cort, De Curte, Kort. Ook D’ Hooghe, De Hoogh, De Hoog, Hoog en Laag.

De Vette met Veth, Dik en Den Dubbelden (een zeer dikke man, zoo dik als twee, als een dubbelde man), met Maegherman, Magherman, Magerman, Mager. Ook Schrale en Schraal.

Den Breejen, De Breejen, Breed en Breet, met Smale en Smal.

Den Oudsten, De Oude, De Olde, Den Ouden, Den Oude, Den Ouwen, Dauwe (D’ Auwe, brabantsch, ook als patronymika Dauwen en Sauwen, zie bl. 185), Doude (D’ Oude), Den Olden, Oud en Out (Oldeman en Oudemans reken ik ook hier toe), met De Jonge, De Jonghe, De Jong, De Jongh, De Iong, Jonge en Jong. De geslachtsnamen De Jonge, enz. zijn zeer algemeen en komen zeer veelvuldig voor. Menige zoon droeg den zelfden naam als zijn vader. Ten einde hem nu van zynen vader te onderscheiden lag er dus niets naders voor de hand, dan eenvoudig het byvoechsel »de Jonge” of »de Jong” achter zynen naam te plaatsen, terwijl de vader dan nog ten overvloede wel door het toevoechsel »de Oude” achter zynen naam onderscheiden werd. Deze oorspronkelik slechts persoonlike toenamen gingen wel op de zoons der aldus benoemde mannen over, en zijn in groot aantal tot geslachtsnamen geworden.

Al de hier boven in deze § opgenoemde namen behooren tot de algemeenst voorkomenden. Weinig plaatsen, vooral in de noordelike gewesten, waar deze namen niet voorkomen. Vooral De Groot, Klein, De Lang en De Jong zijn uit der mate talrijk.

Andere persoonlike eigenschappen van algemeen-lichameliken aard worden nog vertegenwoordigd door de geslachtsnamen De Sterke, De Staercke, Sterk, Sterck, Stark; Struis, Struys en misschien ook De Stuers, aangenomen dat deze naam eigenlik een letterkeer zy van De Strues, De Struys—(struisch, in de beteekenis van kloek en krachtig van lichaamsbou, is een woord dat vooral in de zuidelike Nederlanden in gebruik is). Dat de geslachtsnamen De Ronde, De Ronden en Rond hier ook behooren genoemd te worden, in de beteekenis van rond, dik, welgedaan van lichaamsform, acht ik zeer waarschijnlik. Komt nog een zware, grove lichaamsbou by die ronde, welgedane formen, dan ontstaat die gedaante, welke men wel vierkant (een vierkante kerel) noemt. De geslachtsnaam Vierkant is allicht oorspronkelik een bynaam geweest voor iemand die zulken lichaamsform vertoonde. Maar met den geslachtsnaam Eyrond weet ik geen weg; als eene lichamelike eigenschap van eenig mensch althans kan ik hem niet verklaren.

Verder behooren tot deze groep nog de namen De Schoone, De Schoonen, Schoone, Schone, Schoon, met Schoonhoefd, Schoonheere, Schoonman en Schoonejongen. Verder De Fraeye, De Mooi, Mooy en Mooi, met Mooyekind, alsmede het verbasterd hoogduitsche Hupscher (Hübscher). De afleiding van de geslachtsnamen Schone, Schoone en Schoon van het byvoegelike naamwoord schoon, fraai, mooi, is intusschen niet volkomen zeker, hoewel daar aan by De Schoone (wegens het lidwoord), Schoonheere, enz. geen twyfel bestaat. Schoone toch is ook een oud-germaansche mansvóórnaam, die zoo wel op zich zelven als in samenstellingen (Skoniburga, Skonehildis, Sconrat, Sconolf) voorkwam, gelijk men in Förstemann’s Altdeutsches Namenbuch op den naamstam Skauni == de schoone, vinden kan. Zie ook de geslachtsnamen Schoninga, Schoonie en Schoentjens op bl. 73 vermeld.

De geslachtsnamen De Recht en De Regt, in tegenoverstelling met De Crom, Crom en Krom en met Den Bult, moeten hier nog genoemd worden. Zoo ook Stotteraar.

Eindelik zijn nog de geslachtsnamen Blanckaert, Blankaard, Blanquaert, Blankert, De Blancke, Blancke en Blank aan eene algemeen-lichamelike eigenschap ontleend, aan eene byzonder blanke huidkleur. Dat echter de geslachtsnamen Blanks, Blanken en Blenken (dit laatste is slechts eene gewyzigde uitspraak) patronymika zouden zijn van den bynaam blank (van huid), is geenszins zeker. Men vergelyke hetgeen op bl. 102 aangaande de namen Blanken en Blanksma vermeld is.

De geslachtsnamen Blondeel en De Blonde hebben vry wel de zelfde beduidenis als De Blancke. Immers gaan blondheid van haar en blankheid van huid gemeenlik samen. Maar als tegenhangers van deze geslachtsnamen beschou ik de geslachtsnamen Donker en Doncker, met het patronymikon Donkers.

By sommige menschen, lydende aan hartgebreken, vertoont de huid duidelik eene blaue, blau-achtig graue kleur. Ook is dit wel het geval na het gebruik van sommige geneesmiddelen. Waarschijnlik zijn de geslachtsnamen De Blaauwe, De Blaeuwe en Blauwaert oorspronkelik bynamen geweest van lieden, aan wier huid deze byzondere kleur eigen was. Ik kan my althans die namen anders niet verklaren. De naam Blauwaert is geformd als grijsaard, als Caluwaert, Scheluwaert (zie bl. 344 en 345) enz. Blauwert zou men in het Hollandsch zeggen. De naam is vlaamsch, en in Vlaanderen inheemsch. Dat de geslachtsnamen Blaauw, Blaeu, Blaau, Blau en Blauw eveneens aan deze byzonderheid hun ontstaan te danken hebben, schijnt my minst genomen zeer twyfelachtig. Deze namen kunnen ook eenvoudig bestaan uit den oud-germaanschen mansvóórnaam Blau. Dat deze naam oudtijds bestaan heeft, en bepaaldelik in Friesland in gebruik was (al vermeldt Förstemann’s Altdeutsches Namenbuch slechts eenen vrouenaam Blawa, en geenen manneliken form daar van) blijkt my uit den frieschen patronymikalen geslachtsnaam Blauma. Ook is my een geval bekend, dat een blauverwer, in de vorige eeu levende, het woord Blaauw als geslachtsnaam aannam, in zinspeling op zijn beroep. Zoo handelde in dien tijd ook een friesche blauverwer, die zich Blauwstra noemde. In myne jeugd heb ik te Leeuwarden nog eenen blauverwer, Blauwstra geheeten, gekend.

Dat de geslachtsnamen De Groen en Groen ook tot deze groep gerekend moeten worden, durf ik niet beweren. Onmogelik is het niet, naardien werkelik een duidelik groenachtig-gele huidkleur by sommige menschen, als een verschijnsel van leverziekte, wel gezien wordt. Maar deze huidkleur is toch altijd slechts tydelik, en duurt niet lang genoeg om aanleiding te kunnen geven tot eenen bynaam. Daarenboven—de naam Groen is geenszins zeldzaam, en aan vele, onderling niet verwante geslachten eigen. Zoo veel te raadselachtiger is my het ontstaan van dezen naam. Kan er de oud-germaansche mansvóórnaam Gruno (zie 29) in schuilen? Ei ja toch!

§ 126. Deze laatste namen voeren ons geleidelik van de algemeen-lichamelike tot de byzonder-lichamelike eigenschappen over. Te weten tot die geslachtsnamen, welke ontleend zijn aan de byzondere eigenaardigheden van het eene of andere byzondere lichaamsdeel. Nemen wy in d’ eerste plaats die van het haar. De verschillende kleuren van het menschelike haar hebben oorsprong gegeven aan de geslachtsnamen:

De Witte, De Witt, De Wit, De With, Witte en Wit met De Zwarte, De Swarte, De Zwart, De Swart, De Swert, Zwart en Swart, en met de patronymika Swarts, Zwarts, Swartz, enz. Verder De Roode, De Rooy, De Rooi, De Roo, Rood, De Bruine, De Bruin, De Brune, Bruin, Bruyn, De Gryze, De Gryse, De Grysen, De Grijs, Grijs, De Graauwe, De Graeuwe, De Graauw, De Graeu en De Schiere en Schiere. De twee laatste namen, van frieschen oorsprong, zijn ontleend aan het friesche woord skier, dat grijs of grau beteekent, en in Friesland nog in volle gebruik is. Over de patronymika van den naam De Graauwe, Graauw afgeleid, zie men bl. 185. De geslachtsnamen De Bonte, De Bont, Bonte en Bont reken ik ook hier toe. Immers lieden met bont haar, b. v. donker, met hier en daar een lichter gekleurde lok of vlok, zijn geenszins zeldzaam. Verder nog Wittebol en Wittebolle, Withaar en Witkop, Roobol en Roothooft, Swartbol en Swarthoofd. De geslachtsnaam Gryspeerdt, in Vlaanderen inheemsch, behoort ook tot deze groep, hoe vreemd het schijne. Gryspeerdt toch is eene verbastering van Grysperre, zoo als deze zelfde naam nog wel in oude stukken geschreven staat. By de gewone vlaamsche uitspraak is het onderscheid tusschen Gryspeerdt en Grysperre ook minder groot dan het in geschrifte schijnt. »Grys perre” is letterlik grijs hoofd, gryze kop; »perre” is een oud-vlaamsch woord voor hoofd of kop. Het leeft nog in de volksspreektaal, in sommige uitdrukkingen; b. v. »te perre staan” = op het hoofd staan, met de beenen in de lucht, als de spelende knapen wel doen. Men kan er de vlaamsche woordeboeken op na slaan.

Als by bovengenoemde geslachtsnamen het lidwoord staat (b. v. De Wit), dan valt er niet aan te twyfelen dat het byvoegelike naamwoorden zijn, die als persoonlike bynamen in gebruik zijn geweest. Maar iets anders is het als die namen op zich zelven voorkomen (b. v. Wit, Bruin). Dan kunnen deze namen oorspronkelik ook wel anders niet zijn als eenvoudige mansvóórnamen. Immers als oud-germaansche mansvóórnamen, ook by onze voorouders in gebruik, komen Wit of Witte, Root, Brune en Grise wel voor. Men vindt ze allen vermeld, ook in samenstellingen, in Förstemann’s Altdeutsches Namenbuch. De vóórnamen Witte (men denke aan Witte de With) en Bruin of Bruno worden heden nog wel door Nederlanders gedragen. Zeer vele geslachtsnamen, meestal patronymika, zijn van deze mansvóórnamen afgeleid; b. v. Wittinga, Witting (ook in Engelland, met Whittington), Wittenck, Wytynck in Vlaanderen, Witsen, Wits en Wittema, Roding, Roodema, Roden en Rhodens, met Rooikens (dat is Rodekens) in verfloeiden verkleinform, enz. Zie ook bl. 79.

Nog zijn aan byzondere eigenschappen van het haar ontleend de geslachtsnamen Kroese en Kroeze met Kroeskop, Kruishaar (kruis in dezen naam is eene verhollandsching van het saksische en frankische krûs, kroes), Fijnhaar en Lankhaar. Als tegenhanger van Kruishaar kwam in de vorige eeu de geslachtsnaam Gladhair voor. Ongetwyfeld vinden de geslachtsnamen Krul, Krull, Crul, Krol en Crol ook hunnen oorsprong in het krullende haar van hem die eerst zulken naam droeg. De Ruig, Ruig, Ruyg en Ruge zijn geslachtsnamen die zekerlik ook op eenen ruigen haartooi betrekking hebben. Gemis van haar, kaalheid, heeft oorsprong gegeven aan de geslachtsnamen De Caluwe, Kaal, Caluwaert, verbasterd tot Callewaert, en als patronymikon Calluwaerts. Caluwe, kaluw is de oorspronkelike, volle, zuiver nederlandsche, meest byzonder-frankische form van het hedendaagsch algemeen-nederlandsche, meest byzonder-friesche woord kaal, zuiver friesch keal. De woorden caluwe, kaluw en kaal, keal staan in de zelfde verhouding tot elkanderen als zwaluwe, zwaluw, friesch sweal, engelsch swallow; als het vlaamsche geluwe, engelsch yellow, hoogduitsch gelb (b = uw), hollandsch geel, friesch giel; als schaduw, engelsch shadow, zuiver friesch skaed, in de friesche steden ook skat, hoogduitsch schatt(en). Caluwaert, letterlik in het Hollandsch kalert, is geformd als grijsaard.—Dat kruse, kroese oudtijds ook als een mansvóórnaam in gebruik moet geweest zijn, wordt bewezen door de patronymikale geslachtsnamen die daar van afgeleid, en op bl. 57 vermeld zijn.

Niet aan het gemis van haar, maar wel aan het gemis van hoofddeksel, heeft de geslachtsnaam Bloothoofd zynen oorsprong te danken. De oorsprong der geslachtsnamen Brooshooft en Kluifhoofd is minder duidelik. Zou Kluifhoofd niet in de plaats staan van Kloofhoofd? Kluiven, kluifjes toch zijn gekloofde beenderen. Kloofhoofd zou dan een bynaam kunnen geweest zijn voor iemand wiens hoofd (schedel, hersenpan) door eene zware verwonding, eenen sabelhou b. v., als ’t ware door midden was gekloofd geweest, waar van hy zijn leven lang een duidelik zichtbaar likteeken overgehouden had. En Brooshooft kan een bynaam zijn geweest voor iemand wiens schedelbeenderen, door eene ziekelike aandoening, byzonder broos waren, zoodat zy, ook by geringe aanleiding, lichtelik braken.—De maagschapsnaam Schoonhoefd (hoefd == hoofd) dient hier ook vermeld te worden.

By het hoofdhaar behoort de beerd. Aan byzondere hoedanigheden van den beerd zijn ontleend de geslachtsnamen Breebaart, Langebaerd en Langebaard, Robaert en Roobaart, Schoonbaert en Witbaard, welke geen van allen naderen uitleg behoeven.

Byzondere hoedanigheden der oogen gaven aanleiding tot het ontstaan der geslachtsnamen Bruinooge en Bruynooge (eene byzonderheid by ons oorspronkelik blonde, blau-oogde volk), Liefhooghe, Schoonooghe, Spanooghe (wijd open-gespannen oogen), Wijdhooge en Wijdoogen. In de namen Liefhooghe en Wijdhooge is, door misverstand, eene h vóór de eerste letter van het woord oog, ooge, ooghe geplaatst. Deze namen zijn in Vlaanderen inheemsch. De Vlamingen, die de h niet uitspreken, zijn wel onnaukeurig ook in het schryven van die letter, en plaatsen haar wel waar zy niet behoort. Of de geslachtsnaam Boekenoogen ook tot deze groep behoort, en wat of deze naam dan beteekent, en kan ik niet zeggen. Ik en weet het niet. Maar De Scheele en Schele zijn duidelik. Het zelfde beteekent Scheluwaert, een vlaamsche geslachtsnaam, en een oud-vlaamsch woord tevens, dat letterlik schelert is in het hollandsche taaleigen, even als caluwaert en kalert. Het vlaamsche woord scheluwe staat in de zelfde verhouding tot het hollandsche scheel, het friesche skîl(ich), als caluwe staat tot kaal, keal, enz. zie bl. 344. De hollandsche timmerlieden noemen een scheef of scheel getrokken stuk hout nog schelf, dat is schelve, scheluwe.—De Blinde, De Blende en Blindeman zijn maagschapsnamen die ook behooren tot deze groep.

Gebreken aan het oor hebben, voor zoo verre my bekend is, slechts aan éénen geslachtsnaam oorsprong gegeven; aan Den Dooven namelik. Opmerkelik is het dat geen enkele geslachtsnaam zijn ontstaan dankt aan byzondere hoedanigheden van den neus. Althans is er my nooit zulken naam voorgekomen. Bynamen die op den neus betrekking hebben, worden er toch wel genoeg gegeven! Maar de neus is een zeer gevoelig punt voor de menschelike ydelheid. Bynamen die gebreken van andere lichaamsdeelen aanduiden, laat men zich nog des noods welgevallen. Maar niemand wil zynen neus hooren smalen. Immers een leelike of misformde neus mismaakt het geheele gelaat. Geschonden neus is geschonden aangezicht. Dies al werden en worden bynamen als »langneus”, »wipneus”, »klompneus” wel gegeven, niemand laat zich zoo’n bynaam aanleunen; by niemand kon hy vaste toenaam worden en nog veel minder geslachtsnaam. By de oude Romeinen vinden wy den bynaam »neus” wel als een vaste toenaam aangenomen; te weten by Ovidius Naso. En ook het enkele De Neus en Neus is my wel als een nederlandsche geslachtsnaam voorgekomen; zie § 139. Maar deze eenvoudige namen laten het nog te raden over, of men hier oorspronkelik te doen heeft met eenen byzonder mooien of met eenen byzonder leeliken neus.

De mond en het gebit worden genoemd in de geslachtsnamen Suermondt, Guldemond en Goudemond, Hazelip, Iserentant, Yzerentand, Iserbyt en Quatant. Een »zuurmond” is een mond, die door eenen byzonderen trek de verdrietige, ontevredene inborst van den persoon verraadt, wiens eigen hy is. Het volk in Holland zegt nog wel: »zuursmoel”; te Leeuwarden »suertoet”;—»toet”, »tuit” is mond. Guldemond of Goudemond is een bynaam voor een zeer welsprekend man. Deze namen zullen wel geformd zijn in navolging van den griekschen mansnaam Chrysostomus, die eveneens gouden- of guldenmond beduidt; immers recht volksaardig is deze naam by ons niet. Hazelip is een naam voor de bekende misforming, splyting, der bovenlip. De namen Iserentant, Yzerentand, Iserbyt duiden iemand aan, die zulk een krachtig gebit heeft, dat hy er yzer mede zoude kunnen byten. Het tegenovergestelde beteekent Quatant, kwade tand, slecht gebit. Volgens dezen laatsten naam schijnt een slecht gebit of kwade tanden wel eene uitzondering, eene byzonderheid geweest te zijn onder onze voorouders. Anders is het nu!—De geslachtsnamen Quatannens en Quattannens, die op bl. 173 vermeld staan als vadersnamen van Quatannes, Quathannes, den kwaden Johannes, kan men ook beschouen als versletene patronymika van dezen bynaam Quatant.

Aan de gesteldheid van den hals zijn ontleend de geslachtsnamen Corthals en Korthals, Cromhals, Langhals, Scheefhals en Schevenhals, Stijfhals en Zwaanshals, die grootendeels duidelik genoeg zijn. Schevenhals komt door verkeerde uitspraak en misspelling ook voor als Schevenhels en Schevenels.—Dichters mogen eenen blanken, slanken hals by eenen zwaanshals vergelyken, het volk is zoo dichterlik niet in zyne uitdrukkingen. Vooral niet als er sprake is van bynamen, die buitendien in den regel meer van smalenden, dan van pryzenden aard zijn. Men zie er deze geheele lijst van geslachtsnamen aan persoonlike bynamen ontleend, maar eens op na: Schoonman, Schoonheere, Schoonejongen, Liefhooghe en Schoonooghe zijn de eenigste uitzonderingen op dezen regel. Hoogstens dat de overige namen van onverschilligen aard zijn, als de Groot, Langebaard, Bruinooge. Dies wil ik by de verklaring van den geslachtsnaam Zwaanshals liever denken aan den aardrijkskundigen naam Zwaanshals (zoo als b. v. eene buurt heet aan de Rotte, onder Hillegersberg, by Rotterdam), en dien men wel geeft aan een vraagteeken-formig verloopend vaarwater. ’T Swaenshals was ook de naam van eene brouery te Delft in de 18de eeu.

De geslachtsnaam Jukkenekke is oorspronkelik een bynaam voor iemand die met eenen voorwaarts gestrekten, eenigszins styven nek loopt, zooals lieden doen die eene zware vracht dragen aan een juk op den nek, melkboeren, groentevrouen, enz. »Dukelhalsich” zegt men te Leeuwarden daar voor.

Geelhant en Geelhand zijn geslachtsnamen die, naar het my toeschijnt, niet aan eene hand met in het oog loopend gele huidkleur ontleend zijn, maar aan een uithangbord of gevelsteen. Immers »De Ghele Hant” was de naam van een huis op de Verwersgracht te Amsterdam, ten jare 1656. Dit is ook het geval met den geslachtsnaam Guldenarm. Immers een (ver)gulden houten arm, met het eene of andere voorwerp in de hand, was oudtijds een vry algemeen gevelteeken aan de huizen in de nederlandsche steden. Over de gele hand en den gulden arm zie men Van Lennep en Ter Gouw’s Uithangteekens, dl. II, bl. 170 en 171.

Wat de geslachtsnaam Ouwehand eigenlik beteekent, is my niet duidelik. Maar Hardevuust wel; dit is een middeleeusche bynaam, duidelik van beteekenis, en die in Zuid-Nederland nog als geslachtsnaam voorkomt.

Slechts een enkele geslachtsnaam is my bekend die aan eene byzondere gesteldheid der toonen ontleend is. Te weten Steketee. Tee, en niet teen, of too, en niet toon, overeenkomende met het hoogduitsche zehe, het engelsche toe, het deensche taa, het zweedsche tå) is het oorspronkelike woord, in het enkelvoud. De West-Vlamingen hebben ook hier, als in zoo menig ander geval, den zuiveren woordform behouden. Zy zeggen nog heden tee, tegenover het verbasterde teen of toon der Noord-Nederlanders. Zoo ook gebruiken de West-Vlamingen nog heden den zuiveren ouden form schoe, even als de Friesen skoe, de Hoogduitschers schuh, de Engelschen shoe, de Zweden en Denen sko, tegenover het verbasterde schoen der Hollanders. Deze verkeerde hollandsche formen teen of toon en schoen zijn ontstaan uit de meervoudsformen teeën of tooën en schoeën, die lichtelik in d’ uitspraak tot tee’n of too’n en schoe’n worden samengetrokken. De maagschapsnaam Steketee is eenvoudig steekteen, een tee (teen) die steekt—dus wellicht oorspronkelik de bynaam van eenen man die met likdoorns bezocht was.

Ten slotte moet hier nog de geslachtsnaam Suyckerbuyk en Suikerbuik worden vermeld. Is dit oorspronkelik niet de bynaam voor eenen man die geerne suiker eet, of in meer uitgebreiden zin, voor eenen lekkerbek? En dan nog vier namen afgeleid van eene byzondere gesteldheid van een inwendig lichaamsdeel, van de lever. De volksmeening houdt zich veel met de lever op, en schrijft daar aan allerlei byzonderheden toe. Van den man die veel dorst heeft en veel drinkt, zegt men dat hy eene droge lever heeft. Van eenen man die kort na zijn huwelik zyne vrou door den dood verliest, en by wien dit ongeval zich twee, drie malen herhaalt, zegt het volk, op geheimzinnigen toon, »hy heeft eene witte lever!” Ik hoorde dit nog in myne jeugd, te Leeuwarden. Van daar de geslachtsnamen Droogleever en Witlever. Wat echter oorsprong gaf aan de geslachtsnamen Cortlever, Kortleever en Ringlever en kan ik niet mededeelen, omdat ik het niet en weet.

§ 127. Het getal der geslachtsnamen, die oorspronkelik bynamen zijn aan de eene of andere byzondere eigenschap van de inborst, het gemoed, het zielsleven van dezen of genen persoon ontleend, is nog veel grooter dan het getal der geslachtsnamen in de vorige afdeeling behandeld. Wat de oorsprong dezer namen als bynamen betreft, deze is de zelfde als by de namen aan lichamelike eigenschappen ontleend, aangegeven is: Die oorsprong, en de beteekenis dezer namen, zijn meestal duidelik genoeg.

Uit een taalkundig oogpunt beschoud, kan men deze namen gevoegelik in drieën verdeelen. Namelik voor zoo verre zy uit eenvoudige byvoegelike naamwoorden en bywoorden bestaan (Dapper, Zuinig, Kostelijk)—of uit zulke woorden met een lidwoord er voor (De Goede, De Wreede, De Surgeloose)—of uit een zelfstandig naamwoord, met of zonder lidwoord (Den Held, Zorgdrager, Goedhart). Deze verdeeling is tamelik willekeurig, en ik zal er my, by ’t vermelden der geslachtsnamen van deze afdeeling, dan ook niet streng aan houden. En te meer niet wijl de zin, de beteekenis die in deze geslachtsnamen opgesloten ligt, dikwijls gebiedt om verschillende namen uit de drie onder-afdeelingen by elkanderen te voegen en met elkanderen te vermelden.

Of Grim, ook in hoogduitsche spelling als Grimm voorkomende, opgevat moet worden als het byvoegelike naamwoord grim, grimmig, dus als de weêrga van den geslachtsnaam Gram, dan wel of deze naam oorspronkelik anders niet en is als de mansvóórnaam Grim, moet ik in het midden laten. De oud-germaansche mansnaam Grim, Grimmo is oudtijds ongetwyfeld ook by onze voorouders in gebruik geweest. Onze patronymikale geslachtsnamen Grimmenga, Grimminck en Grimmink strekken ten bewyze daar van, even als de plaatsnamen Grimmingen, een dorp in Oost-Vlaanderen, en Grimmenes, een gedeelte van Oud-Amsterdam (de hedendaagsche Grimmenesse-sluis heet er nog naar). Verder is nog Grimmen de naam van eene buurt by ’t dorp Grootkerk (of Hohenkirchen) in de oud-friesche gou Wrangerland (Oldenburg); Grimsthorpe ligt in Lincolnshire (Engelland); en Grimminghausen, zoo heeten twee westfaalsche dorpen, een by Herford, ’t andere by Meschede gelegen.

Even als met Grim, zoo is het ook met de geslachtsnamen Snel en Wakker en Wacker. Beide deze namen kunnen oorspronkelik bynamen zijn, en wel de bekende byvoegelike naamwoorden snel en wakker. Maar het kunnen ook evenzeer de oud-germaansche mansvóórnamen Snel en Wakker zijn. Aangaande deze oude mansvóórnamen, en de geslachtsnamen met de plaatsnamen daar van afgeleid, zie men bl. 47 en bl. 133. De geslachtsnaam Dazert heeft de zelfde beteekenis als zot of dwaas. Het woord dwaas wordt in sommige nederlandsche gouspraken, onder anderen in die van West-Vlaanderen (zie L. L. de Bo’s Westvlaamsch Idiotikon) en van Holland, althans te Haarlem nog dageliks, uitgesproken als daas. En dazert of dwazert (dwaas-aard) is daar van afgeleid.—Eindelik moet nog genoemd worden de geslachtsnaam De Nieuwe, als bynaam gegeven aan iemand die ergens nieu kwam wonen; deze naam heeft dus den zelfden oorsprong als Nieuwboer, Niemeyer, Nyman, enz. op bl. 302 en 304 vermeld.

De geslachtsnaam Den Engel kan aangenomen zijn als tegenhanger van Den Dievel; zie § 168. Of, met Engel, ook als bynaam voor een byzonder engelachtig man, en dan gewis in scherts bedoeld. Ook kan het zijn dat deze geslachtsnaam oorspronkelik anders niet en is als een huisnaam, aan een gevelteeken ontleend. De geslachtsnaam Coorengel, dien ik niet verklaren kan, moge hier by ook vermeld worden. Engel (zonder lidwoord) kan ook eenvoudig de oud-nederlandsche mansvóórnaam Engel zijn, die in Holland, o. a. te Katwijk, my bekend, nog wel in gebruik is, en ook in Friesland, als Engele, geenszins zeldzaam voorkomt. Van dezen mansnaam zijn ook de patronymikale geslachtsnamen Engels, Engelen en Engelsma ontleend, met Engelkens en Engelkes, in verkleinform. De geslachtsnaam Van Engelen duidt op eenen plaatsnaam. In der daad bestaat er dan ook een dorp Engelen, in Noord-Brabant, by ’s Hertogenbosch.

Ten slotte dienen hier nog eenige geslachtsnamen vermeld te worden, als tot deze groep behoorende, maar die ik moeielik of onmogelik verklaren kan. Zy bestaan uit eenige byvoegelike naamwoorden van smaak en van kleur: De Soete, Soete, Soet, Zoet, met Zuur, Zuure en Bitter. Deze namen weet ik anders niet te duiden, dan door aan te nemen dat zy, als bynamen, in gebruik gekomen zijn om de byzondere gemoedsstemming, in overdrachteliken zin, by dezen of genen aan te duiden. Vooral met den naam De Soete schijnt my dit het geval te wezen, ofschoon eene andere afleiding ook kan gegeven worden. Zoo weet ik b. v. van twee broeders, de eene een apotheker, de andere een kruidenier, die door hunne stadgenooten met de bynamen »de zoete” en »de bittere” werden onderscheiden. Zoo iets kan by ’t ontstaan van bovengenoemde geslachtsnamen ook hebben plaats gehad.

De geslachtsnaam Oranje komt my voor niet te moeten worden opgevat als de kleurnaam oranje, maar als eene party-leuze, als een bynaam, gegeven aan eenen voorstander van de staatkundige partyschap der aanhangers van het huis van Oranje, in de vorige eeu.

C. Geslachtsnamen aan huisnamen ontleend.

§ 128. Even als heden ten dage elk huis in onze steden en dorpen zijn nummer heeft, zoo had oudtijds elk huis zynen eigenen naam, waarby het bekend was, en waardoor men het onderscheiden konde van andere huizen. In de steden voornamelik, maar ook wel in de beboude buurten der groote dorpen, was elk huis voorzien van eenen gevelsteen, van een uithangbord of een uithangteeken, waarop de naam van het huis, ’t zy in beeldtenis, ’t zy in letterschrift, gewoonlik wel in beide formen, vermeld stond. Deze zaak is genoechsaam bekend. Ook zijn er nog heden in onze steden en dorpen zeer vele huizen overgebleven—al mindert hun getal ook dageliks—die zulk eenen naam dragen, en in afbeelding of opschrift aan den gevel vertoonen. Hoe algemeen die huisnamen waren, hoe zy aan alle mogelike dingen en zaken waren ontleend, hoe zy reeds vroeg, by de eerste opkomst onzer steden in de middeleeuen, in gebruik kwamen, en hoe zy stand hielden tot in het begin dezer eeu—dit alles kan men uitvoerig en geestig beschreven vinden in het te recht vermaarde werk van Van Lennep en Ter Gouw, De Uithangteekens.

Het ligt voor de hand dat zulke huisnamen wel overgingen op de personen welke in die huizen woonden. Als b. v. in één en de zelfde stad, of, by groote plaatsen, in één en de zelfde buurt twee mannen woonden die beiden toevallig den zelfden naam droegen, die beiden Harmen of Herman Janssoon of Jansen heetten, maar de eene woonde in het huis de Swaen, terwijl aan het huis, waar in de andere woonde, ’t Fortuyn uithing, dan kreeg al spoedig de eerste Harm Jansze van zyne buren, ter onderscheiding, den naam van Harm Jansz in de Swaen, of Harmen van der Swan, of ook eenvoudig Herman de Swaen of Herm Swaan, al naar dat het viel of den menschen »mundgerecht” was. En de andere werd Harm Fortuyn genoemd. Zulke bynamen waren oudtijds zeer algemeen in gebruik, en een groot aantal onzer hedendaagsche geslachtsnamen dankt aan deze bynamen, aan huisnamen ontleend, zynen oorsprong. In oude geschriften, uit de 15de en 16de eeu vooral, vinden wy vele personen genoemd, die zulke bynamen dragen, en die toen meestal nog woonden in het huis dat hun dien bynaam bezorgde. Laurens Jacobszoon, een man vermaard in de geschiedenis van zyne vaderstad Amsterdam, woonde op het Water (Damrak) in een huis waar »de Gouden Reael” (een muntstuk) uithing. Dies noemde hy zich Laurens Reael; en deze bynaam ging als geslachtsnaam op zyne kinderen en zijn verder nakroost over. »De blaeue Hulck” (hulk is een byzonder vaartuich) was de naam van een huis te Enkhuizen, waar zekere Jacob Sieuwertszoon in woonde, welke dien ten gevolge zich Jacob Sieuwertsz Blaeuwhulck noemde, en onder dien naam burgemeester van Enkhuizen werd. Zulke voorbeelden kunnen by honderden aangebracht worden door iedereen die de geschiedenis onzer oud-nederlandsche steden doorvorscht. Claes in de Gulde Hant, Olfert in de Fuyck, Jan in ’t blaeuwe Paert (zekerlik de oorsprong van den nog hedendaags bestaanden geslachtsnaam Blaauwpaart), Barend Janszoon in den Engelschen Dog, Lysbet in den Zilveren Reael, Goossen Jansz. Reecalf, Claes Cornelis Roôwagen, en nog zeer vele anderen van 16de eeusche amsterdamsche burgers, vindt men vermeld in Van Lennep en Ter Gouw’s werk De Uithangteekens (bl. 47 en 48), waaruit ook vele voorbeelden en namen van personen uit den ouden tijd, verder in deze opstellen vermeld, ontleend zijn.

§ 129. Uit het overgroote aantal van hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamen, die oorspronkelik bynamen zijn aan huisnamen ontleend, kunnen hier slechts weinigen van de byzondersten vermeld worden. Het zijn de volgenden:

In de Sleutele. Dezen geslachtsnaam, te Antwerpen inheemsch, zet ik bovenaan, omdat hy zeer byzonder, ja eenig in zyne soort is.—De opschriften aan de huizen vermeldden oudtijds den naam van het huis gewoonlik in dezen form: »In de Sleutele”, »In den Wildeman”, »In den Bonten Mantel,” enz. Ook nog wel vollediger: »Dit is in den grauen Hynxt”, of »Dit es in de dry Keunynghen”, of nog vollediger: »Dit huys is genaemt in die vier Heemskyere.” Vooral in de middeleeuen komen zulke volledige formen voor. Later, sedert de 17de eeu vooral, verkortte men die opschriften meestal, en schreef eenvoudig den naam van het huis onder de afbeelding van het huisteeken; b. v. »De drie Wolven, De gulden hamer, De Vrede, ’t Lam”, enz. Althans in de noordelike Nederlanden was dit het geval. In de zuidelike gewesten bleef men meer het oude gebruik volgen, en behield den volledigen form, tot op dezen dag. Zoo zag ik nog in 1883 te Kortrijk een nieu opschrift: »In den Rifleman.” Nieuerwetscher kan het niet. Dit huis was aldus genoemd naar de engelsche scherpschutters (riflemen), die in de laatste jaren België bezocht hebben om meê te dingen in de vlaamsche en brabantsche kampspelen. In vorige eeuen hing men dit volledige huis-opschrift wel als bynaam achter eenen persoonsnaam; Hendrik Cornelisz. van Marcken in de Roômeulen, Raadsheer van Amsterdam in 1547,—Claes Franszoon in de drie koperen potten, mede een zestiende-eeusche amsterdamsche burger, en anderen, op de voorgaande bladzyde vermeld, kunnen daar van ten voorbeelde strekken. Maar zulke, in het dageliksche gebruik zeker te omslachtige namen hebben geen stand gehouden. Zy zijn allen weêr verdwenen, althans zoo verre ik weet, op dezen eenen hedendaagschen, antwerpschen geslachtsnaam na: In de Sleutele. Dezen zelfden naam vinden wy ook, als toenaam, te Amsterdam, in 1567: Klaes Hendrikszoon in den Sleutel.

Notes in this chapter

Note 1 · § 109. Onder de zeer talryke hedendaagsche geslachtsnamen aan menschelike bedryven ontleend, zijn er velen die slechts uit het eenvoudige woNote 2 · Nu mogen de steenarbeiders volgen: Steenhouwer, Metselaar, Metzlar, Smetsers (des metsers [metselaars] zoon), en Muirker (zie § 153); ook OpNote 3 · De maagschapsnamen De Koker en De Kokere houd ik voor gelijkbeduidend met Kok, Kock, Cock, De Kok, De Kock, enz. die nog al talrijk voorkomeNote 4 · § 113. Aan het bedrijf der handwerkslieden die voor onze kleeding zorgen, zijn de volgende namen ontleend: Kleermaker, De Kleermaeker, De ClNote 5 · Dan volgt de pelsmaker, wiens bedrijf, dat oudtijds veel meer werd uitgeoefend als heden, aan de geslachtsnamen Pelsmaeker, Pelser, Pelster Note 6 · § 114. Geen bedrijf dat meer aanleiding heeft gegeven tot het ontstaan van maagschapsnamen, dan dat van den molenaar. En de omstandigheid daNote 7 · § 118. »De vele geslachtsnamen op man uitgaande, die in ons land bestaan, hebben meerendeels hun oorsprong te danken aan het vroeger door eeNote 8 · Nevens deze eenvoudige man-namen staan de patronymika daarvan, die ook eene niet kleine groep van nederlandsche geslachtsnamen formen. Het zNote 9 · Aan het leeraarsambt zijn de geslachtsnamen Rector en Schoolmeester (ook als patronymikon Schoolmeesters) en Onderwyzer ontleend. De geslachNote 10 · § 121. De vrouen die oudtijds eenig handwerk, nering of bedrijf, als kostwinning uitoefenden, kregen ook wel, even als de mannen, den naam vNote 11 · Oudtijds was men ook in beschaafde kringen en in de hoogere standen der samenleving veel minder kiesch wat het geven en gebruiken van zulke Note 12 · Dat het geven van zulke bynamen reeds van zeer oude dagteekening is, daar van kan menige naam, die onder de volken der oudheid in gebruik waNote 13 · Talrijk zijn de bynamen die aan de byzondere gesteldheid van been en voet ontleend zijn: Blaaubeen, Crombeen, De Crombeen, Langbeen, SpillebNote 14 · Beginnen wy met de goede eigenschappen, dan moeten eerst vermeld worden de geslachtsnamen Goed, Best, Wijs,23 enz. Dan komen Deftig, Droog, Note 15 · Byzondere namen, tot deze groep behoorende, zijn nog: Behaeghel, Behaghel, Behaegel en Behagel, die vooral in de zuidelike gewesten inheemscNote 16 · Ook de geslachtsnamen Den Dievel en Den Engel met Engel houd ik voor oude bynamen. Dievel is de oud-vlaamsche form van het woord duivel; KilNote 17 · De oorsprong van sommige maagschapsnamen, afgeleid van haar- en huidkleur, heb ik op bl. 341–344 vermeld. Waren de namen De Blaeuwe, Blaauw,
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings