← Table of contents
De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis

II. Geslachtsnamen, van aardrijkskundigen oorsprong. (continued 2)

Reading edition

Een gegraven, gedolven vaarwater draagt in Friesland den oud-frieschen naam van deel; het Langdeel, het Scroetsma-deel by verkorting ’t Skroet genoemd, het Naudeel (nau == eng) zijn welbekende vaarwaters in Friesland. De geslachtsnaam Deelstra (zie bl. 245) is van dit woord afgeleid. In den byzonderen tongval der friesche taal die in den zuidwesthoek van Friesland inheemsch is (meest in Hemelumer Oldefert en Noordwolde), en dien men het Zuidhoeksch-friesch noemt, wordt dit woord deel als dol, dolte uitgesproken; b. v. de Dolte, eene gracht in de stad Workum. Van dezen byzonderen form is de geslachtsnaam Dolstra afgeleid. Deze woorden deel en dol (te) heeft men wel, en zeer te recht, verhollandscht tot delf. Zoo schrijft men den naam van een dorp in Schoterland dat in het Friesch Dolstrahusen heet, in geijkt boeke-hollandsch als Delfstrahuizen. Aan dezen verhollandschten form is de geslachtsnaam Delfstra ontleend.

Heem, in Friesland hiem, is het zelfde woord als het hoogduitsche heim en het engelsche home. Als hiem, hieminge beteekent het tegenwoordig in Friesland het erf, of de werf rondom een huis, vooral boerehuis. De geslachtsnamen Hiemstra, Heemstra, Van Heemstra zijn van dit woord afgeleid, even als Hooghiemstra en het half-verhollandschte Hooghiemster. Horn, hern, verhollandscht tot hoorn, zijn de friesche woorden voor hoek. De geslachtsnamen Hornstra, Hoornstra en Henstra (in plaats van Hernstra, omdat de Friesen in deze woorden de r niet uitspreken) zijn er van afkomstig. Hoekstra en Hoeckstra behooren ook hier toe. Over het woord keeg, waarvan de geslachtsnaam Keegstra (misschien ook, by verbastering, Keekstra en Kikstra), zie men bl. 250. Pyp, pîp, is het friesche woord voor eene boochformig geboude steenen brug. Van daar de geslachtsnaam Pypstra. De geslachtsnaam Polstra komt, even als Van der Pol en Van de Poll, van het friesche woord polle, klein eilandje. Een rak, zoo noemt men in Friesland dat gedeelte van eenig vaarwater, dat zich in één zelfde richting uitstrekt. De geslachtsnaam Rakstra is aan dit woord ontleend. En ook de naam van het gehucht Franekerraksend (het einde van het Franekerrak) by de stad Franeker (waar onkundigen wel Franeker-accent van maken); tevens de namen van de amsterdamsche buurten Damrak en Rokin (het rak in).—Over de woorden set en sîl, waar de geslachtsnamen Zetstra en Zylstra aan ontleend zijn, zie men bl. 251 en 248.—Slot, burg, stins zijn woorden van vry wel de zelfde beteekenis. Zy gaven oorsprong aan de geslachtsnamen Slotstra, Burgstra en Stinstra (Stinsstra ware naukeuriger schrijfwyze). Van de Kasteele, Van den Casteele, Van Kasteel met Van den Burg, enz. zijn de tegenhangers van deze friesche namen, in andere nederlandsche gewesten. Een boerehuis, meestal tot eene kleine sate behoorende, waar de schuur, de stalling van het vee en het woonhuis van den boer allen onder één groot dak vereenigd zijn—waar dus dat groote dak als eene stulp of stolp die drie verschillende onderdeelen van een boerehuis overstelpt, heet in Friesland eene stjelp, verhollandscht tot stelp, en in Noord-Holland eene stolp. Het algemeen-nederlandsche woord stulp, geringe boerehut, is van den zelfden oorsprong. Deze woorden liggen aan de geslachtsnamen Stelpstra, versleten tot Stelstra, en Stulpstra, en aan het hollandsche Van der Stolpe ten grondslag. De woorden terp en wier hebben in het hedendaagsche friesche spraakgebruik al zoo tamelik de zelfde beteekenis. Beide woorden, waarvan de geslachtsnamen Terpstra en Wierstra zijn afgeleid (zoo mede Opwyrda, zie bl. 269), komen in friesche plaatsnamen voor. Slappeterp, Greonterp, Ureterp, Allingawier, Offingawier, Poppingawier zijn namen van friesche dorpen; en Hoogterp, Kleiterp, Westerterp, Laasterp, Luitsmaterp, met Heldewier, Noordewier en Rollingswier zijn friesche geslachtsnamen. Een andere form van het woord wier is weer, dat slechts in uitspraak een weinig afwijkt, en meer beoosten Lauers en beoosten Eems, in plaatsnamen voorkomt; b. v. in Mensingaweer, Tjamsweer, Marienweer, Abbingweer, allen dorpen in Groningerland en Oost-Friesland. Langweer en de Wonser-weren zijn echter plaatsnamen uit het westerlauersche Friesland. De geslachtsnamen Weerstra (juist in de Wonser-weren inheemsch, en ongetwyfeld afgeleid van den naam van dat gehucht by ’t friesche dorp Wons) en Walsweer danken aan dit woord weer hun ontstaan. Het woord kerk is in het Friesch tsjerke, waar van de plaatsnamen (in eenigszins verhollandschten form) Tietjerk, Tjerkwerd, Tjerkgaast, enz. allen dorpen in Friesland. De geslachtsnamen Tjerkstra en het half-verhollandschte Kerkstra zijn er van afgeleid. Ten slotte zy hier nog vermeld de geslachtsnaam Waldstra van het friesche woord wald, bosch of woud. Half-verhollandscht komt deze naam ook als Woudstra en Houtstra voor.

Velen van deze stra-namen in Friesland hebben in de andere nederlandsche gewesten hunne tegenhangers in geslachtsnamen die met het voorzetsel van en een lidwoord zijn samengesteld. De aard der zake brengt dit mede. Zoo komt het friesche Baanstra overeen met het algemeen-nederlandsche Van der Baan en met Verbaan; Boomstra met Van den Boom; Kooistra met Van der Kooi (van het woord kooi, eendekooi); Laanstra met Van der Laan; Landstra met Van der Land; Meerstra met Van der Meer en Vermeire (hollandsch en vlaamsch); Walstra met Van der Wal; Wykstra met Van der Wijk. Al dezen namen komen, over en weêr, in beteekenis volkomen met elkanderen overeen.

Verder zijn nog samengesteld met het woord veld de geslachtsnamen: Booneveld, Daverveldt, Hengeveld, Heukensfeldt, Langeveld, Schooneveld, Roseveldt, Sonnevelt en Zonneveld, Maarleveld.

Met land: Baeckelandt, Dorland, Hartland, Hoogland en Laagland, Veenland, Weiland en Weitland. Wieland echter, ook als geslachtsnaam voorkomende, is oorspronkelik een oud-germaansche mansvóórnaam, die als zoodanig nog niet geheel onder ons buiten gebruik geraakt is.

Met akker: Boonacker, Loerakker, Schoonakker, Wijlacker, Rooyakker, Paanakker.

Met made: Schoonmade, (Van) Venckemay, Dolkemade, Schravemade (zie § 186 en 143).

Daarentegen meen ik in de geslachtsnamen Van de Haven, Noorderhaven en Oosterhaven het woord haven (portus) te moeten erkennen. Noorderhaven komt, als weêrga van Norbruis uit Norberhuis, ook in samengetrokkenen en verbasterden form als Noordraven voor.

Opmerkelik is het, onder de talryke hofnamen, den form hoff, met twee letters f, zoo veelvuldig aan te treffen.

Met oever: Van Goudoever, Kortenoever, met Ten Oevere, Ten Oever en Van den Oever.

Met berg: Asselbergh (Asselbergs is hiervan een oneigenlike vadersnaam; zie bl. 188), Bloemberg en Bloembergen, Cauwenbergh, Engelenberg, Hazenberg, Kleyberg, Knynenberg, Loosbergh, Halsberghe, Maekelberg, Mijsberg, Schenkenberg. Opmerkelik is het dat er in ons vlakke Nederland zoo byzonder veel namen voorkomen die met het woord berg zijn samengesteld. Zoo is ook de geslachtsnaam Van den Berg een der algemeenste, overal voorkomende namen. Trouens, eene verheffing van den bodem, weinige ellen hoog, wordt door het nederlandsche volk reeds met den naam berg, zoo niet hooge-berg vereerd. De dalen zijn in onze geslachtsnamen oneindig veel geringer in aantal.

Met dal: behalven Van Dale en Van Daele, nog Eikendal, Lovendaal, Boterdael en Botterdaele (ook Van Boterdael en Butterdael) en, als weêrga van dezen naam, Boterberg (beide te Brussel). Verder Diependaele, Candaele, Hennixdael (Hennink’s dal; zie bl. 52), Hinderdael, Hiebendaal, Leeuwendaal, Groenendaal.

Met duin: Noorduyn, Rijsduin, Westerduin, Vredenduin, Zuiderduin.

Met beek: Camelbeek, Geysbeek, Heymbeeck, Ysenbeek, Legebeke, Noordbeek en Noorbeek, Schaeverbeke, Swaanebeek en Zwanenbeek, Siegenbeek, Wolterbeek. In de oostelikste (saksische) gouen van ons land, in Twente en den gelderschen Achterhoek, wordt het woord beek als bek, bekke uitgesproken. Van daar plaatsnamen als de Bekkematte, buurt by Eibergen; Bekveld, buurt by Hengelo (O); de Rammelbekke of Rammelbeek, enz. in die gouen. En van daar ook geslachtsnamen als Schierbeck (het verhollandschte Schierbeek komt ook voor), Thor Becke of Thorbecke (zie bl. 264), Uhlenbeck, Bekhuis nevens Beekhuis, Visbeck nevens Visbeek, Vor der Wullbecke (zie bl. 255), enz. De uitspraak van het woord beek als bek (beck) of bekke strekt zich ook over geheel Westfalen en andere aangrenzende duitsche landen uit, en geslachtsnamen op beck eindigende, komen ook daar menigvuldig voor. Velen van de thans als nederlandsche namen geldende maagschapsnamen met beck samengesteld, zullen dan ook wel over onze oostelike grenzen tot ons gekomen zijn. Geenszins zeldzaam zijn ook in Nederland de hoogduitsche geslachtsnamen die op bach eindigen. Deze namen, als vreemden, kunnen eigenlik in dit werk niet in aanmerking komen. Maar toch dient hier vermeld te worden dat enkelen dezer bach-namen in schrijfwyze verhollandscht zijn, en nu op bagh of op bag uitgaan. Zulke namen zijn: Breydenbagh, Avenbag, Kolbag, Dievenbag (verhollandsching van Tiefenbach?), enz. Andere oorspronkelik hoogduitsche bach-namen zijn geheel vertaald geworden in het Nederlandsch; b. v. Breidenbach tot Breedenbeek; Kalsbach tot Kalsbeek; Stolzenbach tot Stoutenbeek, enz.

Een groot gedeelte van Nederland heeft geene beken, maar zooveel te meer slooten. Toch zijn de maagschapsnamen met het woord beek samengesteld, talrijk in vergelyking met die welke van het woord sloot afgeleid zijn. Behalven Van der Sloot zijn my slechts bekend: Donkersloot en Helsloot (tegenhangers? zie § 168), Ouwersloot, Galesloot, Korsloot, Wykersloot met De Wykerslooth in half-franschen, dus onzinnigen form, enz.

Grachten en vlieten zijn in Nederland al niet minder talrijk dan slooten. Toch zijn ook de maagschapsnamen, aan deze woorden ontleend, zeldzaam. Ik ken slechts Van der Gracht en Van der Graft, Berghgracht (eene min of meer zonderlinge samenstelling), Steengracht en Coenegracht. Deze laatste naam komt ook als oneigenlike vadersnaam, als Coenegrachts voor; en dan ook nog te Hoegaarde (Hougaerde) in Zuid-Brabant, op de grenzen van ons taalgebied, door misverstand en in verbasterden form, als Coenegras. Verder Godvliet, Polvliet met Polfliet en Pollefliet, Schyvliet en Sneevliet met Van Vliet, Van der Vliet en Vervliet.

Waar water is, daar zijn ook dyken, dammen, sluisen, bruggen, veren en voorden. Deze algemeen-aardrijkskundige woorden vinden wy in de maagschapsnamen Van Dijk, zeer talrijk, en Dykstra, eveneens. Verder in Ackersdijk, Bazendijk, Bilderdijk, Burgersdijk, Craandijk, Hofdijk, Hordijk, Soutendijk, Wesseldijk, enz. Ook in Dijkman en Dijkmans. Deze met dijk samengestelde namen komen hooftsakelik, zoo niet uitsluitend, in Noord-Nederland voor, en zijn daar geenszins zeldzaam. Of de maagschapsnaam Kerdijk ook tot deze namen, met het woord dijk samengesteld, behoort, meen ik te mogen betwyfelen, al kan ik hem ook anders niet verklaren. Dam-namen zijn Van Dam, zeer algemeen, ’t welk in ons damrijk land geen wonder is; Verdam, Bekedam, Bondam, Duindam, Hoogendam, Nieuwendam (kan ook een byzondere aardrijkskundige naam zijn, ontleend aan den naam van het dorp Nieuwendam in Noord-Holland aan het Y; zie ook § 156) en Nydam, Ryersdam, Soutendam, Stouwdam.—Beversluis met Van der Sluis en Versluys, misschien ook met Sluizer.—Van ’t Sas is de zeeusch-vlaamsche, Van Zijl (en Zylstra) de friesche tegenhanger van Van der Sluis. Het woord brug vinden wy in de maagschapsnamen Van de Brug, Van der Brug, Van der Breggen, Van Bruggen, Brugman, Bruggeman, Brugmans, in Barenbrugh, Koebrugge, Leembruggen, Meulenbrugge, Mijnsbrughen (zie bl. 276), Niggebrugge, enz. Laatstgenoemde naam zal wel over onze oostergrenzen tot ons gekomen zijn, en dan nieue brug beteekenen, naardien het woord nieu in sommige westfaalsche tongvallen, o. a. rondom Osnabrück, uit welke oorden er steeds zoo velen naar Nederland kwamen afzakken, als nigge wordt uitgesproken. In de maagschapsnamen Van der Veer en Verveer, De Veirman, Veerman, Altveer, Cijfveer(?) en Westveer vinden wy ’t woord veer; misschien ook in De Veer. Maar deze laatste naam is my twyfelachtig—ook al om het afwykende geslacht, dat, blykens het lidwoord, in dezen naam het anders onzydige woord veer heeft. De Veer zoude ook kunnen zijn het woord veêr, veder, vogelveêr, en dan oorspronkelik als huisnaam. Te Amsterdam toch staat nog op den Nieuwendijk een huis, dat »de oude Veêr” heet, en waarin van ouds een beddewinkel (van veêren bedden) was; en te Rotterdam komt nog de geslachtsnaam Veder voor. Het kan ook zijn eene verkorting van het oud-friesche woord feder, vader. Te Hindeloopen spreken de kinderen hunnen vader nog aan als feer; en de maagschapsnaam Vader is niet zeldzaam; in de vlaamsche gewesten komt hy ook in samengetrokken form, als De Vaere voor. Het woord voort, voorde, plaats waar men door het water waadt, komt voor in de maagschapsnamen Van der Voort, Van der Voorde, Vervoort, Vervoorde, Vervoerde, Voorda, Voerda, Voortman, Balfoort, Blankevoort, Langevoort, Markvoort, Gantvoort, Poelvoorde, Vredevoort, Wagenvoorde en Ten Bengevoort (ten Benninge-voorde?).

Oort en weert, weide, veen en heide, bosch en loo, hout en woud, roode, marsch en geest, donk en horst formen eene andere groep van algemeen-aardrijkskundige namen, die grootendeels talrijk voorkomen in allerlei geslachtsnamen. Zie hier eenige voorbeelden: Van Oort en Van Oorde, Op den Oort (zie bl. 254), Bredenoort, Hagoort, Kraayenoord, Schilperoort; Van de Weert, Blyweert, Duyvewaerdt en Flikweert; Lagerwey en Klaverweyden met Van der Weide, Van de Wey, Verwei, Verwey, enz. Van den Bosch, Van den Bussche en Van den Bos met Boschman, Buschman, Bosman, misschien ook met Bosscher, Busscher, Bosker en Busker, en Bosgra, volgens het friesche taaleigen; Bysterbos, Doorenbosch, Doornbosch en Doorenbos, Hulsebos, Strybos, Veenenbos, Wylgenbosch. Opmerkelik, dat by het grootste gedeelte dezer namen het woord bosch zyne ch verloren heeft.—Een loo is een eikenbosch, of naukeuriger gezeid: een oord met jong eikenhout bezet, een akkermaalsbosch, waar men dunne eikenstammetjes kweekt, als hakhout, vooral om de bast er van als looistof te gebruiken. Hangen onze woorden loo en looien niet samen? Wy vinden dit oud-germaansche woord, dat ook in nederlandsche plaatsnamen zoo veelvuldig voorkomt (Almeloo, Beverloo, Eekloo—dat is tweemaal het zelfde gezeid,—Groenloo), terug in de geslachtsnamen Van de Loo, Loman met Looman en den hoogduitschen form Lohmann (alle drie vry algemeen), Apperloo, Boschloo, Biddeloo met Bidloo en misschien ook met Pitlo, en de versletene formen Beeloo en Beelo; verder in Donkerloo, Oosterloo, Tinckloo, Venverloo, Wesseloo, Zelderloo. De byzondere maagschapsnaam Deurloo (zie bl. 220) behoort hier ook genoemd te worden. Het eikenbosch dat aleer dien naam gedragen heeft, ligt nu verdronken in den mond der Hont of Westerschelde, in de Noordzee. De naam echter, een zeer oneigenlike voor eenen riviermond (dies zeit men ook wel »de Rassen”), is tot op den dag van heden aan die plaats gehecht gebleven. De geslachtsnaam Anslo (†?) is ook byzonder, en behoort by deze algemeen-aardrijkskundige namen eigenlik niet. C. Honigh in zyne Reisschetsen uit Noorwegen (De Gids, jaargang 1884, bl. 228) vermeldt het volgende: »Claes Claessen, de grootvader van den zeventiende-eeuwschen dichter Reyer Anslo, en stichter van het Ansloos-hofje in de Egelantiersstraat, was in 1555 in Oslo geboren. Zyne nakomelingen voerden den uit Oslo verbasterden geslachtsnaam Ansloo.” Oslo is de naam van eene oud-noorsche stad, in den jare 1624 verbrand en niet weêr herboud. In plaats daarvan werd de tegenwoordige hoofdstad van Noorwegen, Christiania, gesticht.

Over de beteekenis van het woord rode of rade zie men bl. 248. Behalven de namen, daar ter plaatse opgenoemd, zijn met dit woord nog samengesteld de maagschapsnamen Van Roo, Van Rode, Van de Raadt, Breedenraedt, Bruynseraede, Hoogenraad, Stramrood, Schreveraey (dat beduidt: des graven rade), Tavenraat, Weustenraadt, Mallinckrodt.

Hout en woud in frankischen, holt en wold in saksischen form zijn woorden van eene en de zelfde beteekenis, ook van eenen en den zelfden oorsprong. Behalven in talryke plaatsnamen, en in de eenvoudige maagschapsnamen Van Hout, Van Haute, Van ’t Hout, Van Holte, Van den Haute, Van Houte, Van Houtte, Van Hautte, Op ’t Holt, Houtstra, Van Woude, Van ’t Wout, Van der Woude, Van der Wouw, Verwoude, Verwou, Verwolde, Van de Wolde, Woudstra, Woldstra, Houtman, Wouman, enz. vinden wy deze woorden in de meer samengestelde geslachtsnamen Boekhout, Boekhold, Bouckout, Bouckhaut, enz., Frankenhout, Halverhout, Langhout, Mansholt, Eekhout en verwante formen (zie §135), Moerenhout, Schelfhout (de zelfde naam komt in de zuidelike Nederlanden voor als Schelfaut), Spitholt, Suyderhoud, Vastenhout en Vastenoudt, Wechterholt, Wentholt en Witholt. Deze namen, met hout, holt samengesteld, zijn byzonder talrijk in allerlei formen en schrijfwyzen. En dit is ook met de woud- en wold-namen het geval: Bruinwold en Bruynewold, Duysterwout, Dunnewold, Swartwold, en vooral ook Groenewold, dat met Groenewoud, Groenewoldt en zelfs met het half en heel hoogduitsche Groenewald en Grünewald, vry algemeen is.

Geest en Gast (zie bl. 247), komen voor in Van der Geest, Ter Gast, Geestman, Gastman, Van der Gaast, Geestra en Gaastra, Brondgeest, Houckgeest, Wittegeest, Zuidgeest. Marsch of mersch en meersch in Van der Marsch, Ter Marsch, Wittemarsch, misschien ook in Marsman en Mersman. Verder in Vermeersch, Overmars, enz.

Het woord heide treft men in de maagschapsnamen Van der Heide, Van der Hei, Van Hei, Van Heed, Van Hee, Verhey, Oosthey, enz. Het woord donk in Donck, Van Donck, Van der Donk en Verdonck, Daesdonck, Haseldonck, Kilsdonck, Lindonk, Meynendonk, Kranendonk en Cranendoncq, Stipdonck en Surendonk. Deze geslachtsnamen met donk samengesteld, en eveneens de plaatsnamen op donk eindigende, komen meest in de zuidelike Nederlanden voor. Horst (zie bl. 250) vindt men in Van der Horst, Ter Horst, Ingenhorst en Horstman. Verder in Binkhorst, Bronkhorst, Methorst, Quellhorst, Riedhorst, Rouwenhorst, Selhorst, Snaakhorst.

Eindelik nog eenige veen-namen: Van der Veen en Van der Feen, Feenstra en Veenstra komen zeer talrijk voor, hooftsakelik in de noordoostelike Nederlanden, waar veel venen zijn. Verder: Glimmerveen, Nederveen, Noortveen, Oostveen, Roggeveen, Sureveen, en Roveen, Zwarteveen en Witteveen. Men onderscheid in de veenstreken, naar mate van den byzonderen aart van het veen, roodveen, witveen en zwartveen. Van daar deze maagschapsnamen.

§ 105. Eene laatste groep van algemeen-aardrijkskundige woorden omvat de benamingen van zulke zaken welke meer bepaald aan de werkzaamheid van den mensch hun ontstaan danken; als: burg, zeele, hoek, werf, brink, kamp, laan en baan en weg, kuil en put, wijk, tuin en gaarde. Ook al deze woorden komen veelvuldig in samengestelde en enkelvoudige algemeen-aardrijkskundige geslachtsnamen voor. Enkelen van dat groote aantal dienen hier vermeld te worden.

Met burg en borg (oorspronkelik burcht, borcht, slot, kasteel) zijn samengesteld—behalve Van den Burg, enz.; Buddenborg, Meerburg, Moolenburgh, Ypenburg, Schotborgh, Siedenburg, Smallenburg, Spierenburg, Stekelenburg, Sterkenburg en Starkenborg, Witsenborg, Waterborg, Wekenborg, Meyborg, Pannenborg. In navolging van de namen der middeleeusche burchten, gaven ook vele zeventiende- en achttiende-eeusche Nederlanders, vooral Hollanders, zulke burg-namen aan hunne landgoederen en buitenplaatsen. En ook zulke nieue burg-namen zijn wel als geslachtsnamen in gebruik gekomen. In den regel was het niet de heer, de eigenaar van zulk een landgoed, die den naam daarvan als geslachtsnaam aannam, maar de rentmeester of de tuinbaas of een pachter, als zy er jaren lang gewoond hadden, en als ’t ware met zulk een landgoed vereenzelvigd waren geworden. Men kent zulke nieuerwetsche burgnamen wel aan hunnen soms gewrongenen, ook burgerliken form; b. v. Eendenburg, Paddenburg, Rustenburg, Uilenburg, Vaartburg, Waayenborg, enz. allen hedendaagsche geslachtsnamen.

De namen der middeleeusche burchten en sloten eindigden dikwijls op stein of steen, het zy om aan te duiden dat het vaste huizen waren van steen geboud (stinsen, stenhusen), of dat ze op eenen steen of rots waren gegrondvest. Het eerste was meest het geval in de Nederlanden, waar de woningen der poorters in de steden en vooral ook der boeren ten platten lande, in de middeleeuen doorgaans van hout waren, met riet of stroo gedekt. Het andere kwam uit den aard der zake meer in hooger gelegene landstreken aan en over onze oostelike en zuidelike grenzen voor. Later werden zulke steinnamen, even als de burgnamen, ook dikwijls aan burgerlike landgoederen en buitenplaatsen gegeven, en die namen zijn ook al tot hedendaagsche geslachtsnamen geworden. B. v. Boekestein (ook Boekestijn komt voor, in wanspelling—zie § 157); Druyvesteyn, Oudsteyn, Pecsteen(?), Quakkelsteyn, Sypesteyn, Wecksteen met Wegsteen en Weeksteen, enz. Verder Hoekstein en de hoogduitsche weêrga daarvan, Ekstein en Eckstein, die te Antwerpen nog eens in spelling veranderd als Exsteen voorkomt; buitendien nog Van der Steen, Steenstra, Stienstra, enz. De friesche maagschapsnaam Hoogstins dient hier ook vermeld.

By sommige oud-germaansche volksstammen, onder anderen by de Saksen, voor een deel onze voorouders, werd de groote woning van eenen hoofdman of ander aanzienlik persoon sale of sele genoemd. Dit woord, oorspronkelik na verwant met het woord hal, halle, eene opene, door zuilen geschraagde woning beteekenende, gelijk die oud-germaansche selen veelal waren, bestaat nog in ons woord zaal. En tevens, vooral ook in den form zele, zeel, maakt het deel uit van vele nederlandsche plaatsnamen: Oldenzaal b. v. stad in Twente, en Oudezeele, dorp in Fransch-Vlaanderen; beide namen leveren slechts een verschil op in tongval. Verder in Scherpenzeel, zoo heeten twee nederlandsche dorpen, een in Friesland, en een in Gelderland op de Feluwe; Loenderzeel, Bissezeele, enz. In geslachtsnamen is dit woord tamelik zeldzaam. My zijn bekend: Bruynzeel, Immerzeel, Ipperseel, Nevenzeel; en waarschijnlik ook Wittezaele. Buiten dien nog Verzele.

Stede, steê, woonstede, vinden wy in de geslachtsnamen Borgstede, Alsteede, Damsté, Duynstee, Haagstee, Hoogsteede (het weinig afwykende Hoogstad komt ook voor; dit is waarschijnlik een byzondere plaatsnaam, afgeleid van Hochstadt, een plaatsnaam die veelvuldig in Duitschland voorkomt). Verder Kolstee, Maalsteed (ook half hoogduitsch geschreven als Mahlstede), Volsteedt, enz.—Wijk, een woord van verschillende beteekenissen, komt voor in Damwijk, Frieswijk, Haelewijck, Klapwijk, Kromwijk, Sandwijk, Swaanswijk, Vaerewijck, Woudwijk, enz.

Met hoek samengesteld zijn de geslachtsnamen: Kalishoek, Noordhoek, Kurpershoek, Leegenhouck, Molhoek, Smitshoek, Spieringshoek, Oosthoek, Stegerhoek. Horn en hoorn is het zelfde als hoek. Dit oude woord, van frieschen oorsprong (zie bl. 250), vinden wy in de geslachtsnamen: Barghoorn, Dijkxhoorn, Droghorn, Spilthoorn, Oosterhoorn, Wolthoorn, enz. Een ander woord voor hoek is winkel, waarvan ons woord winkelhaak; zie ook bl. 204. Winkel is het tegenovergestelde van horn; het eerste woord beteekent een binnen-, het andere een buitenhoek. Het woord winkel komt voor in de geslachtsnamen Baerwinckel, Boswinkel, Cramwinckel, Gleenewinkel, Hooghwinkel, Kattewinkel, Hanewinkel, Hasewinkel, Nieuwinckel, Romswinckel; buitendien in Van de Wynckel. In den geslachtsnaam Vettewinkel schijnt het woord winkel my toe de nieuere beteekenis te hebben van een gedeelte van een huis, een voorhuis, waar koopwaren uitgestald zijn en verkocht worden. Een winkel, waar vet, boter, olie, spek en dergelike dingen te koop zijn, noemt men wel een vettewinkel. Den man, die zulk eenen vettewinkel houdt, noemt men te Middelburg, en elders in Zeeland en Vlaanderen, met het zonderling geformde bastertwoord vettewarier, van vette waar afgeleid. De maagschapsnaam Rooswinkel zal wel oorspronkelik de naam zijn van het dorp Roswinkel in Drente.

Werf, brink, kamp, laan, baan, einde, weg, kuil en put, tuin en gaarde zijn algemeene aardrijkskundige woorden, die geenen naderen uitleg eischen, en die in talryke geslachtsnamen voorkomen. Zie hier eenige voorbeelden daarvan:

Met werf zijn samengesteld: Van der Werf, Van de Werve, Bergwerf, Disselwerf, Hoogewerf, Lagewerff.

Met brink: Van den Brink, Van de Brinke, Ten Brink, Brinkman (deze naam is, als Brinkmann, ook dikwijls uit Westfalen, waar hy zeer algemeen is, tot ons overgekomen), Dambrink, Hurrelbrink, Kraayenbrink, Kottelbrink, Kruisselbrink, Sandbrink, Speekenbrink, Veenbrink, Westenbrink. Ook Stornebrink en Störnebrink, dat in Friesland, in uitspraak op friesche wyze verbasterd en op hollandsche wyze geschreven, als Steunebrink voorkomt.

Met kamp: Van der Kamp, Kampstra, Belekamp, Elskamp, Feltkamp en Veldkamp, Hasekamp, Haverkamp, Peperkamp, Reuvekamp, ook op hoogduitsche wyze als Rövekamp geschreven, Schalekamp, Steenkamp, Westerkamp, Witkamp.

Met laan: Van der Laan, Laanstra, Batelaan, Felperlaan, Yperlaan, Langelaan, Zuiderlaan.

Met baan: Van der Baan, Baanstra, Oosterbaan, Schiebaan, Westerbaan, Zuiderbaan.

Met einde of ende: Van der Ende, Van ’t Einde, Endstra, Balkenende, Zuiderend.—Van den Hende, in Vlaanderen inheemsch, behoort waarschijnlik ook wel hier, als eene, in Vlaanderen niet ongewone wanspelling van Van den Ende.

Met weg: Van der Weg, Wegstra, en Weistra (weg = wei in het Friesch), Breedeweg, Groenewegen, Harweg en Harwegen, Heirwegh, Herrewegh, Heerwegh, Hoogeweegen, Hoornweg, Korteweg, Kleiweg, Schuerwegh.

Met put: Pitstra, Helleputte, Nechelput, Verseput (dat is een put van versch, zoet water, in tegenstelling van brak of zout water), Waelput, Wullepit. Over put en pit, en over een paar geslachtsnamen, met dit woord samengesteld, zie men bl. 251.

Met tuin: Tuinstra, Houttuyn (de maagschapsnaam Tuinhout komt ook voor; als tegenhanger? zie § 168), Vlastuin, Elsentuin, Blomtuin. Het woord houttuin beteekent eene omtuinde of omheinde plaats, waar timmerhout bewaard wordt. Aan de buitenhelling van den ouden Haarlemmer-dijk te Amsterdam lagen oudtijds zulke houttuinen. Van daar dat de buurt, die later daar ter plaatse ontstond, nog heden den naam draagt van »de Haarlemmer Houttuinen.”

Met gaarde: Diergaarde, Roosegaarde, Schilfgaarde, Oolgaardt. Zoude deze laatste naam geene verbastering zijn van den hoogduitschen naam Oelgarten, dat oorspronkelik een oud-duitsche naam is voor den Olyfberg, anders gezeid Gethsemane, of wel Hofken van Oliveten, gelijk de Vlamingen zeggen. Ook Vergaerde, samengetrokken uit Van der Gaerde, komt voor. In den geslachtsnaam Mergaert meen ik eenen versletenen oud-germaanschen mansvóórnaam (Markwart, Merkart, Merwart?) te vinden.

§ 106. Daar zijn nog vele andere algemeene aardrijkskundige woorden, die als geslachtsnamen dienst doen. De byzondersten daarvan hier ook slechts te melden, zoude reeds te veel ruimte eischen. Die namen te verklaren, ware ook overbodig; zy zijn in den regel duidelik genoeg. Als voorbeelden kunnen gelden de maagschapsnamen Kalkoven en Tiggeloove (misspelling van Ticheloven), Zeedijk, Hooyschuur, Hogetoorn, Schutstal, Koestal, Schapenstal en Schaaphok, Hofstede en Hofstee, Hoogeboezem. Boezem heet het binnenwater van een waterschap of polder-district; van daar ook de geslachtsnaam Van den Boezem. Verder Voorspuy, Binnekolk en Stouwdam (een dam in stroomend water gelegd om het water op te stuwen of te stouen, in het Hoogduitsch ook stau genoemd), ook namen aan de water-aangelegenheden van onzen bodem ontleend. Dan nog Noordhoek, Bloemhof, Lusthoff, Appelhof, Blomtuin, Wijnberg, Vlasveld, Boomgaard, Wijngaard, Kerkhof. Vooral de drie laatste namen komen menigvuldig en onder allerlei formen voor; als: Kerckhof, Kerckhoff, Van den Kerkhove, Van de Kerckove (dit is een vlaamsche form, zonder h); Van den Wijngaerde, Van den Wingert, Onder de Wijngaard, enz. Maar de formen waaronder het eenvoudige woord Boomgaard als maagschapsnaam voor den dag komt, zijn byzonder groot in aantal. Zie hier slechts eenigen daar van, als een tweede voorbeeld (’t eerste staat op bl. 155 en 156), van den formenrijkdom onzer sprake: Boomgaard, Boomgaerd, Boomgaert, Boomgaerdt, Boogaert, Bogaert, Bogaerdt, Bogert, Bongert, Boomgert, Van den Boomgaard, Van de Boomgaard, Van den Bogaert, Uyttenbogaerdt, Ten Bogaerde, enz. Ook als oneigenlike vadersnamen komen deze namen voor: Bogaerds, Bogaerts, Bogaertz, Bogerts, Bongarts, zelfs Bungartz, en verlatynscht tot Bogardus. De formen Bongert en Bonger echter, met Bongerts en Bongers, kunnen ook afkomstig zijn van het oud-nederlandsche woord »bonger”, ’t welk een speelman beduidt, die op eene bonge of blaas, ’t zy dan onder de gedaante van doedelzak of van rommelpot, ’t zy onder die van boerhalvezeve (tamboeryn) muzyk (?) maakt.

Eene algemeene aanmerking, geldig voor deze geheele afdeeling van maagschapsnamen uit algemeene aardrijkskundige woorden genomen, en waar op ik in het byzonder nadruk leg, dient hier nog vermeld te worden. Onder al de geslachtsnamen, in de laatste §§ opgenoemd, zullen er ongetwyfeld wel eenigen zijn, die, hoewel zij uit algemeene aardrijkskundige woorden samengesteld zijn, toch in werkelikheid de namen zijn van byzondere plaatsen, ’t zy dan in Nederland, ’t zy daar buiten. Namen van groote dorpen of steden zullen dit wel niet wezen, maar namen van kleine dorpkes, van gehuchten en buurten, landhoeven, enkele huizen, enz. kunnen zeer wel hier onder voorkomen. Wie kent al die namen? In dat geval echter behooren zulke namen dan niet in deze afdeeling, by d’ algemeene plaatsnamen, maar integendeel by de maagschapsnamen aan byzondere aardrijkskundige namen ontleend, en die in § 72–78 reeds zijn opgenoemd. Heb ik dus hier eene enkele maal gedwaald, de vriendelike lezer zy dan zoo goed my om deze zake te willen verontschuldigen.

Hoogduitsche formen, soms ook weêr half verdietscht, van al deze man-namen komen ook zeer veelvuldig in de Nederlanden voor; b. v. Brinkmann en Brinckmann, Mohrman, Mohrmann, Waldman en Waltmann, enz.

Eenigen van de bovenvermelde namen, als Bruggeman, Zijlman, Sluisman, Poortman, kunnen ook even zeer als beroepsnamen worden geduid, en dus by § 118 worden gevoegd.

Notes in this chapter

Note 1 · Zie Josef Haltrich, Sächsischer Volkswitz—Overdruk uit een tijdschrift—bl. 6.Note 2 · Zie De Handelingen der Apostelen, hoofdstuk VIII vers 27.Note 3 · Zie Edw. Gailliard, Glossaire flamand, op het woord stragier.Note 4 · Zie mijn opstel Land, volk en taal in West-Vlaanderen, in De Tijdspiegel, 1884, bl. 1.Note 5 · Bremer en Breemer, De Keulenaar, De Ceuleneer, De Ceuleneir en Ceulenaere, Clever, Hamburger, Luykenaar, Reeser en Santenaire. Beide laatstgNote 6 · Bregentzer (van Bregentz, stad in Oostenrijk), Dannenfelser (van Dannenfels, dorp in den Beierschen Palts, by Kirchheim-Bolanden), DarmstädtNote 7 · Abcouwer (van Abcoude, voluit Abekenwoude, maar in volksuitspraak Apkou—dorp by Amsterdam); Alphenaar (van Alfen, dorp in Rijnland, of ook iNote 8 · Deze naam wordt vermeld in T. D. Wiarda, Ueber Deutsche Namen, bl. 126.Note 9 · Beerstra, van het dorp Beers, moet dus eigenlik Beersstra zijn; Beetstra, van het dorp Beets; Boonstra en Boornstra, van het dorp Olde-BoornNote 10 · Alstorphius, van Alsdorf, zoo als wel drie dorpen in Rijn-Pruissen heeten, een by Aken, een by Trier, een by Coblentz. Essenius; de plaatsnaNote 11 · Zie Navorscher, dl. XXVI, bl. 351 en 362.Note 12 · Zoo geven onze zeelieden, in het Engelsche-kanaal zoo wel bevaren, aan het Nau tusschen Dover en Kales (Calais), aan de vooruitstekende landNote 13 · Elzas, Nassau, Navaere (Navarre), Neumark (eene gou van het pruissische gewest Brandenburg), Noorweegen, Oostenrijk, Padmos en Patmos, PiemoNote 14 · Brandenburgh en Brandenburg, Calisch met Kalisch, Kalis en Calis (stad in Polen), Clermont, Craeau, Dublin, Edenburg, Fernambucq, KantelbergNote 15 · Yonge, Christian Names, dl. I, bl. 54.Note 16 · Dresden, Dusseldorf en Dusseldorp, Frankfort, Halberstadt, Hamburg, Hanou (Hanau is eene stad in Hessen, waarvan d’inwoners veelvuldig in veNote 17 · Benraadt (dorp in de Rijnlanden by Dusseldorp), Berssenbrugge (dorp in Hanover by Osnabrück), Burlage, Boerlage, Buurlage (Burlage is een doNote 18 · Hoogezand, Muntendam, Dwingeloo, Hoogeveen, Vollenhove, Kampen (kan ook een patronymikon zijn), Steenwijk, Appeldoorn, Barneveld, Eibergen, Note 19 · Zie De Navorscher, dl. XXVIII, bl. 88.Note 20 · Eene zonderlinge, den oore beleedigende en de tonge vermoeiende samenstelling van geslachtsnamen, eigen aan een enkel persoon, is Van Taack Note 21 · Drentsche Volksalmanak, jaargang 1839, bl. 29 en jaargang 1840, bl. 143.Note 22 · Van Engeland, Van Hessen, Van Holstein, Van Ierland, Van Italië, Van Kent (graafschap in Engelland), Van Liefland, Van Nassau, Van OostenrijNote 23 · De Navorscher, dl. XXXIII, bl. 41.Note 24 · Zie myne opstellen »Friesland over de grenzen”, in het tijdschrift De Tijdspiegel, jaargang 1882, en »Eenige bizonderheden aangaande de kleeNote 25 · Van Dantzig, Van Dresden, Van Edenburg, Van Gosselaar (zoo deze naam althans eene verbastering is van Goslar, eene stad in den Hartz), Van HNote 26 · Van Crefeld, Van Dorsten, Van Dulken, Van Duren en Van Duuren, Van Dusseldorp, Van Emmerik, Van Erkelens, Van Eupen, Van Gangelt, Van GelderNote 27 · Van Bilderbeek (Billerbeck, stadje niet ver van onze geldersche grenzen), Van Brethorst (dorp by Minden), Van Dortmond, Van Koetsveld (CoesfNote 28 · Van Nieuwenhuis (Nieuwenhuis, Nienhuis, Nienhaus, Neuenhaus, een benthemsch stadje aan de drentsche grens), Van Emmelenkamp (zie bl. 212), VNote 29 · Van Doornum, Van Geuns en Van Goens, Van Jennelt, Van Jeveren, Van Hinte, Van Leer, Van Lengen, Van Norden en Van Noorden, Van Varelen, enz.Note 30 · Fr. Arends, Erdbeschreibung des Fürstenthums Ostfriesland. Emden, 1824.—bl. 207.Note 31 · Van Haren, Van Assen, Van Coeverden, Van Kampen, Van Deventer, Van Zutphen, Van Tiel, Van Loenen, Van IJsselstein, Van Egmond, Van Haarlem, Note 32 · Van Bergen-Henegouwen, Van Brussel, Van Brugge (veelal Van Bruggen gespeld, en daardoor twyfelachtig), Van Damme, Van Deynse, Van Diest, VanNote 33 · Van Hazebrock (met Hasebroek, enz., zie bl. 218), Van Honschoten, Van Mardijck, Van Suypeene, Van Peene en Van Peen, Van Stapele, Van Uxem, Note 34 · Van Driel, De Dwingelo (merkweerdiger wyze komt deze naam in verfranschten form voor), Van Gennip, Van Gestel, Van Groeningen, Van HeemskerkNote 35 · Zie een opstel over Munnikreede, van H. Q. Janssen, in het jaarboekje Cadsandria, voor 1854, te Schoondyke in Zeeusch-Vlaanderen uitgegeven.Note 36 · Zie N. de Roever, Nadere bizonderheden betreffende Jan Theunisz. Blanckerhoff, voorkomende in het tijdschrift Oud-Holland.—Amsterdam, 1882, Note 37 · In hoogduitschen form, als Von Beesten, komt een geslachtsnaam, van dezen dorpsnaam ontleend, nog tegenwoordig in de Nederlanden voor; zoo oNote 38 · Deinuma en Deinema, van het dorp Deinum; Dokkuma, van de stad Dokkum; Dongjuma, van het dorp Dongjum; Ferwerda, en het versletene Ferweda, vNote 39 · Helwerda, van het gehucht Helwert by Rottum in Fivelgo; Leta, van de Lete, een gehucht by Bellingawolde; Lula, van de Lule, een gehucht by ’Note 40 · Van der Dussen, Van der Dusse, Verdussen; de Dusse is een stroomke in Noord-Brabant, in het Land van Altena. Van der Eem en Overeem; de Eem Note 41 · Berg, Brink, Dam, Dijk, Duin, Haven, Hoek en Honck, Hoff, Huis, Kolk, Laan, Oort, Poel, Sluis, Strand, Veen, Veld, Zee.Note 42 · ’T Felt (het veld), De Geest en De Gheest, Den Duyn, De Hoogt, De Hoek, De Hoorn, De Poel, ’T Sas, De Wal en De Walle, De Weide, De Winkel, Note 43 · Van Dijk en Van Dijck, Van Duin en Van Duyn, Van Hoeck, Van Hee, Van Houtte, Van Hove, Van Lee en Van Lede, Van Neste, Van Ooi, Van Ooy, VanNote 44 · Zie mijn opstel: Amerzode, in De Navorscher, dl. XXXIII, bl. 128.Note 45 · Van den Bosch, Van den Bossche, Van den Bussche en Van den Bos, Van den Berg, Van den Bergh, Van den Berge, Van den Berghe, Van den Berghen,Note 46 · Verburg, Verburgh, Verburgt en Verborg, Vercauteren (cauter, kouter is een zuidnederlandsch woord, en beteekent eene groote uitgestrektheid Note 47 · Oudtijds was deze zonderlinge uitspraak der n als ng ook in sommige hollandsche en andere noordnederlandsche tongvallen zeer algemeen. OnderNote 48 · Angenroen (ang [d]en ro-en, aan den roden, aan de rode, zie bl. 248 en 258), Ingenbleek (ing [d]en bleek), Ingebos, Ingendael, Ingenhaag, InNote 49 · Zie mijn opstel: Geslachtsnamen met ingen en angen beginnende, in De Navorscher, dl. XXIX, bl. 33.Note 50 · Zie Craandijk en Schipperus, Wandelingen door Nederland. Supplement.Note 51 · Te Kloeze (kloese is de saksische form van het hollandsche kluis; het adellike huis De Kloese is by Lochem; de geslachtsnaam Van der Kloes kNote 52 · Ten Heuvel, Ten Hove, Ten Cate en Ten Kate, Ten Kley (klei, kleigrond; Van der Klei en Verklei met Kleistra komen ook voor), Ten Oever, Ten Note 53 · Ter Gouw, Ter Loo, Ter Marsch, Ter Pelkwijk, Ter Schure, Ter Spill, Ter Stege, Ter Velde, Ter Weeme (weême, wedeme, wedem, ook widem, widom Note 54 · Zie De Navorscher, dl. XXIX, bl. 36.Note 55 · De Navorscher, deel XXXIII, bl. 278.Note 56 · Dykstra, Endstra, ook tot Enstra versleten (van end, einde); Vaartstra, ook tot Vaatstra versleten, omdat de Friesen de r van het woord fearNote 57 · Van den Herreweghen, Van der Hougstraeten, Van Hoonacker, Van Horshoven, Van Issacker, Van der Mensbrugge met Van der Meynsbruggen en het eeNote 58 · Zie Levensbericht van Mr. C. J. Nieuwenhuis, in de Levensberichten der afgestorvene medeleden van de Maatschappij der nederlandsche letterkuNote 59 · Zie De Navorscher, jaargang XXXIII, bl. 245.Note 60 · De Navorscher, dl. XXVI, bl. 360 en 363.Note 61 · Van Lennep en Ter Gouw, Uithangteekens, dl. I, bl. 48.Note 62 · »Feuchte Niederung;” zie O. Preuss, Die Lippischen Familiennamen, in het Jahrbuch des Vereins für niederdeutsche Sprachforschung, jaargang INote 63 · Brugman, Bruggeman, Brugmans en Bruggemans, Daalman, Dijkman en Dijkmans, Duinman, Geestman en Gastmans. Geest en gast zijn benamingen van hNote 64 · § 104. De algemeene aardrijkskundige namen, die aan de geslachtsnamen ten grondslag liggen, welke in de laatstvermelde afdeelingen zijn genoNote 65 · Met huis: Langenhuyzen, Goedhuis, Leemhuis, Steenhuyze, Jongerhuis, Rodenhuis en Roodhuyzen, Welkhuysen, Wilkeshuis, Wyckhuyse, Jelgerhuis, Note 66 · Met hof: Aldershof, Ameshoff, Attenhoven, Balkenhoven, Bomhoff, Eekhoff, Eeckhoff en Eekhof, Kouwenhoven, Kruythoff, Noordhof, Nyhoff, RauweNote 67 · Water en a of aa (het oud-nederlandsche woord voor water), broek, poel, moer of moor (moeras), meer, vaart en diep zijn allen algemeene aardNote 68 · Met kuil: Van der Kuylen en Verkuilen, Koelstra, Ter Kuile, en half-hoogduitsch Ter Kuhlen; verder Leeuwenkuyl, Steenkuyl, Wolfskuyl, VoskuyNote 69 · De maagschapsnaam Noordziek, die aan oningewyden, welke zynen oorsprong niet en kennen, al zeer zonderling moet toeschynen, behoort mede totNote 70 · § 107. Er is nog eene kleine groep van maagschapsnamen, die eveneens tot de namen van algemeenen aardrijkskundigen aard moeten worden gereke
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings