← Table of contents
De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis

III. Geslachtsnamen van allerlei oorsprong. (continued 2)

Reading edition

Hoorde men oudtijds zekeren man Wouter noemen, en vroeg men: »welke Wouter is dat?” dan luidde het antwoord wel: »Wouter van den Anker”, »Wouter van den Arend”, »Wouter van de Ploeg”, of ook »Wolter uut de drie Rapen”, »Wauter uyt de dry duyfkens”, al na dat die Walther in een huis woonde, waar »het Anker”, »den Arend”, »de Ploegh”, »de drie Raepen”, »de dry Duyfkens” of iets anders uithing. En deze namen werden al spoedig bynamen, later ook geslachtsnamen. Van dezen laatst genoemden form met het voorzetsel uit zijn er slechts zeer weinigen dezer namen als geslachtsnamen tot ons overgekomen; Uut het Hooghuis, en misschien ook Uyttenbogaardt. Maar de bynamen samengesteld uit het voorzetsel van, en het lidwoord, vóór den naam van het huis, zijn in zoo veel te grooter aantal hedendaagsche geslachtsnamen geworden. Als zoodanigen noemen wy, in bonten regel: Van der Maen (de maan, vooral ook »de halve maan,” was oudtijds een algemeene huisnaam); Van der Bijl, Van de Wijnpersse (»in de Wynpaersse” zoo heet nog een huis te Haarlem in de Damstraat; en Aecht Simonsdochter in de Wijnpers was eene ingezetene van Amsterdam, ten jare 1578), Van der Zwaan, Van der Zwan en Van den Zwaene. (»De Zwaan” was steeds, en is nog, een zeer algemeen huisteeken, vooral by herbergen en tapperyen. Swan is de friesche form van het woord zwaan; de oude Hollanders spraken dit woord ook zoo uit. Van der Zwan en Swan zijn, als geslachtsnamen, nog heden in Friesland inheemsch; en Claes in de Zwan was een amsterdamsch burger, ten jare 1481.) Verder Van der Ploeg, Van de Vysel, waar van ook de fransche form als Du Mortier in de Nederlanden als geslachtsnaam voorkomt; Van der Klok, Van der Pijl, Van der Zweep (met Van der Zwiep, volgens de friesche en plat-hollandsche volkstaal), Van der Zaag, Van der Kam, Van den Anker, Van ’t Lam, Van den Arend, Van der Leeuw, Van der Paauw, Van der Beker, Van der Lely, Van der Schaaf, Van der Swaan, Van der Star, Van der Sterre, Van der Starre, Van der Zwaard, enz. »De Spiegel” was oudtijds ook een algemeen voorkomende huisnaam. De bekende zestiende-eeusche Amsterdammer Jan Laurenszoon Spieghel droeg naar dit huisteeken zynen naam. Ook de hedendaagsche geslachtsnamen Spiegel, Van de Spiegel en Van der Spieghele zijn er van afkomstig. Zelfs in eene latynsche vertaling komt deze geslachtsnaam nog heden voor. Te weten als A Speculo, in belgisch Limburg inheemsch.

Het eenvoudigste en sprekendste teeken dat men oudtijds als kenmerk van eene taveerne uithing, was eene kan. De geslachtsnamen Kan, De Kan en Van de Can zijn aan dit teeken ontleend. Om dit uithangteeken nog te meer te doen spreken (en lokken), versierde men deze kan ook dikwijls met eenen krans van groen loof, »de groene kan”. Dit teeken vooral was oudtijds zeer algemeen. Nog in deze eeu, toen de stad Leeuwarden nog in wallen besloten lag, droeg eene buurt, langs den wal (het bolwerk) zich uitstrekkende, naar zulk eene herberg waar »de groene kan” uithing, den naam van »Achter de groene kanne”. Ook de buurt »De Groene-kan”, by Utrecht, onder den dorpe Maartensdijk, heeft aan dit teeken haren naam ontleend, even als ook de geslachtsnaam Van de Groenekan daaraan zynen oorsprong dankt. Men liet ook wel de kan achterwege, en hing enkel den groenen krans uit. Dit laatste teeken kwam al spoedig meer in gebruik dan het oude volledige, met de kan. In de 16de en 17de en 18de eeu was de krans als het teeken van een wijn- of bierhuis zeer algemeen in de Nederlanden in gebruik. Nog heden ziet men het in sommige streken van Duitschland. Van dezen krans zijn de geslachtsnamen Crans, Krans, Van de Krans, Van der Crans afkomstig, en denkelik ook wel, als oneigenlike vadersnamen, Cransen en Kransen.

Veel talryker dan de geslachtsnamen, samengesteld uit eenen huisnaam, met een voorzetsel daarvoor, zijn de geslachtsnamen die enkel uit eenen huisnaam bestaan, zelden met, meestal zonder het lidwoord. En evenals de namen der huizen en de uithangteekens aan alle mogelike, soms ook onmogelike zaken en dingen ontleend zijn, zoo treffen wy deze groote verscheidenheid ook by de geslachtsnamen aan, die uit deze namen en teekens ontstaan zijn.

Uiterst talrijk zijn ook de namen aan allerlei gereedschap en handwerkstuich ontleend: Hamer en Hammer met Hoefhamer, Klaarhamer, Klinkhamer en Voorhamer; Bijl met Berkenbijl, Hakbijl, Klinkenbijl, Quekebijl; Beitel, en Voorbeytel; Kerfyser, Kimmyzer en Schutyzer; Mes en Hakmes; Schaaf en Schaaff, Zaag, Spyker (zie ook bl. 303), Kram en Cramm, enz. De beteekenis van sommigen dezer namen is my niet bekend (Quekebijl, Kimmyzer). Hamer en Hammer kunnen zoo wel oorspronkelik mansvóórnamen zijn, als huisnamen. Immers Hamer, Hamar, Hamr is een oud-germaansche mansvóórnaam, die in Förstemann’s Altdeutsches Namenbuch vermeld wordt. En dat deze naam oudtijds ook wel door onze eigene voorouders gedragen werd, bewyzen onze patronymikale geslachtsnamen Hamers, Hammers, Hameringa, Hamerinck, Hamersma en Hammersma; zie ook bl. 133. Brouwhamer is ook een geslachtsnaam aan eenen huisnaam ontleend. Nog heden is my een huis van dien naam, en dat ook de afbeelding van zulk een werktuich in den gevel voert, te Leeuwarden bekend. Maar wat is een brouhamer? Met brouen, bierbrouen, heeft deze hamer niets te doen. Het woord breeuen, dat is: de naden van een schip dichten, heet in het Friesch brouen. En de hamer waar mede men brout of breeut, waarmede men het werk, het uitgeplozene oud-tou, tusschen de scheepsnaden drijft, is de brouhamer. De geslachtsnaam Brouwer, voor zoo verre deze naam in Friesland inheemsch is, duidt dan ook geenszins in alle gevallen eenen bierbrouer aan, maar is oorspronkelik soms de tegenhanger van den geslachtsnaam Breeuwer, aan de Zaan voorkomende. My is althans een geval bekend dat een friesche scheepstimmerman, een breeuwer, den geslachtsnaam Brouwer aannam, naar aanleiding van zijn bedrijf.

Of de geslachtsnamen Nagel en De Naeghel tot de namen aan werktuigen ontleend, moeten geteld worden, als tegenhangers van Spyker, of dat zy als namen ontleend aan een deel van het menschelik lichaam moeten beschoud worden, en dus in § 139 behooren, kan ik niet uitmaken. De geslachtsnaam De Niet (eene niet is een klein spykerke of nageltje zonder kop) kan hier ook toe gebracht worden. Hoefnagel, Knieriem, Vingerhoed, Knipscheer zijn op bl. 334 reeds besproken. Nevens Knipscheer komt ook nog het enkele woord Schaar en Scheer als geslachtsnaam voor. Van der Scheer echter is geen soortgelyke naam als Van der Schaaf, Van der Zaag, enz. Hy is niet aan eenen huisnaam, althans niet aan een uithangteeken ontleend. Eene oude havesate, tevens een gehucht tusschen Koevorden en Gramsbergen, heet De Scheere. En van dezen plaatsnaam is de geslachtsnaam Van der Scheer, welke ook in die landstreek inheemsch is, ontleend.

Eenige byzondere geslachtsnamen, wier beteekenis my niet ten vollen duidelik is, maar die ik by deze groep meen te moeten voegen, zijn: Den Bandt, Strooband, Ketelbant, Ratelband en Roggeband. Is »De Strooband” een huisteeken geweest, dan moet het oudtijds niet zeldzaam zijn voorgekomen. Immers de naam Strooband is aan vele verschillende geslachten eigen, en komt in allerlei spellingen voor: Strobant, Stroobant, Stroybant, Stroobandt, ook in patronymikalen form: Stroobants, Stroybants.

Van al de huisnamen, wellicht een zeer enkele uitgezonderd, die, volgens het in deze afdeeling medegedeelde, aanleiding gegeven hebben tot het ontstaan van geslachtsnamen, zijn voorbeelden vermeld in het werk van Van Lennep en Ter Gouw, De Uithangteekens.

§ 130. De oude Nederlanders vergenoegden zich niet met de namen van allerlei handwerkstuich, gereedschap, huisraad, dieren, planten, vruchten, enz. tot hunne huisnamen en uithangteekens te nemen, maar zy ontleenden die ook wel aan de namen van zaken, van denkbeelden, en duidden dezen dan in zinnebeelden op hunne gevelsteenen aan. B. v. »’t Geloof,” »de Hoop,” »de Liefde” kwamen geenszins zeldzaam voor, vooral als er drie gelyke huizen naast elkanderen werden geboud, even als de namen der vijf zintuigen wel moesten dienen by vijf huizen die gelijktydig naast elkanderen werden opgericht. »Het Fortuin,” »De Vrede,” »De Dood,” enz.—allen, en nog velen meer, in het meergemelde boek der Uithangteekens te vinden, zijn eveneens zulke huisnamen. En ook aan deze soort van huisnamen danken eenige hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamen hunnen oorsprong. Zie hier eenigen daarvan: De Deugd, De Dood, Dood, Fortuin, Fortuyn en ’t Fortuin (»’t Fortuin” was steeds een veel begeerd uithangteeken—men dacht aan nomen est omen—van daar ook dat dit woord als geslachtsnaam veelvuldig voorkomt). Verder Den Handel, De Hoop, D’Hoop en samengesmolten als Doop, De Liefde, Trouw en De Trouw, Vrede, Vreede, De Vrede en De Vree, Welvaart, ook als patronymikon Welvaerts, Zeevaart, enz. Zelfs de hemel, de hel en het vagevuur, met het paradys en dergelyke zaken, kwamen als huisnamen voor, gelijk men by Van Lennep en Ter Gouw nalezen kan. En ook aan zulke huisnamen zijn maagschapsnamen ontleend; als Paradies en Paradis, Helleput (en misschien ook Nechelput—Neckerput, Nikkerput?), Van de Helle, Hemelrijk, Van Hemelrijck, Van den Hemel, Van den Hemele, Van Hemelen, enz.

Eenige geslachtsnamen, die hier nog moeten worden genoemd als besluit van deze groep, zijn niet aan eenig gevelteeken ontleend, maar wel aan de byzondere gesteldheid van den gevel of van een ander deel des huizes. Naar den byzonder fraaien gevel dien het huis vertoonde, waar hy in woonde, heeft iemand in den ouden tijd zynen toenaam verkregen. Die toenaam is op ’s mans kinderen overgegaan, en een vaste geslachtsnaam geworden, die als zoodanig nog heden voorkomt; te weten: Schonegevel. En zoo ook de maagschapsnaam Gladdegevel. Een zeer oud huis, »De gladde Gevel” genoemd, staat nog heden in de Uniabuurt, zoogenoemd »by den Ossekop,” op den hoek van de Oude Oosterstraat, te Leeuwarden. De gevel van dit zonderbaar bonte huis is geheel opgezet met glimmend-gladde, verglaasde, groene en gele tegeltjes, om en om gezet, als de ruiten van een dambord. Van daar de naam van het huis. Maar of de geslachtsnaam Gladdegevel nu juist aan dit huis te Leeuwarden ontleend is, kan ik niet met zekerheid zeggen.

De maagschapsnaam Van Kimmenaede is een byzondere form en verbastering tevens van het woord kemenade. Dit oud-nederlandsche basterdwoord, thans uit onze taal geheel verdwenen, beteekent eigenlik »stookplaats of vuurheerd, schoorsteen in een vertrek,” en is met het fransche woord cheminée en de italiaansche woorden cammino en camminata van den zelfden oorsprong. Maar in de middeleeuen had het woord kemenade hier te lande, even als in Duitschland, de byzondere beteekenis van »vrouevertrek,” de kamer of de zaal waar eene stookplaats was, en waar de vrouen des huizes gewoonlik samen zaten en hun verblijf hielden. Een deel voor het geheel genomen, ging de naam die oorspronkelik den steenen vuurheerd toekwam, en die later op het geheele vrouevertrek was toegepast geworden, ook over op het geheele huis of slot, waarin zulk eene kemenade gevonden werd, en is dien ten gevolge nog wel aan een enkel huis als plaatsnaam gehecht gebleven. Van daar de geslachtsnaam Van Kimmenaede.

Aan byzondere kenmerken van huizen zijn, naar myne meening ook de geslachtsnamen Pilaar, Poort, Trap, Venster en Portael ontleend. Laatstgenoemde naam komt ook als patronymikon—Portaels—voor. Aan byzonder kenmerkende gedeelten van eenig huis, acht ik dat de volgende maagschapsnamen hun ontstaan danken: Hooghkamer, Van de Kamer, Zaal, Keuken en Poestkoke, Kelder, Op den Kelder en Stall. Een steenen kruis, naby of aan een huis opgericht, gelijk wel voorkomt in streken, waar de inwoners den roomschen eeredienst volgen, heeft zekerlik oorsprong gegeven aan den geslachtsnaam Steenecruys, die dan ook in de zuidelike Nederlanden inheemsch is.

D. Geslachtsnamen aan namen van dieren ontleend.

De geslachtsnamen, aan diernamen ontleend, komen in vier verschillende formen voor. Eerst als de enkele namen op zich zelven: Wolf, Kieviet, Kikkert, Schol, Spin. Dan met een lidwoord er voor: De Leeuw, ’T Hoen, De Puyt, De Haay, De Bye. Ten derden met een lidwoord en een voorzetsel: Van der Paerdt, Van den Arend, Van der Steur, Van der Krab. Eindelik in den tweeden-naamval, als oneigenlike vadersnamen: Kieviets, Koekoeks, Spierings, Vliegen. Onder de namen van deze eerste afdeeling schuilen er velen die oorspronkelik mansvóórnamen zijn. Die van de derde afdeeling, welke ook geenszins in grooten getale voorkomen, stammen ongetwyfeld van huisnamen en gevelteekens af. Afsonderlik zullen de namen van deze vier afdeelingen hier niet besproken worden. Om de wille der duidelikheid toch is dit niet noodig. Maar in eene natuurlike volgorde zullen de diernamen, als geslachtsnamen, hier worden behandeld. Wy beginnen echter met den leeu, op de wyze der Ouden, die in hem den koning der dieren zagen. En niet met den aap, zoo als de hedendaagsche dierkundige wetenschap eischt.

Leeuw, De Leeuw, Leeuwen, Leeuwe. De geslachtsnaam De Leu, in Vlaanderen inheemsch, is niet van den leeu afkomstig, maar, zonderling genoeg, van den wolf. Want deze naam is eene halve verdietsching van den waalschen maagschapsnaam Le Leu; d. i. Le Leup, Le Loup, De Wolf. (Zie § 165.) Aangaande de namen Leeuwen en Leeuwe, die ik als patronymika, als tweede-naamvalsformen van eenen mansvóórnaam beschou, zie men § 134. De geslachtsnaam Van der Leeuw is ongetwyfeld aan eenen huisnaam, aan een gevelteeken »De Leeuw” ontleend. Aangaande de taalkundige fout in dezen naam aanwezig, zie men § 157. Ook komt de maagschapsnaam Leeuwin voor; zie § 163. De geslachtsnaam Van Leeuwen is afgeleid van het geldersche dorp Leeuwen, tusschen Maas en Waal gelegen, of van de limburgsche buurt Leeuwen, by den dorpe Maas-Niel.—De oud-nederlandsche naam van den leeu, waar hy als wapenteeken voorkomt, is Liebaert, in Vlaanderen ook wel Klauwaert. De eerstgenoemde bynaam leeft nog in de maagschapsnamen Liebaert en Lybaert, en deze namen zijn zekerlik ontleend aan een wapenschild, dat den »liebaert” vertoonde, en als huisteeken aan eenen gevel pronkte.

Waarschijnlik is de geslachtsnaam Luypaert eene verbastering van Liebaert. In allen gevalle zal deze naam ook wel aan een wapenschild op eenen gevelsteen ontleend zijn.

By de wezel behoort de bunsing, de otter en ook de das. En aan de namen dezer dieren zijn de geslachtsnamen Mud (het friesche woord voor bunsing; zie § 152), Otter en Das waarschijnlik ontleend.

Mol, Moll, De Mol. Een huis dat de Mol heette, schijnt reeds in de eerste helft der 14de eeu te Delft te hebben bestaan, en aan een geslacht zynen naam te hebben gegeven. De naam van een stadje in de antwerpsche Kempen is ook Moll, en van die plaats kan het eene of het andere van de talryke geslachten die dezen naam voeren, ook wel den zynen ontleend hebben.

Muis, Muys, Muus en Muysken; De Ratte en De Rotte; Konijn en Conijn—zie bl. 210; Haas, De Haas en D’Haese, met den verkleinform Haasken, met Coolhaas en Koolhaas en met Kenniphaas (kennip is het zelfde als hennep). De haas is een liefhebber van kool, en in koolvelden wel te vinden. De naam koolhaas is dus te verklaren, en kwam oudtijds ook meermalen als huisnaam voor. Maar Kenniphaas? Eet de haas misschien ook geerne het groene kruid van de hennepplant?

Aap. Op uithangborden was de aap oudtijds niet zeldzaam. Te Haarlem heb ik nog eene tappery gekend: »het oude Aapje”, by de Kleine Houtpoort. Thans heet dat huis natuurlik »De Poort van Kleef”, en is een »café.” Te Brugge heet nog heden eene herberg: »In den gouden Aap.”

Rob, Bruinvis, Tuimelaar en Tuymelaar (dat is een andere naam voor den bruinvisch of »den boer met zijn varkens”, zie bl. 300), Dolfijn (als huisnaam oudtijds geenszins zeldzaam), Walvis. Vervolgens Oliphant.—Het varken is niet vertegenwoordigd, ofschoon het als uithangbord niet zeldzaam was. Maar wie zoude ook vrywillig »zwijn” of »varken” willen heeten? »Aap” is al slim genoeg! Dus betwyfel ik ook of de geslachtsnaam Schram wel te dezer plaatse moet vermeld worden, al is het woord schram, ook bloedschram, in sommige gouspraken, o. a. in de hollandsche te Haarlem, in gebruik om zeker soort van varken aan te duiden. Liever wil ik den geslachtsnaam Schram afleiden van het woord schram in de beteekenis van likteeken. Denkelik is iemand eerst zoo genoemd, die aan een of ander schramformig likteeken, misschien in zijn gelaat, byzonder kenbaar was. Over de namen Bergsma en Bargsma (berg, barg == varken), zie men bl. 132.

Schaap, Schaep, De Schaap, Ram, De Ram, Hamel, Lam, Het Lam en ’T Lam, Ooilam en Oylam.—Jongschaep komt ook voor; in scherts genomen voor Lam?—Edelschaap is my onduidelik.

§ 132. De geslachtsnamen Vogel, Stoorvogel, Vettevogel, Witvogel en Ziervogel moeten, als algemeene namen, vóór de byzondere vogelnamen genoemd worden. Nevens Vogel komen ook Veugel, Voghel, De Vogel, De Voghel, De Veughele en De Veugle als geslachtsnamen voor. Zoo ook als oneigenlike vadersnamen Vogels en Voghels.—Stoorvogel beteekent: groote vogel. Het oud-germaansche woord stor, stur = groot komt in de Nederlanden nog slechts voor als stoer, struisch, stuursch, in drie gewyzigde beteekenissen. In de skandinaafsche talen heeft stor de oude beduidenis behouden. Stoor staat eigenlik tegenover kleen, als groot staat tegenover klein. Stoor en kleen hebben eene zeer stellige, eene zeer zekere beteekenis—groot en klein eene betrekkelike. Zie bl. 339.

§ 133. Aan de namen van amphibiën en dergelyke dieren zijn slechts weinig geslachtsnamen ontleend. Eigenlik geen andere als die van den kikvorsch en de padde. Deze namen zijn: Kikker en Kikkert in Holland, en Puit, Puydt, De Puydt, Den Puydt in Zeeland en Vlaanderen inheemsch. Puit of Puut toch is het zeeusche en vlaamsche woord voor het hollandsche kikkert. Verder de geslachtsnaam Pogge, die padde beduidt. Dat dier toch draagt in onze friso-saksische gouspraken dezen naam, welke ook voorkomt in den geslachtsnaam Poggenbeek.—Slangen en Slanghen (op bl. 185 reeds verklaard) behooren niet tot deze afdeeling, ofschoon het wel den schijn heeft. Maar de geslachtsnamen Griffioen en Draak, De Draak, De Draek, Den Draeck, Den Draak dienen hier vermeld, omdat de fabelachtige dieren griffioen en draak als amphibiën worden voorgesteld. Immers aan deze wanschepsels uit de verbeelding der Ouden hebben wy hier te denken, en niet aan het fladderend hagedisje uit de tropische gewesten van Azië, dat trouens ook tot deze familie behoort. »De draak” en »De griffioen” kwamen oudtijds niet zelden als huisnamen en gevelteekens voor.

De algemeene naam van de orde der visschen, vertegenwoordigd door de geslachtsnamen Vis, Visch, De Vis en De Visch, moge hier weer den byzonderen vischnamen voorafgaan. De Haay, Steur, De Steur en Van der Steur, Rog, Paling, Maeckereel, Schol, Bot, Both, De Both en Botvis, misschien ook Botje—zie bl. 398. Verder Cabeljaeu, Cabeljau, Cabilliauw en Cabliauw, Baekeljau, Schelvisch, Haring, Den Harynck, Den Haerynck, Groenheering, Smelt, Spiering (ook als patronymikon Spierings) en Spierlynck, Meyvis (dat is elft, hoogduitsch Maifisch), Zalm en Salm, De Blieck, Den Braasem, Zeelt, Goudvis, Voorn en Vervoorn (d. i. Van der Voorn), Pos en De Posch, Baars, Beers en Den Baars, ook (in het Friesch) in verkleinform Beerske; Snoek, Snouck en De Snouck. Volgens De Navorscher, dl. XXXII, bl. 573 behoort tot de geslachtsnamen aan vischnamen ontleend, ook de geslachtsnaam Gobius, »daar dit uit Italië stammend, doch sedert de 16de eeuw in Nederland aanwezig geslacht den zijnen ontleend heeft aan de, voornamelijk in de Tyrrheensche zee aanwezige beenige visschen van dien naam; hetgeen ook blijkt uit hun wapen.” Gobius echter is de latynsche naam van den grondel (Gobius niger), een bekend vischje, aan de nederlandsche zeekusten ook voorkomende. Rhijnvis (rijnvisch) is de oud-nederlandsche naam van eene byzondere soort van visch, die ik niet nader kan aanduiden. In Edw. Gailliard’s Glossaire flamand—Brugge, 1882—vind ik: Rynvissche, sorte de poisson de mer.” En daar blijkt ook dat de geslachtsnaam Rynvisch reeds in de middeleeuen te Brugge voorkwam. Aangaande dezen byzonderen naam, die in Nederland (door misverstand) ook als mansvóórnaam in gebruik is (Rhijnvis Feith), zie men ook De Navorscher, dl. XXXIII, bl. 36. De geslachtsnamen Bakvis, Stokvis, Pannevis, Pekelharing enz. zijn eigenlik namen van spyzen, van visch bereid, en worden dus beter in § 140 vermeld.

Verder komen nog voor de geslachtsnamen De Vloo, Mier, Spin, Kreeft, Kreefft, Krab, Krabbe, Crabbe en Van der Krab, Geirnaert en Garnaat, het eerste de vlaamsche, het tweede de friesche naam van het bekende schaaldiertje dat men in Holland garnaal noemt. Eindelik nog Oester en Mossel.—Willok of Wullok is de vlaamsche naam voor zekere soort van zeeslak (Buccinum undatum), die langs onze Noordzee-stranden en zeegaten veel gegeten wordt, en daar, by Zeeuen, Hollanders en Friesen onder verschillende namen, als alikruuk, kreukel, ulk, wulk, einekoon, enz. bekend is. De vlaamsche naam van dit weekdier komt in Vlaanderen als geslachtsnaam voor. Namelik als Willock en Willocq; ook als patronymikon: Willocks, Willox, Willockx, enz.

Als de laatsten der geslachtsnamen aan diernamen ontleend, moeten nog vermeld worden: Worm, Wurm en Lintwurm. De geslachtsnaam Van der Worm, van anderen oorsprong, is reeds op bl. 244 verklaard. By den geslachtsnaam Lintwurm denke men niet aan het bekende ingewandsdier. De naam Lintwurm is afgeleid van den ouden naam, waaronder de draak of eenig ander fabelachtig ondier in sagen en maren optreedt. Tegenwoordig spreekt en schrijft men van den »Heiligen George met den draak;” oudtijds echter van »St-Joris met den lintwurm.” Eene afbeelding daarvan kwam in vorige eeuen niet zelden als gevelteeken voor. Van daar hoogst waarschijnlik dezen, in den tegenwoordigen tijd zoo zonderling luidenden naam.

Als geslachtsnamen, ontleend aan woorden die byzondere voortbrengselen uit het dierenrijk aanduiden, noem ik hier nog: Koehoorn, Honig, en Parel, met Perel, Paerl, Paerel, en het patronymikale Parels.

§ 134. Sommige namen van dieren komen ook als mansvóórnamen voor. Zulken zijn: Beer, Bero (in Bernhart, Barend, Berend), Ever (in Everhart, Evert), Leeuw, Lieue (in Leonhart, Leeuwenhart, Leendert), Wolf (in Wolfhart, Wolfert), Arend, Swano, enz. En deze mansnamen zijn werkelik, wat hun oorsprong aangaat, de zelfden als deze diernamen. En andere diernamen komen toevalliger wyze overeen, volkomen of ten naasten by, met mansvóórnamen, zoo wel met mansvóórnamen in hunnen oorspronkeliken form, als met verkorte en misformde namen. Voorbeelden hiervan zijn de mansnamen Hase, Bokke, Duif, Valk, Botte, Reiger, enz. die met de dierenamen haas, bok, duif, valk, bot, reiger overeenstemmen, ofschoon zy eenen anderen oorsprong hebben. Muis, Mees, Meeuwe, Haring, Vinke, enz. komen ook als mansvóórnamen voor, en stemmen tevens overeen met de diernamen muis, mees, meeuw, haring, vink. Deze mansnamen vertoonen echter niet hunnen vollen, oorspronkeliken form. Immers Muis, ook Muys of Muus, is eene verbastering en verkorting van den bybelschen mansnaam Bartholomeus; en Meeuwe of Meeuwis is dit ook (even als Teeuwis van Mattheus), zoo mede Mees. Dit wordt duidelik aangetoond en bewezen in De Navorscher, dl. XXVII, bl. 411, 412, 413. De mansvóórnaam Haring is eigenlik het patronymikon van den oud-germaanschen, nu nog in Friesland in volle gebruik zijnden mansnaam Haro, Here. En Vinke, Vink is een verkleinform (Vin-ke = Vin-tje) van den mansvóórnaam Finne.

Het ligt dus voor de hand dat niet alle geslachtsnamen, in de vorige paragrafen opgesomd, van de diernamen zijn afgeleid. Integendeel—daar kunnen er ook onder wezen, die eenvoudig uit mansvóórnamen bestaan. Staat by eenigen geslachtsnaam het lidwoord vóór den diernaam (De Leeuw, Het Lam, Den Arend, De Bye, Den Baars), dan is er geen twyfel aan of oorspronkelik ligt hier de diernaam ten grondslag. En even zeker mag aangenomen worden dat de geslachtsnaam met eenen diernaam samengesteld, oorspronkelik aan eenen huisnaam ontleend is, als een lidwoord en een voorzetsel den diernaam voorafgegaan; b. v. Van der Paardt, Van den Arend, Van der By, Van der Steur. Maar als de diernaam op zich zelven voorkomt (Arend, Leeuw, Wolf, Zwaan, Bot) dan kunnen ook zeer wel mansvóórnamen aan deze geslachtsnamen ten grondslag liggen. Terwijl ik de oorsprong van zulke geslachtsnamen uit mansvóórnamen voor vry zeker acht, als zy in verbogenen form voorkomen. By zulke geslachtsnamen als Leeuwen, Wolfs, Otters, Duyfjes, Harings, Bots, enz. is weinig twyfel aan hunnen oorsprong uit mansvóórnamen. By Arendsma, Haringsma, Botjes, Haantjes, enz. geheel geen. Geslachtsnamen, die als patronymika in den tweeden-naamval staan, en zonder eenigen twyfel van diernamen zijn afgeleid, komen slechts in zeer gering aantal voor; b. v. Koekoeks, Kievits, Willockx, en eenige anderen. Alle andere patronymika zijn hoogst waarschijnlik, byna zeker, aan mansvóórnamen ontleend.

Dat buitendien nog geheel andere oorzaken aanleiding gegeven hebben tot het aannemen van geslachtsnamen, welke schijnbaar aan de namen van dieren zijn ontleend, vindt men, wat de namen Zeekats, Baars en Kater aangaat, vermeld en bewezen in § 148, en op bl. 375 en 390 van dit werk.

Veel byzonders en belangrijks aangaande dit onderwerp staat te lezen in eenige opstellen, die door den taalgeleerden P. Leendertz. Wz. en door my zelven, onder de namen »De mansnaam Muus,” en »Diernamen als geslachtsnamen” zijn geschreven, en opgenomen in het tijdschrift De Navorscher, deelen XXVI, XXVII en XXVIII.

Hier volgen eenige geslachtsnamen, schijnbaar diernamen, maar die ik, met meer of minder waarschijnlikheid, tot de geslachtsnamen, aan mansvóórnamen ontleend, meen te moeten brengen.

Lew of Lewon is een oud-germaansche, in Förstemann’s Altdeutsches Namenbuch voorkomende naamstam, die zoo wel op zich zelven voorkwam, als in samenstellingen. Deze naam beteekent leeu. Als Leeuwe, ook wel Leuwe, Leuve, Lewe was deze zelfde naam oudtijds ook in Holland in gebruik; en als Lieuwe, Lieue (de leeu heet in het Friesch lieu) komt hy nog heden geenszins zeldzaam in Friesland voor. Lewe, Leeuwens, Leeuwes, Leuwen en Leeven zijn de geslachtsnamen aan den naamstam Leeuwe ontleend. Zoo mede het friesche patronymikon Leeuwinga, dat als geslachtsnaam in de friso-saksische streken van Drente inheemsch is. Aan den frieschen mansvóórnaam Lieue, Lieuwe zijn de friesche geslachtsnamen Lieuwema, Lieuwma en Lieuwes ontleend; en ook Lieuwkes aan den verkleinform Lieuke.

Catto, Katte, Kat is een oud-germaansche mansvóórnaam, die ook in samenstellingen, als Catuald (Katwalt) en Catumer (Katmar) voorkomt, en door Förstemann in zijn Altdeutsches Namenbuch tot drie verschillende naamstammen, Chad, Gad en Hath, gebracht wordt. Een enkele der talryke geslachtsnamen Kat en Cat, en, in den tweeden naamval als patronymikon, Kats, Cats en Catz, zal zeker wel van dezen ouden mansvóórnaam afstammen. Zekerlik is dit het geval met de friesche patronymikale geslachtsnamen Katsma en Katma, en met menigen plaatsnaam. Waarschijnlik behoort het patronymikon Cæding, dat by de Angel-Saksen voorkwam, ook wel tot dezen mansnaam. Buitendien kan de geslachtsnaam Cats, Katz, behalven een tweede-naamvalsform van den diernaam, of van den mansvóórnaam, ook nog de plaatsnaam Kats of Cats zijn, zoo als een dorp heet op het zeeusche eiland Noord-Beveland. By de zeeusche maagschap Cats althans meen ik dat dit zekerlik het geval is.

De geslachtsnaam Kater en De Kater kan ook een geheel anderen oorsprong hebben, als van het woord dat de mannelike kat aanduidt. Een kater toch is iemand die in eene kate (keet of kot—zie bl. 266) woont. Het woord kater, als de benaming van eenen geringen boer, of van eenen boeren-arbeider, die in eene hut of kate op het erf van den eigenerfden boer woont, is in sommige saksische streken van ons land en van Duitschland in gebruik. Even als keuter (in Friesland zeit men wel keuterboerke), kötter, kaatsitter, kotsitter, katsate, kotsaat, cotsath, enz.,—woorden die allen van den zelfden oorsprong zijn, en allen het zelfde beteekenen. Naar myne meening ligt dit woord kater ten grondslag van menigen geslachtsnaam Kater en De Kater. De geslachtsnaam Keuter, in eene friso-saksische gou van Overijssel inheemsch (Bloksyl), is ongetwyfeld aan het woord kötte, kate, hut, ontleend. Kötter ware wis eene betere spelling voor dezen naam, die daarom toch geenszins van hoogduitschen, maar van zuiver nederlandschen, ofschoon dan ook al niet hollandschen, oorsprong is.

Bare of Baro is nevens Barre of Barro een oud-germaansche mansvóórnaam, die nog heden in Friesland in gebruik is. De geslachtsnaam Baars kan een patronymikon zijn van dezen naam, zoo als Baarsma dit zonder twyfel is. Andere geslachtsnamen aan dezen zelfden mansnaam ontleend, zijn nog Barma (met Barring in Engelland, en Barry in Frankrijk,—als een versleten patronymikon der oorspronkelik germaansche Franken? zie § 30.) Verder Barkema, een oud-friesche tweede-naamvalsform van den verkleinform Barke, die tevens aan de engelsche geslachtsnamen Barks, Barkes en Barkins oorsprong gaf. Barrahuis, een gehucht by Wirdum; Barrum, een gehucht by Tjum (beide in Friesland); Barwert, een gehucht by Oldehove in Groningerland; Barkwert, een gehucht by Kubaart in Friesland, misschien ook Barchem, een gehucht by Laren in Gelderland, zijn plaatsnamen die van deze mansnamen afstammen, en gemakkelik verklaard kunnen worden.

Dat Fosse, Fos oudtijds ook als mansvóórnaam in gebruik moet zijn geweest (al is het dat deze naam dan zekerlik slechts een verbasterde zal geweest zijn), blijkt duidelik uit de geslachtsnamen Vossema (oudtijds als Fossema geschreven), Vosma, Fossen, Vossen, Vosse, allen patronymikale namen van eenen mansvóórnaam Fos. Ook blijkt dit uit menigen plaatsnaam. De geslachtsnaam Vos kan dus evenzeer oorspronkelik deze mansvóórnaam zijn, als de diernaam.

Aangaande den oud-germaanschen mansvóórnaam Hundo, Hond, die aanleiding kan gegeven hebben tot het aannemen der geslachtsnamen Hond, Hondt, Hondius, enz. zie men bl. 52.

Molle is een friesche mansvóórnaam, nog heden in volle gebruik. Het is oorspronkelik de zelfde naam, in andere uitspraak, als Melle; zie bl. 162. Van dezen mansnaam Molle kan de geslachtsnaam Mol, Moll ook worden afgeleid. Maar de geslachtsnamen Mollema, Mollen, Molling en Mollink zijn er zonder twyfel van afkomstig. Zoo ook Mollekens, een patronymikon van den verkleinform Molleke. Als plaatsnamen, waar aan deze naam al mede ten grondslag ligt, vermelden wy nog: Molla-state, te Eakmaryp; Molmaburen, een gehucht by Lutke-Wierum; Molsert (dat is samengetrokken van Molswert), eene buurt by Franeker, alle drie in Friesland. Verder Molhem, een dorp in Zuid-Brabant; Mollincourt in Isle-de-France (Frankrijk); Mollenkotten, gehucht by Hagen in Westfalen; en Molling, een gehucht by Bruneck (Enneberg) in Tirol.

De mansnaam Muus, nog heden als zoodanig in Noord-Holland voorkomende, is eene verkorting en verbastering van Bartholomeus—zie bl. 378 en 396. De geslachtsnamen Muis, Muys, Muisken kunnen dus even zeer aan dezen mansvóórnaam ontleend zijn, als aan den diernaam. De geslachtsnamen Muusse en Muusses zijn ongetwyfeld vadersnamen van dezen mansnaam; waarschijnlik ook Muysson.

Haso is een oud-germaansche mansvóórnaam, en als zoodanig in Förstemann’s Altdeutsches Namenbuch vermeld. Dat deze naam ook oudtijds by onze voorouders in gebruik geweest is, bewyzen de geslachtsnamen Van Hasinga, Haasma, Haesen, Hazes, Hasens, misschien ook Haasse en Hase, benevens menige plaatsnaam, die allen er van zijn afgeleid. Van den verkleinform Haasje is de geslachtsnaam Haasjes geformd. Wijl de mansvóórnaam Haso, Hase door my nog niet in oude nederlandsche oorkonden is gevonden (ofschoon aan het bestaan er van geen twyfel is), en daarentegen de verkleinform Haasje wel als vrouenaam kan bewezen worden (Haesje Claes in ’t Paradys b. v., de vrome vrou, die in de 16de eeu het Burgerweeshuis te Amsterdam stichtte), zoo kan de geslachtsnaam Haasjes ook wel een metronymikon zijn (zie § 59), en geen patronymikon. In allen gevalle is het duidelik dat de geslachtsnaam Haas niet noodzakelik aan den diernaam behoeft ontleend te zijn.

Dat de geslachtsnaam Konijn ook oorspronkelik een plaatsnaam kan wezen, even zeer als een diernaam, is reeds op bl. 210 aangetoond.

De namen der oude Friesen Hengist en Horsa (twee peerdenamen) bewyzen dat de geslachtsnamen Hengst, Hinxt en Ros (letterkeer van Hors of Ors) ook zeer wel oorspronkelik mansnamen kunnen zijn, even wel als huisnamen of diernamen.

Ram, Ramo is een oud-germaansche mansvóórnaam, gelijk door menigen plaatsnaam (Rammingen of Ramegnies, een dorp in de Henegou; Rammingen, een dorp by Ulm in Würtemberg; Ramminghausen, een gehucht by Syke in Hoya, Hanover) bewezen wordt. Van den verkleinform Ramke is de friesche patronymikale geslachtsnaam Ramkema geformd.

Lamme is een friesche mansvóórnaam, die oudtijds, meer dan tegenwoordig, in gebruik was. Sedert de hollandsche gouspraak in Friesland meer en meer bekend en gesproken werd, is deze naam buiten gebruik geraakt, wegens de min gunstige beteekenis die het woord lam (friesch laem met gerekte, opene a), althans voor eenen mansvóórnaam, in het Hollandsch heeft. In de naamlijsten van Wassenbergh, Leendertz en Brons, meermalen in dit werk aangehaald, wordt de mansnaam Lamme nog vermeld. In vroueliken form, als een enkel verkleinwoord (Lamke), en als een dubbel verkleinwoord (Lamkje), komt deze naam in Friesland nog meer voor als in den manneliken form. Ook in den friso-saksischen form Lammechien, in Groningerland en Drente. De mansnaam Lemme, mede in Friesland voorkomende, en oudtijds ook in andere nederlandsche gewesten in gebruik, is oorspronkelik de zelfde naam als Lamme, en levert daarmede slechts een klein verschil in tongval op. In de brabantsche en vlaamsche gewesten is Lam en Lem nog heden in gebruik als eene verkorting van den vollen naam Wilhelm, Willehalm, Willem. Deze mansvóórnaam kan, evenzeer als de diernaam lam, aanleiding hebben gegeven tot den geslachtsnaam Lam. Buitendien zijn de geslachtsnamen Lamminga en Lammenga, Lamming en Lamsma, Lams, Lammens, met Lemmens, Lems en Lemson, en de verkleinformen Lammekes, Lemkes en Lemke, zekerlik van dezen mansnaam afgeleid.

Bocco, Bucco is een oud-germaansche, in Förstemann’s Altdeutsches Namenbuch vermelde mansvóórnaam, die als Bokke nog heden ten dage in Friesland in volle gebruik is. De geslachtsnaam Bok zal zekerlik wel, in menig geval, ontleend zijn aan dezen ouden mansnaam. Hy gaf buitendien oorsprong aan vele andere geslachtsnamen en plaatsnamen. Als geslachtsnamen, van den mansnaam Bokke afgeleid, vermeld ik hier: Bokkenga, Bocking en Buckinx, alle drie oude patronymika. Ook de engelsche plaats- en geslachtsnaam Buckingham behoort hier toe. Verder Bokkema, Bokma, Bockma, Van Bokma, Boksma, Boxma, Bokkens en Bokkes, ook allen tweede-naamvalsformen. Het getal der plaatsnamen aan den mansnaam Bokke ontleend, in alle germaansche landen voorkomende, is nog veel grooter dan dat der geslachtsnamen. Hier kunnen slechts de nederlandschen vermeld worden: Bokkum, gehucht by ’t dorp Akkrum, en Boksum, dorp in Menaldumadeel, beide in Friesland; Nibbikswoud, een dorp in noordelik Noord-Holland; (deze naam is eene verbastering en samentrekking van Nieu-Bokswoude; Oud-Bokswoude is het dorp Hauwert, mede in het westerfliesche Friesland). Waarschijnlik ook nog Boksbergen, eene havesate by Olst in Overijssel. Buitendien zijn nog de geslachtsnamen Van Bockom en Van Oldenboccum aan plaatsnamen ontleend, die op hunne beurt weêr van den mansnaam Bokke afgeleid zijn. Plaatsen die Bockum en Bochum heeten, liggen er wel vier in Duitschland.

Een bekende oud-nederlandsche mansnaam, nog heden in volle gebruik, is Arend, by samentrekking Aart. De geslachtsnaam Arend kan evenzeer oorspronkelik deze mansnaam zijn, als de diernaam. Vele andere geslachtsnamen zijn eveneens aan dezen naam ontleend. Dit zijn: Arends, Arendsen, Arentzen, Arents, Arendsma, Arensma, † Aarnsma, Arentsma, Serarents (zie bl. 144), Aartsma, Aarts, Aerts, en misschien ook Arens, Ahrens, Arning, het verlatynschte Arntzenius (van Arntzen, Arendsen), Aarsen, in verkleinform Arnken en Arenkens, enz.

Hraban, Rabo in hoogduitschen, Hravan, Raven, Rave, Raaf in nederduitschen form, is een oud-germaansche mansvóórnaam, die waarschijnlik aan den geslachtsnaam Raaf zynen oorsprong heeft gegeven. Buitendien zijn de geslachtsnamen Ravinga en Raven aan dezen mansnaam ontleend.

Hoe zonderling het klinke, ook Crai, Kray of Kraai moet ik voor eenen oud-germaanschen mansvóórnaam houden, al is het dat die naam my tot nog toe nergens voorgekomen is. Maar uit de geslachtsnamen Kraaima en Craien, vooral ook uit de oude patronymikale geslachtsnamen Kraayinga en Kraayenga in Friesland, en Craying in Engelland, zoo mede uit de plaatsnamen Kraaienwerf, een verdronken gehucht op het eiland Marken; Kraaienisse, een polder op het eiland Over-Flakee; en Craywijk, een dorp by Grevelingen in Fransch-Vlaanderen, meen ik met zekerheid tot het bestaan van den mansvóórnaam Krai te mogen besluiten.

Een friesche mansvóórnaam (al is hy weinig in gebruik, hy wordt toch in de naamlijsten van Wassenbergh en Leendertz aangetroffen) is Finke. En deze naam kan aanleiding hebben gegeven tot het ontstaan der geslachtsnamen Vink, Vynck, enz. Van dezen mansnaam, die een verkleinform is van den frieschen mansvóórnaam Finne, Fin, (Fin-ke = Fin-tje), die als een oud-germaansche mansnaam ook door Förstemann vermeld wordt,—van den mansnaam Finke hebben wy buitendien de geslachtsnamen Finken en Vinken en in versletenen form Vinke; benevens vele plaatsnamen. En aan den oorspronkeliken mansnaam Fin zijn ontleend de geslachtsnamen Vinnema, het uitgestorvene Fingia (dat is Finninga) in Friesland, en Finning in Engelland.

De geslachtsnamen Musschenga en Muischenga in Groningerland, en Muskens in Limburg en Gelderland inheemsch, schynen van eenen mansvóórnaam Mus of Musk (Muske = Mus-ke?) afgeleid te zijn. Deze twyfelachtige mansnaam, die buitendien ook nog in den naam van het hanoversche dorp Müssingen, by Bodenteich in het Lüneburgsche schijnt voor te komen, kan ook aan de geslachtsnamen Musch en Mosch ten grondslag liggen. Over dezen naam staat nog het een en ander, van de hand des geleerden Leendertz en van my zelven geschreven, in De Navorscher, dl. XXVI en XXVII, bl. 361, 561 en 78, 80.

Over den mansvóórnaam Mees, eene verbastering en verkorting van den bybelschen naam Bartholomeus, en waarvan de geslachtsnaam Mees kan afgeleid zijn, zie men eenige byzonderheden in De Navorscher, dl. XXVII, bl. 412. Ook de geslachtsnaam Meeuw behoeft niet nootsakelik de vogelnaam te zijn, maar kan eene verkorting wezen van Meeuwis, een hollandsche mansvóórnaam die eveneens eene verbastering is van Bartholomeus. Een patronymikon van dezen mansvóórnaam bestaat als geslachtsnaam in den form Meeuwse. De geslachtsnamen Meeuwen echter en Van Meeuwen acht ik ontleend te zijn aan den plaatsnaam Meeuwen, zoo als een dorp heet in Noord-Brabant.

Duif is een oud-friesche mansvóórnaam, die oudtijds ook wel, als Duive, in Holland in gebruik was (Navorscher, dl. XXVII, bl. 408). In eene oorkonde, ten jare 1582 te Leeuwarden geschreven, vind ik vermeld: »Die erffgenaemen van Duyff Jelles in Sintte Jacobstraet”. Van dezen mansvóórnaam kunnen de geslachtsnamen Duif en Duyf ontleend zijn, zoo wel als van den vogelnaam. De patronymikale geslachtsnamen Duyfs en Duivis (zie § 98), en, in verkleinform Duyfjes, zijn zonder twyfel van den mansnaam afgeleid.

Hano is een oud-germaansche, by Förstemann vermelde mansvóórnaam, die als Hane nog in onze friesche gewesten in gebruik is, alhoewel zeldzaam. In verkleinform, als Haantje, komt hy meer voor. Talrijk zijn de geslachts- en plaatsnamen van dezen mansnaam geformd, en naar myne meening kan ook menige geslachtsnaam Haan daaraan zynen oorsprong te danken hebben. Met de patronymika Haans en Haenen, Haantjes en Haentjens is dit zonder twyfel het geval. Andere geslachtsnamen, waar aan de mansnaam Hano ten grondslag ligt, zijn nog de versletene patronymika Hania, Hanja, Hanje, Hainja, Hainje en Van Hanja (zie § 29). De volle patronymikale form Haning is nog in Engelland als geslachtsnaam inheemsch. Ook Hanema is nog een friesche geslachtsnaam, die zoon van Hano beduidt.

Volkomen zoo als Hano is ook Henno een oud-germaansche, in Förstemann’s Namenbuch vermelde mansvóórnaam, die in den form Henne, en in verkleinform als Henke nog by het friesche volk in volle gebruik is. De geslachtsnaam Hen kan er aan ontleend zijn. Zonder twyfel is dit het geval met Henning (dit patronymikon deed en doet ook wel eens dienst als mansvóórnaam), waar Hennye en Henny versletene formen van zijn (zie § 30). Verder met Hens, met den samengestelden naam Hennixdael (dat is Henninks-daal), met Henkema en met Henkes; zie bl. 156. Als plaatsnamen mogen hier vermeld worden: Hennaart (dat is Hennawert, de wert of weerd van Henno) een dorp in Friesland; Henshuizen en Henswoude, gehuchten by Akkrum, Friesland; Hensbroek, dorp by Hoorn in West-Friesland; Henningen, dorp by Salzwedel in Pruissisch-Saksen; Hennighausen, gehucht by Meschede in Westfalen; Hennstedt, dorp in Ditmarschen, enz.

Eene zeer gebruikelike verkorting van den bybelschen mansnaam Paulus is Pau. De geslachtsnamen Paeu, Pauw, enz. kunnen zoo wel deze verkorte mansnaam zijn, als de vogelnaam. En ook kunnen Paus, Paeus, Pous patronymika daarvan wezen, even wel als ontleend te zijn aan het ambt van het hoofd der roomsch-katholike kerk.

In Friesland komt nog eene enkele maal als mansvóórnaam voor: Reiger. In de lijsten van friesche namen van Wassenbergh, Leendertz en Brons wordt hy vermeld. Ook is de friesche geslachtsnaam Reigersma er van afgeleid. De geslachtsnaam Reiger kan ook zeer wel aan dezen mansnaam zijn ontstaan te danken hebben. De volle form waaronder de oude germaansche volken dezen mansnaam in gebruik hadden, is Ragingar, in Förstemann’s Namenbuch te vinden. Ragingar werd Raingar, Reinger en eindelik Reiger.

Swaan, Swano, Suano is al mede een oud-germaansche door Förstemann aangewezen mansvóórnaam. In vroueliken form, als Zwaantje, komt deze naam nog heden geenszins zeldzaam voor. Vooral in de friesche gewesten is hy inheemsch. De geslachtsnaam Zwaan, Swaan, Swaen kan zeer wel oorspronkelik deze mansnaam zijn. Hy is althans niet onvoorweerdelik de vogelnaam. Swaans, Swaens, Zwanes, Zwanen, Swaenen, ook in verkleinform Zwaantjes en Swanekens, zijn patronymikale geslachtsnamen van dezen mansnaam ontleend. De twee laatstgenoemden kunnen, wijl Zwaantje, Swaneke als vrouenaam in gebruik is, ook metronymika zijn; zie bl. 159. De friesche geslachtsnamen Swama en Zwama, die ik anders niet te verklaren weet, houd ik voor afgesletene formen van Swaanma, Swanama, anders gezeid: Swaans zoon.

De geslachtsnaam Bot, Both kan zoo wel de vischnaam wezen, als de oud-germaansche, nog heden by de Friesen in volle gebruik zijnde mansvóórnaam Botto. Botte, als vrouenaam Botje. Talrijk zijn de geslachtsnamen en plaatsnamen, waar aan deze mansnaam ten grondslag ligt; b. v. Bottinga en Bottenga, de volle oude patronymika, en Botnia met Van Bothnia, de versletene formen daarvan; zie bl. 66. Verder Bottema, Botma, Bottens, Bots en Bottes, en in verkleinform Botje, Botke, Botjes, meest allen in de friesche gewesten inheemsch. Bottingen is een dorp by Emmendingen in Baden; Bottum ligt by Fürstenau in Hanover; Bottorf by Berssenbrügge in Hanover; Bottens is een gehucht by Pakens in Jeverland (Oldenburger Friesland), en Botniahusen is een gehucht by Franeker.

Haring is nog heden ten dage in de friesche gewesten als mansvóórnaam in volle gebruik, en was het oudtijds ook in Holland. By dezen mansnaam moet aan eenen vischnaam geenszins gedacht worden. En my dunkt ook menige geslachtsnaam Haring, Haerynck, enz. vindt in dezen mansnaam zynen oorsprong. Haring als mansnaam is oorspronkelik een oneigenlik gebruikte vadersnaam van den ouden mansnaam Hare, Haro, die in Förstemann’s Namenbuch als Hari voorkomt, en nog heden by de Friesen in gebruik is. Van Haring hebben wy de geslachtsnamen Harings, Haringsma, Harinxma en Van Harinxma, en de plaatsnamen Haringhuizen en Haringkarspel, dorpen in het westelikste Friesland of noordelik Noord-Holland, en Haringhusum, een gehucht by het dorp Fisvliet in het Westerkwartier van Groningerland. In Oost-Friesland is de geslachtsnaam Haringsna reeds uitgestorven. Talrijk zijn ook de geslachtsnamen die onmiddellik aan den mansnaam Haro, den naamstam van Haring, zijn ontleend. Als zulken noemen wy Haringa, Harema, Haarsma, Haersma, Van Haersma en Haren; ook in verkleinform Haarken.

Even als de naam van den visch haring in de meeste nederlandsche tongvallen als hering uitgesproken wordt, zoo komt nevens den mansnaam Haro ook de form Hero voor. En deze laatste form is ook in Friesland het meeste in gebruik, veelal als Here of Hero, in misspelling Heere, en zelfs, door de eigenaardige friesche klankbreking, als Hjerre, dat men ook wel Herre schrijft. In verkleinform als Heertje en Heerke en Herke, Herco en Harco komt deze naam eveneens voor, en is nog in volle gebruik. Behalven de patronymikale geslachtsnamen Hering, Herink, Herynck, enz. die men ook voor den vischnaam kan houden, zijn er nog zeer vele andere geslachtsnamen van dezen mansnaam afgeleid—om van de plaatsnamen niet te spreken. Zie hier eenigen van die geslachtsnamen: Herincks, Heerinckx, Heringa, Heeringa, Herenga, Heerema en Heerma, Heersema en Heersma, Heeres en Heeren, Heerkema, Heerkes, Heerkens, Heertjes, Herrema, Herres, Herking, Herkes, Herkens. Als tegenhangers van de laatstgenoemde namen, en daarmede slechts een klein verschil in uitspraak opleverende, terwijl zy van den zelfden oorsprong zijn, noemen wy hier nog de geslachtsnamen Harringa, Harsma, Harren en Harrens, Harkema, Harkink, Harken, Harkens, Harkes, Harksen, Hartjes en Hartjens; ook Hartsinck, Hartsing, Hartsema en het versletene Harssema, van den oud-frieschen verkleinform Har-tse = Har-ke, Harco, de kleine Harro.

De zelfde verhouding als tusschen Haro en Hero, haring en hering, bestaat ook tusschen de vischnamen baars en beers, tusschen de mansvoornamen Baro en Bero. Van deze oud-germaansche, by de Friesen nog in volle gebruik zijnde mansvóórnamen kunnen de geslachtsnamen Baars en Beers ook patronymika zijn, in den form van eenen tweeden naamval. Van Baro, Barro en van de verkleinformen Barke en Barle (Barlyn) zijn buitendien nog vele geslachtsnamen afgeleid, die op bl. 391 vermeld zijn. Die, welke van Bero, Berre, Berke, enz. afkomstig zijn, vindt men in § 136 opgegeven. Eindelik is nog de plaatsnaam Beers, aan drie dorpen eigen, in Friesland, in Noord-Brabant en in de antwerpsche Kempen,—oorzaak geweest van het ontstaan van geslachtsnamen Beers en Van Beers, misschien ook Beersman en Beersmans.

E. Geslachtsnamen aan het plantenrijk ontleend.

§ 135. Is het getal der geslachtsnamen, die in der daad of schijnbaar ontleend zijn aan de namen van dieren reeds zeer aanzienlik, de geslachtsnamen afgeleid van de namen van planten en van gedeelten daarvan, in ’t algemeen van voorwerpen uit het plantenrijk afkomstig, zijn nog veel meer in aantal.

De oorzaken die iemand er toe kunnen gebracht hebben om eenen plantenaam als geslachtsnaam aan te nemen, zijn velerlei. Menigeen draagt zulk eenen naam, wijl het huis van eenen zyner voorouders byzonder kenbaar was door den eenen of anderen boom, die er by stond. Men noemde zulk een huis dan wel: »het huis onder de linde”, of »by de eiken”, of »by den peereboom”. En zulke huisnamen gingen weêr over op de bewoners van die huizen, die men b. v. »Aarnout onder de linde”, of »Bartold by de eiken”, of »Hubert van den peereboom” noemde; of ook by verkorting: »Arnold de Linde”, of »Berthout van de Eiken”, of »Hubrecht Peereboom.” Ook droeg in de nederlandsche steden van ouds menig huis de afbeelding of den naam van eenen boom, van eene plant, of gedeelte daarvan (bloem of vrucht), in den gevel. In het werk De Uithangteekens van Van Lennep en Ter Gouw kan men daarvan eenige voorbeelden vinden. En zulke huisnamen gingen eveneens wel over op de lieden, welke die huizen bewoonden, en werden, by verloop van tyden, van toenamen tot vaste geslachtsnamen. Als voorbeelden noemen wy: de Karsseboom en de Sparreboom, beide te Leeuwarden als huisnamen voorkomende. Verder de Roos, de Lelie, de Koornbloem, de Appel en de Oranjeappel, de Druivetros, de drie Rapen, het Klaverblad, enz. Andere lieden weer kregen eenen bynaam, die later een vaste geslachtsnaam werd, omdat zy sommige voorwerpen uit het plantenrijk afkomstig, verkochten. Hein, de worteleboer, werd al spoedig Hein Wortel genoemd,—Bartel, die in granen en zaden handelde, noemde men Bartel Coolsaet of Barthold Rogge,—Pieter, de kruidenier, kreeg den bynaam van Pier Peper. En Levi, die »spaansche fruiten”, gelijk onze voorouders zeiden, ventte, heette eerlang Levi Citroen, terwijl men Krijn, het gooische boertje, die in het najaar zyne lange witte rapen ter markt bracht, slechts kende als Krijn Langeraap. En al die bynamen zijn niet slechts aan de personen, aan wie men ze eerst gegeven had, blyven hechten, maar ook aan hunne kinderen en hun nageslacht. Zy bestaan tegenwoordig nog als vaste geslachtsnamen.

Enkele geslachtsnamen bestaan ook uit den naam van eenen boom op zich zelven, zonder het woord boom daar achter. Dit zijn Hagedoorn en Haeghedoorn, Hulst, De Hulst en D’Hulst. Verder De Linde (kan ook de riviernaam zijn, zie bl. 243) en De Lynde, Louwerier en Lourier (hollandsche uitspraak van laurier), Palm en Popelier.

Sommige boomachtige gewassen, van geringe grootte en stevigheid, noemt men »stok” in plaats van »boom”; b. v. »wijnstok” en »rozestok”. De geslachtsnamen Rosenstok en Wijnstok zijn oorspronkelik deze woorden.

Een ander woord om boomen, in het byzonder vruchtboomen aan te duiden, en dat eveneens in de zuidelike Nederlanden het meeste in gebruik is, bestaat uit de lettergreep laar (lare, laere, leer, lere). Zoo spreekt men in die gewesten nog heden ten dage van eenen appelaar, voor appelboom; van eenen kerselaar, mispelaar, neutelaar, enz. voor kerseboom, mispelboom en noteboom. Ook deze eigenaardige boomnamen vinden wy onder de nederlandsche geslachtsnamen vertegenwoordigd. Als zoodanig zijn my bekend de namen Appelaar, Perelaer, De Haeseleer, D’Haselaer en D’Haseleire (haselaar = haselnoteboom), Kersselaers, Kriekelaer, Mispelaere en Mespelaere, Neutelaers, Rozelaar, De Rozelaar, Roseleer en Rooseleer. Deze namen zijn, zoo als de aard der zake medebrengt, hooftsakelik in de zuidelike Nederlanden inheemsch.

Is de beteekenis van de tot nu toe vermelde geslachtsnamen, aan boomnamen ontleend, geenszins duister, met alle geslachtsnamen, die tot deze groep behooren, en is dit niet het geval. Zoo weet ik b. v. de geslachtsnamen Huyboom, Toortelboom en Raeckelboom niet te verklaren; en Göljenboom evenmin. Ook Boerenboom, Boerboom en Bourboom zijn my zoo min duidelik als Slotboom en Soeteboom. De geslachtsnamen Graanboom en Meelboom kan ik my slechts voorstellen, als uit spotterny ontstaan. Bosboom kan eene misspelling zijn van boschboom, woudboom. Maar evenzeer kan deze naam geduid worden als bosboom, boksboom, buksboom, hoogduitsch Buxbaum, de soms boomachtige, welbekende heester, die in de nederlandsche volkstaal veelal den naam van palm draagt (Buxus sempervirens). In de geslachtsnamen Kwekkeboom en Quekeboom schuilt een oud woord kwekke, kweke, kwik, dat leven beteekent, en dat ook nog voorkomt in het woord kwikborn, levende bron, springbron. Van daar ook de geslachtsnaam Quekkeboorne (zie § 165). Kwekkeboom en Quekeboom zijn dus, met den geslachtsnaam Groeneboom, de tegenhangers van de geslachtsnamen Dorreboom en Dorrenboom.—Hoogeboom, Holleboom, Dikboom en Oldenboom (oude boom, in saksischen form) eischen geenen naderen uitleg. De geslachtsnaam Heyligenboom zal wel ontleend zijn aan eenen boom, waaraan het beeld van eenen Heilige was bevestigd, gelijk zulks wel voorkomt in landen, waar de roomsche godsdienst de heerschende is. Het zoude echter ook kunnen zijn dat deze naam van veel oudere dagteekening ware, en nog uit den tijd stamde toen onze voorouders, nog voor de invoering van het kerstendom, sommige boomen als heilig vereerden. Ook nog na hunnen overgang tot het kerstendom bleven de oude Nederlanders, soms nog eeuen lang, zulke boomen als heilige boomen beschouen en noemen. Lichtelik kon iemand, naby zulken boom wonende, daaraan zynen toenaam ontleenen.—De geslachtsnaam Meiboom en Meyboom kan, ja, hagedoorn of meidoorn beteekenen. Liever echter wil ik dezen naam duiden als ontleend aan den bekenden »meiboom”, die in vele germaansche gouen in den meitijd, gewoonlik te Pinkster, voor de huizen werd opgericht, versierd, enz. en waar om heen men danste en andere feestelikheden bedreef. Waar zulk een meiboom, misschien een byzonder hooge of schoone, langer dan gewoonlik staan bleef, misschien wel standvastig zyne plaats behield, daar kon dit geval gemakkelik aanleiding geven dat iemand, voor wiens huis die meiboom was opgericht, daaraan zynen toenaam ontleende.—De beteekenis van den naam Bierboom is my niet duidelik. Zoude het oorspronkelik beerboom, hefboom, draagboom, dus een werktuich zijn?

Nevens deze boomnamen komen er ook eenige geslachtsnamen voor, die met het woord hout zijn samengesteld, en die met de boomnamen veelal na verwant zijn. Zie hier eenigen van die namen: Ebbenhout, Eekhout, Beukenhout, van bekende houtsoorten afgeleid. Verder Langhout, en, in saksischen form Lankholt, Witholt, Kromhout en Cromhout, Drijfhout, Dorhout, enz. De naam Eekhout, in het hedendaagsche geijkte Nederlandsch «eikenhout,” komt in verschillende formen voor; als Eechout, Eekholt, Eeckhout, Eckholt, Eekhaut, ook in hoogduitschen form als Eicholtz, enz. Verder nog Van den Eeckhoutte, Van den Eeckhautte en Van den Eechaute. De geslachtsnaam Beukenhout komt ook voor als Buekenhaut en Buekenhoudt, in brabantschen form; als Boekhold en Boekholt, in saksischen form; als Bouchout en Bouckhout, in vlaamschen form; verder nog als Boekhout, Bucholtz, enz. Schelfhout komt in Brabant ook als Schelfaut en Schelfhautte voor. Burgerhoudt en Tuinhout behooren mede tot deze groep. Eveneens Van ’t Lindenhout en Roegholt. Deze laatste naam vertoont den saksischen form voor »ruig hout”, dat is te zeggen: een ruw, ruig begroeid bosch.

De geslachtsnamen Eekhof, Eekhoff, Eeckhoff, Ekhof en Eckhoff, allen een hof van »eeken” of eikenboomen aanduidende, Beukenhof, Berckhof en Berckenhof, Appelhof, ook Lindenhovius in verlatynschten form, enz. mogen almede by deze groep eene plaats vinden. Men vergelyke verder bl. 278.

Eene byzondere groep van geslachtsnamen omvat nog zulke namen die samengesteld zijn uit de namen van eenen boom, met een voorzetsel, meestal ook met het lidwoord en een voorzetsel daarvoor, b. v. Van Eik, Van Haegedoren, Van der Linde, Verbuecken, enz. Deze namen danken hun ontstaan ongetwyfeld aan den eenen of anderen byzonderen, door grootte of iets anders kenbaren of zeldzamen boom, welke naby het huis stond van den man, die eerst van dien boom zynen toenaam ontleende. Tot deze groep van namen behooren nog Van den Peereboom en Van den Peireboom, Van den Kieboom (zie bl. 403), Van der Eiken, Van der Eyken, Van den Eyken, Van Eik, Van Eyk, Van Eick, Van Eek, Van Eecke, Van Ek, Van Eck, Vereecke, Vereecken, enz. Verder ook de maagschapsnamen Vijf-Eiken, met Van Vijfeyken en het kwalik gespelde Veyfeyken, van eene plaats afgeleid, waar vijf eikenboomen stonden. Deze namen zijn tegenhangers van den geslachtsnaam die naar drie eiken heet; te weten van Dreckmeier; zie bl. 305. Eindelik nog de maagschapsnaam Agtereek, dat is: Achter den eikenboom. Onder deze eiknamen kunnen ook plaatsnamen schuilen, naar dien plaatsnamen als Eik, Eecke, Eycken, enz. niet zeldzaam zijn; deze zijn dan oorspronkelik eveneens aan den eik (als boom) ontleend. Ek in Van Ek en Van Eck kan ook plaatsnaam zijn, in de beteekenis van »hoek.” Verder Van der Wilgen, Van de Willigen, Van der Willigen, Verwilghen en Utterwulghe (zie bl. 257);—Van der Flier, Van der Els, Van der Elst, Verelst, Van den Elsen en Van den Elzen met Verelzen. Verbueken, met Verbuecken, is een brabantsche form voor Ver- of Van der Beuken. Nevens Van der Linde (dat ook aan den riviernaam kan zijn ontleend, zie bl. 243) nog Van der Linden, Verlinde en Verlinden, en Verlindt met Verlint. Dan nog In den Berken, In den Berke, Van Espen, Verolme (olm is de zuid-nederlandsche naam van den yp), Van de Peppel (peppel of pappel of popel is de nederlandsche volksnaam van den populier). Van de Wijngaert met Van de Wingert, enz. is op bl. 292 reeds vermeld. De geslachtsnaam aan den abeel of witten peppel ontleend, is vooral in de zuidelike Nederlanden zeer algemeen, en komt in vele formen voor, als Van den Abeele, Van den Abeelen, Van den Abbeele, enz. Zelfs, door overgang van de b in eene m by verkeerde uitspraak, als Van den Ameele. Aan sommigen dezer namen zal ook wel de naam van het gehucht Abeele op het eiland Walcheren, tusschen Middelburg en Vlissingen, ten grondslag liggen. Den geslachtsnaam Van der Palm eindelik zoude ik liefst verklaren als afgeleid van eenen huisnaam, van den naam van een huis, waar een palm (boom) als uithangbord uithing of als gevelteeken was aangebracht. De palmboom in natura komt toch niet in Nederland voor; wel vinden wy »De Palm” als huisnaam.

Als aanhangsel tot deze groote groep van geslachtsnamen aan boomen, hout, bosch en woud ontleend, mogen hier nog vermeld worden de meer algemeene geslachtsnamen Van den Bosch, Van den Bussche, Van ’t Wout, Van der Woude, Van de Woude, Van ’t Hout, Van Houte, Van Houtte, Ten Houte, Op ’t Holt, Bymholt (zie bl. 253), Van den Boom, Verboom, Van de Loo, Van der Elst, Ther Bosch, Wouda, Wolda, Walda, Bosscha, Boschman, Woudman, Loman, enz. die grootendeels reeds elders in dit werk vermeld zijn.

§ 136. Zijn de geslachtsnamen aan de namen van boomen ontleend reeds talrijk, niet minder is dit het geval met die maagschapsnamen welke bestaan uit de namen van gewassen van kleineren omvang dan boomen en struiken, en die men onder den naam van planten en kruiden samenvat. Tot deze groep breng ik tevens die geslachtsnamen welke ontleend zijn aan de namen van deelen van planten, van bloemen en vruchten, en van andere voortbrengselen uit het plantenrijk.

In de eerste plaats dan vermeld ik hier als geslachtsnamen ontleend aan de namen van geheele planten: Byvoet, ook in patronymikalen form als Byvoets voorkomende; Hoppe, Thijm, Braam en Braem, Brem, Roosemarijn, Boekweit, Klaver en De Klaver, Coorevitse (zie § 151), Vlas, Dopheide, Bies en Biese, Quakernaat, Gras, Graan en De Graan, Tarwe en Taerwe, Rogge, Geerste, Haver, Spelt en Koorn. De geslachtsnaam Heederik vertegenwoordigt den naam van den hederik of krodde (Sinapis arvensis), een welbekend onkruid. Wijl echter Hederik, Hadarik ook een oud-germaansche mansvóórnaam is, zoo als men in Förstemann’s Altdeutsches Namenbuch kan vinden, zoo komt het my aannemeliker voor te stellen dat de geslachtsnaam Heederik, in Duitschland als Hederich voorkomende, aan dezen mansnaam ontleend zy.—De maagschapsnamen Oudegerst en Oltrogge moeten ook tot de graannamen worden gerekend, even als Tervecoren, Somercoren, Haverkorn, enz.—Mos en Schimmel zijn twee geslachtsnamen die ik hier ook tot de plantenamen reken, ofschoon laatstgenoemde naam evenzeer beschoud kan worden als ontleend aan den naam van een byzonder soort van peerd. En omdat de peerdenaam »Schimmel” wel als uithangbord en als huisnaam voorkomt, zoo acht ik het zelfs hoochst waarschijnlik dat de geslachtsnaam Schimmel daar aan ontleend zy, en niet aan den naam van het schimmelplantje. Ten slotte behoort in deze groep noch eene plaats aan de geslachtsnamen Kruid, Kruyt (hier kan ook buskruit bedoeld zijn) en Onkruid.

Als geslachtsnamen bestaande uit woorden die gedeelten van boomen en planten aanduiden, noem ik hier: Wortel, Stam, Tak, De Bast, Blad (met Kleeblad, klaverblad), Blom, Bloem, De Bloem, Blomsteel, Vrugt, De Vrugt, Fruit, Bes, Pit en Kern.

In de maagschapsnamen Blom en Bloem, die dikwijls voorkomen, zoo als ook de hoogduitsche formen van dezen naam, Blum en Blume, als geslachtsnamen in de Nederlanden niet zeldzaam zijn, kan oorspronkelik zoo wel een mansvóórnaam schuilen als het woord bloem. Immers Blom, Bluoma is een oud-germaansche mansvóórnaam, die oudtijds ook in de Nederlanden als zoodanig in gebruik moet geweest zijn. Want zeer vele hedendaagsche nederlandsche (en ook hoogduitsche en engelsche) geslachtsnamen zijn van dezen mansnaam afgeleid. Zie bl. 93 en 94.

De maagschapsnamen Stam, Bloem, Vrugt, enz. bovenvermeld, zijn aan algemeene woorden ontleend. Meer byzonder zijn de geslachtsnamen, van de namen van byzondere bloemen en vruchten afgeleid. Als zoodanig noem ik hier in de eerste plaats de geslachtsnamen De Roos, Roos, Roose, Rose, Roze, met Witteroos en Meyroos. Verder Lelie, De Lelie, Lely en Van der Lelie; deze laatste naam is hoochst waarschijnlik ontleend aan eenen huisnaam of aan een uithangbord »de Lelie.” Vervolgens Tulp, Boterbloem, Distelbloem, Vlasbloem en Vlasblom, Korenblom, Heyblom. De geslachtsnamen Goublomme en Gaublomme (beide formen zijn inheemsch in West-Vlaanderen) acht ik oorspronkelik den naam te zijn van den van ouds bekenden goudsbloem (Calendula officinalis) onzer hoven. De geslachtsnaam Blauwblomme eischt geene byzondere verklaring, al is het dan dat hier wellicht aan de overdrachtelike beteekenis van dit woord (blaue bloemkes, in de volkstaal eene vergoêlikende uitdrukking voor leugens—»die blaue Blume der Romantik”) moet gedacht worden. Kleinbloesem is een geslachtsnaam van meer algemeenen aard.

De maagschapsnamen Mispelblom en Gelderblom zijn wellicht hier minder op hunne plaats als op bl. 364, by de geslachtsnamen aan de wapenkunde, of in § 128, by de namen aan huisteekens in ’t algemeen ontleend. De bloesem van den mispel, de »mispelblom” was afgebeeld op het oude wapenschild van Gelre, en werd dien ten gevolge wel »de geldersche bloem” en »de geldersche roos” of »Roos van Gelre” genoemd. Van Lennep en Ter Gouw zeggen er van, in hunne »Uithangteekens”, dl. I, bl. 398: »Te Arnhem, te Utrecht, te Gorkum hangt nog aan logementen de Geldersche Blom uit, die vroeger vry algemeen was, als zijnde de Mispelbloem, uit het oude wapen van Gelre, die men nog in de wapens van Lochem en van Deutinchem terug vindt.”

Dat de geslachtsnaam Roos, Rooze, Rose, enz. in alle gevallen oorspronkelik de naam is van de bekende bloem, wil ik geenszins beweren. Immers Ros, Rose is een oud-germaansche mansvóórnaam, die als zoodanig in Förstemann’s Altdeutsches Namenbuch vermeld wordt. En dat deze naam, bepaaldelik als mansvóórnaam ook wel in Nederland, zelfs nog sedert den jare 1500, voorkwam, vermeldt Leendertz in zyne Naamlijst (Navorscher XXII bl. 612). Overigens, de vrouelike en de verklein-form van dezen naam, Rosa, Roosje, is als vrouenaam by ons nog wel in gebruik. Nevens de eenvoudige formen Roos, Rooze, Rose, enz. bewyzen nog vele andere nederlandsche geslachtsnamen, die men op bl. 104 vermeld vindt, dat Roos, als mansvóórnaam, oudtijds geenszins zeldzaam by ons volk moet geweest zijn.

Even min zeldzaam als aan de namen van verschillende bloemen, zijn aan de byzondere namen van vruchten en zaden geslachtsnamen ontleend. Nevens het algemeene Vrugt, Bes en Noot met Neut en De Neut, komen als vruchtnamen voor, de geslachtsnamen: Appel, Den Appel en Houtappel (ook in hoogduitschen form Holzapfel; de houtappel is de vrucht van den wilden appelboom). Citroen, Pruim (zie echter bl. 212), Olijff, Vijgh, Druyff en Rozijn, Meloen, De Amandel, Eykel, Pijnappel, Kokernoot, Haasnoot, Corstanje en Carstanjen. Eenigen dezer namen (Citroen, Rozijn, Kokernoot, Corstanje) zijn zeker wel eerst gedragen geworden door kooplieden die in deze vruchten handelden.

Wat namen van zaden aangaat, kunnen hier, nevens de geslachtsnamen Bloemzaad en Tuinzaad met Quasaet en Quaesaet (kwaad zaad, zaad van onkruid), die van algemeene beteekenis zijn, nog genoemd worden de geslachtsnamen Koolsaet en Coolsaet, Lijnzaad en Kennipzaad. Zonderlinger wyze heeft het woord raapzaad (denkelik wel eerst als geslachtsnaam gedragen door kooplieden die in raapzaad handelden, of door boeren die het verbouden) aan vele geslachtsnamen oorsprong gegeven, in vele onderscheidene formen, al naar verschil van taal en tongval, en van spelwyze. Te weten aan de namen Raepsaet, Rupzaad, Ruebsaet, Rupsaat, Rübsaam, Ribsaam, Ripsam, Ripsaam en Riepsame.

De geslachtsnamen Peperkorn en Kokkelkoorn behooren ook tot de zaadnamen; en eigenlik eveneens Haverkorn, Tervecoren, enz. op bl. 408 reeds vermeld.

Speceryen, keukengroenten en andere voortbrengselen uit het plantenrijk, die eene rol spelen in het dageliksche leven der menschen, hebben hunne namen ook moeten leenen tot het formen van geslachtsnamen. Als van zulken oorsprong vermeld ik hier de geslachtsnamen Peper, Kaneel, Caneel en Canneel, Sucaet, Comijn, Komijn en Comeyn, Annijs, Salie, Dille en Kervel, Koffy, Coffy, Thee, Tabak, Toeback en zelfs Tobback. Verder Zoethout (met het hoogduitsche Süssholz), Siepel, Juyn (sipel is de friesche, juyn of juun (ajuin) de zeeusche naam van de uie), Juynboll, Peperwortel, Radijs, Langeraap en De Pee. Ook dienen hier nog de maagschapsnamen Balsem, Pik en Hars te worden vermeld, als afkomstig van namen van voortbrengselen uit het plantenrijk.

F. Geslachtsnamen aan het delfstoffenrijk ontleend.

§ 137. Ofschoon niet geheel ontbrekende, zoo komen toch geslachtsnamen, ontleend aan het rijk der delfstoffen, in veel geringer aantal voor dan de namen aan het dieren- en plantenrijk ontleend. Dat de namen van metalen, gesteenten en dergelyke stoffen minder geschikt zijn voor huisnamen (omdat men ze moeielik afbeelden kan) is zeker wel eene hoofdreden van het kleine getal geslachtsnamen dat hierop betrekking heeft.

Nemen wy in d’ eerste plaats de namen van metalen, dan vinden wy als zoodanig de geslachtsnamen Goud en Zilver, met Gold, Silver en Zulver, volgens de volksuitspraak in vele streken. Verder Koper, Yzer, Lood en Loot. Als byzondere toestanden van het yzer aanduidende, bestaan de geslachtsnamen Staal, Koudstaal, Coudyser, Coudyzer en Caudyzer met Hardyzer. Koperdraat en Yzerdraad (met het hoogduitsche Eisendrath) behooren eveneens tot deze groep. Ook de geslachtsnamen Van Koperen en Van Yzeren breng ik er toe, omdat ik deze namen anders niet en weet te duiden.

G. Geslachtsnamen, ontleend aan het heelal, aan natuurverschijnselen, jaargetyden, byzondere dagen, enz.

Suomar, Sumar, Somar, Somer is een oud-germaansche mansvóórnaam, ook door Förstemann vermeld. De hedendaagsche geslachtsnaam Somer, Zomer kan zeer wel oorspronkelik deze mansnaam zijn. By de patronymikale formen Somers en Somering, die ook als geslachtsnamen geenszins zeldzaam voorkomen, houd ik dit voor byna zeker.

Wintar vind ik als een oud-germaansche mansvóórnaam in Förstemann’s Namenbuch vermeld. Wintar en Sumar (Winter en Zomer), deze namen droegen ten jare 858, twee broeders (Altd. Namenbuch, bl. 1126). Maar ook als samentrekking van den samengestelden oud-germaanschen mansvóórnaam Winidhari, Winithar, Winthare, Winthere, komt deze naam voor. De geslachtsnamen Winters en Winterink zijn vadersnamen van dezen ouden mansvóórnaam.

Namen van maanden zijn my voorgekomen als de geslachtsnamen Meert, April, De Mey en Julij. Zonder twyfel zijn de namen April en De Mey in der daad aan de namen der maanden ontleend. In Julij kan een vadersnaam schuilen. Namelik een latynsche genitivus van den mansvóórnaam Julius. Terwijl Meert eene verkorting kan zijn van den kerkeliken mansvóórnaam Martinus, die in sommige nederlandsche gouspraken tot Meerten geworden is. Daarvan komt ook de patronymikale geslachtsnaam Meertens. In Koelemey schuilt mede de naam van de maand Mei.

Namen van dagen der week komen ook als geslachtsnamen voor. Te weten Zondag, Sondag, Sundag, Sontag en Sonntag met Vrydag, Vridagh, Van Fridagh, het hoogduitsche Freitag en in patronymikalen form Vrydaghs. Deze geslachtsnamen zijn geenszins zeldzaam. Daarentegen kwamen Maandag en Maendagh, Dinsdag met Dingsdag en Saterdag my slechts eene enkele maal voor. Eenen »Woensdag” en eenen »Donderdag” echter heb ik nooit ontmoet. Of het toeval hierby in het spel is, dan wel of werkelik de laatstgenoemde namen niet bestaan en wat de oorzaak mag wezen van dit zoo ongelijkmatige voorkomen, is my niet bekend.

Als geslachtsnamen ontleend aan de namen van byzondere dagen, dienen hier nog vermeld: Nieuwjaar, met het hoogduitsche Neujahr en het patronymikale Nieuwejaers. Drykoningen; deze naam kan ook zeer wel ontleend zijn aan eenen huisnaam. Immers was »De drie Koningen” oudtijds geen zeldzaam gevelteeken, zoo als men in Van Lennep en Ter Gouw’s Uithangteekens (dl. II, bl. 76) nalezen mag. Verder Vastavond en als oneigenlike vadersnaam Vastenavondts; dan nog Paschen en Pinkster met Van Paesschen en Van Pinxteren. De twee laatstgenoemde namen zijn my niet recht duidelik. Als meer algemeene namen van dagen noem ik de geslachtsnamen Vierdag en Heylidy. Dezen laatsten naam houd ik voor eene halve verdietsching van Halliday, oorspronkelik een engelsche naam (?), die ook in Nederland voorkomt. Verder Mesdag, Mesdagh, Mesdach, een oorspronkelik vlaamsche naam, en misdag, dag waarop in de Roomsche kerk de mis gehouden wordt, beteekenende. Uit Vlaanderen is deze naam ook naar Noord-Nederland gekomen. Een geslacht van dezen naam, thans in de noordelike gewesten inheemsch, heeft een van daarby genomen, en heet nu Van Mesdag; een even zonderlinge, tegen den aard onzer tale strydende form als Van Paesschen en Van Pinxteren. De volksuitspraak neemt geerne eene t achter sommige letters (zie § 156). Zoodoende komt de naam Mesdag ook voor als Mestdagh en Mestdach, en is, in dezen form die eenen zonderlingen zin geeft, aan sommige geslachten eigen.

Als aanhangsel tot deze groep mogen nog de geslachtsnamen Nieuwentijt en Ouendag, Tijdgaat (zie § 148), De Zaeytijdt, Duurentijdt en Ontijd vermeld worden.

H. Geslachtsnamen aan de namen van lichaamsdeelen ontleend.

§ 139. De enkele, eenvoudige namen van menschelike lichaamsdeelen komen ook als geslachtsnamen voor. Ik vermeld deze namen hier in eene afzonderlike groep, als aanhangsel van de andere namen die rechtstreeks ontleend zijn aan voorwerpen en zaken uit de natuur. Ik had aan deze maagschapsnamen, aan de namen van lichaamsdeelen ontleend, ook gevoegelik eene plaats kunnen geven by die geslachtsnamen, welke hun ontstaan danken aan byzondere lichamelike eigenschappen der menschen; § 124–126. Immers velen van de onderwerpelike geslachtsnamen zijn eerst als bynamen in gebruik geweest voor personen, by welke het eene of andere lichaamsdeel, wegens misforming, byzondere grootte, of eenige andere oorzaak, in het byzonder de opmerkzaamheid van andere lieden trok. Zoo krijgt b. v. iemand, die de opmerkzaamheid van anderen opwekt door eenen zeer grooten, of krommen, of rooden neus, al lichtelik den bynaam van »Neus”. En dat zulke bynamen langzamerhand vaste toenamen geworden zijn, en eindelik vaste geslachtsnamen, daarvan zijn in dit werk reeds vele voorbeelden opgenoemd. My is iemand bekend, wiens gebit, door byzonder groote snytanden in de bovenkaak, en door eene korte bovenlip, sterk in het oog loopt. Deze man draagt daar eenen bynaam af, te weten dien van (zeggen wy maar Teake) Tosk. Immers hy woont in Friesland; en tosk (tusk) is het friesche woord voor tand. Dat zulk een bynaam oudtijds in der daad een vaste geslachtsnaam is geworden, wordt door het voorkomen, heden ten dage, van de geslachtsnamen Tand in Holland, Tosch in Friesland, en Zahn in Duitschland (ook van daar in Nederland overgebracht) bewezen. Karl Strackerjan verhaalt in zijn werk Die Jeverländischen Personennamen, bl. 39, van eenen boerenarbeider, die »bekam einmal beim Mähen von seinem Nebenmann mit der Sense in der Wade, plattdeutsch Küet, eine Wunde, an welcher er lange zu leiden hatte. Bald hiess er in seiner Umgebung nur »Behrend Küet”, und als er starb, erbte sein Sohn den Namen. Trotz Widerspruch und Klagen bei der Behörde, zum Theil auch wohl eben deswegen, blieb für ihn der Name »Gerd Küet” und sein Häuschen hiess die Küeterê” (kuitery, in het Hollandsch). »Sicherlich wäre daraus ein Familienname geworden, wenn Kirchen- und Erdbuch noch eine solche Schöpfung des Volksmundes aufgenommen hätten.” Intusschen komt in Nederland werkelik Kuit en Kuyt als geslachtsnaam voor; terwijl te Rotterdam eene brug den naam draagt van Jan-Kuiten-brug, ten bewyze dat ook daar een man geweest is die Jan Kuit heette of aldus genoemd werd.

Als voorbeelden van geslachtsnamen ontleend aan de namen van byzondere lichaamsdeelen, noem ik hier: Hooft en ’T Hooft, met Hoeuft, Heuft en het versletene Heuff, die ik niet anders kan verklaren dan als eene byzondere uitspraak van het woord hooft of hoofd in de eene of andere byzondere gouspraak. In den geslachtsnaam Bleyenheuft komt deze spelwyze ook voor; en eene andere in Schoonhoefd (zie bl. 345). Moet eerstgenoemde geslachtsnaam verklaard worden als »looden hoofd”? Beduidt deze naam niet hoofd of kop van lood, die als uithangteeken diende? en is dus een tegenhanger van de geslachtsnamen Goudenhooft en Houthoofd (zie bl. 367 en 368)? Verder D’Oore, in Vlaanderen voorkomende. De Vlamingen spreken nog zeer te recht en taalkundig zuiver de oore, voor het noord-nederlandsche het oor. Zoo spreken zy ook de ooge, voor het hollandsche het oog, en dien ten gevolge meen ik den vlaamschen geslachtsnaam Doghe te moeten verklaren als D’Oghe, D’Ooghe, De Ooghe, het oog. Misschien echter schuilt in dit Doghe ook de bekende geslachtsnaam De Hooge, De Hoog, op vlaamsche wyze uitgesproken en geschreven, als D’’Oge, De Hoge, De Hooge. Nevens D’Oore in Vlaanderen komt in Holland de geslachtsnaam Oor voor, en zelfs het fransche Oreille. Verder De Neus, Neus, Kaakebeen, Mond (en Bek; zie echter bl. 279), Tand, De Tandt, Kies, Baert, Den Hals, Borst, De Borst, Buyck, Maagh, Lever, Blaas, ’T Hart, Pols, Vuist, De Vuyst, Duim, Duym en zelfs Van Duym, Pinck, Been (en Poot), Kuit en Kuyt, Scheen, Voet en Hiel, Nagel en De Naeghel (zie bl. 365). Eindelik nog Vel en Schornagel (scheurnagel? de man die kenbaar was aan eenen gescheurden nagel).

By deze namen zullen er wel enkelen zijn, die eenen anderen oorsprong hebben, en die slechts toevallig de namen van lichaamsdeelen vertoonen. Zoo kan in Baert een oud-nederlandsche mansvóórnaam schuilen (Baert, Beert, Barend, Berend, Bernard, Bernhart), de zelfde mansvóórnaam die ook aan de patronymikale geslachtsnamen Baarts en Baerts ten grondslag ligt. Blaas komt voor als eene verkorting van den kerkeliken mansvóórnaam Blasius (zie bl. 181), en zoo kan dus de geslachtsnaam Blaas zeer gevoegelik gehouden worden als zynen oorsprong te ontleenen aan genoemden mansnaam. Polle is een friesche mansvóórnaam, en de geslachtsnaam Pols kan zeer wel een tweede naamval, een patronymikale form daar van zijn. Wel is de friesche mansvóórnaam Polle of Pol als zoodanig weinig in gebruik; maar hy ligt toch aan verschillende geslachtsnamen ten grondslag. Te weten aan Pollema, Polsma, Polling, Pollen, Pollsen, enz.; allen vadersnamen. En ook aan het verlatynschte Pollius. In den geslachtsnaam Been kan de friesche mansvóórnaam Bene schuilen, de oud-germaansche naam Beno, welke ook oorsprong gaf aan de patronymikale geslachtsnamen Beninga, Beenenga, Beening, Beens, Beenen, Benes, Benen, enz. Hile (Hyle) eindelik is nog een friesche mansvóórnaam, die tegenwoordig meest in verkleinform, als Hylke en Hyltje voorkomt. De geslachtsnaam Hiel kan zeer wel oorspronkelik deze mansnaam zijn. Aan de geslachtsnamen Hylen, Hieltjes, Hielkes (zie bl. 150) heeft hy tevens oorsprong gegeven.

I. Geslachtsnamen, aan de namen van spyzen, dranken en kleedingstukken ontleend.

§ 140. Spijs en drank en kleeding zijn zaken die eene groote rol spelen in het dageliksche leven der menschen. Het is dan ook niet vreemd dat de namen daar van wel voorkomen als geslachtsnamen. Iemand toch, die byzonder graag deze of gene spyze of drank at of dronk, die daar voor bekend was by zyne omgeving, kreeg al licht, uit spot, zulk eenen naam als bynaam. En deze bynamen gingen als gebruikelike toenamen, later als vaste geslachtsnamen wel op de kinderen en nakomelingen dier mannen over. En even zoo ging het met de namen van kleedingstukken. Iemand die bekend was wegens het dragen van ’t eene of andere byzondere, ongemeene, of sterk in het oog vallende kleedingstuk, kreeg al licht den naam daar van als bynaam. Ook kwamen de afbeeldingen en namen van spyzen en dranken en kleedingstukken wel als gevelteekens en huisnamen voor. Zoo kan ook langs dien weg menige dergelyke geslachtsnaam in gebruik gekomen zijn.

Tot het bereiden van brood is koorn noodig; en ook zuurdeeg. Deze woorden zijn ook tot geslachtsnamen geworden; namelik als Broodkoren, Broodcoren, Brotcorne, en zelfs in versletenen form en als vadersnaam Brocorens. En als Zuurdeeg (met den hoogduitschen form Sauerteig).

Als aanhangsel tot deze broodnamen vermelden wy nog de geslachtsnamen Beschuydt en Wermenbol (warme bol) met Krentebol. Eene bol is een bolvormig fijn gebak; in Friesland noemt men nog alle wittebrood »bolle”. Deze bolnamen, waartoe misschien ook Wittebol (zie bl. 343) behoort, voeren geleidelik tot de koeknamen, die vertegenwoordigd worden in de eerste plaats door de eenvoudige geslachtsnamen Koek en Coucke, in Holland en Vlaanderen, en dan door Wittekoek, Krentekoek en Pannekoek, Pankoek, Pannekoucke, enz. De vorm Pantekoek komt ook voor. Wijl my nooit, in geen enkele gouspraak, de uitspraak pantekoek voorgekomen is, in plaats van pannekoek of pankoeke, zoo weet ik het voorkomen van dezen eenigszins zonderlingen naam niet te verklaren.

Zuivelspyzen waren van ouds her by de Nederlanders zeer bemind en werden dageliks genuttigd. Vooral in het veeryke Holland en Friesland. De namen van zulke spyzen vindt men in de geslachtsnamen Heetebry, Wittewronghel, Ouboter, Dolleboter, Kaas en Caes, Hooikaas en Ooykaas, enz. Als men melk by middel van eenig stremsel, gewoonlik van leb, stremt, dan schift zy zich in de vaste, kaasachtige stoffen, wrongel genoemd, en in de vloeibare bestanddeelen, de wei of hui, in de friesche gewesten waei of wai genoemd. (Van daar de noord-hollandsche geslachtsnaam Waaiboer). Die wrongel was vroeger als verkwikkende en verkoelende spyze zeer bemind. Te Groningen, buiten de Heerenpoort, is het Wrongelhuus nog bekend, waar men zich aan wrongel vergasten kan. Ook buiten Hamburg werd my nog, in eene boereherberg, wrongel voorgezet. De oude Vlamingen, in de middeleeuen, schynen ook groote liefhebbers van zuivelspyzen geweest te zijn; althans de vlaamsche boeren, de zoogenoemde »vlaamsche kerelen”, die oorspronkelik Friesen en Saksen waren. Immers luidt het referein van een middeleeusch vlaamsch volkslied, een spotlied op die »keerlen”:

»Wronghele ende wey,

Broot ende caes,

Dat heit hi al den dach!”

En werkelik is ook thans nog de geslachtsnaam Wittewronghel met Wittevronghel en Wittevrongel in Vlaanderen inheemsch. De juiste beteekenis en oorsprong van den zonderlingen naam Dolleboter is my onbekend. Ooykaas houde ik voor eenen versletenen, ouden form van Hooikaas.

In de middeleeuen was karnemelk en wei de dageliksche drank van den geringen man, als hy geen bier bekostigen kon; vooral ook van vrouen en kinderen. Het was het drinken of het zuipen, het suypen, gelijk men toen zich uitdrukte en schreef, als by uitnemendheid. Van daar dat in de friesche taal karnemelk nog heden sûpe (spreek ongeveer als soepe uit) heet. In de friesche steden, waar, b. v. te Leeuwarden en te Sneek, »de Suupmerk”, in deze eeu soms verhollandscht tot »Zuipmarkt”, nog bestaat, zegt men suup. Elders in de noordelike gewesten, b. v. te Groningen, is eene zuivelspyze als diksoepen bekend; en ook in Brabant, b. v. te Breda, kent men zuipen als zuivelspijs. De geslachtsnamen Karmelk, Soetewey en Vetsuypen, met den patronymikalen form Vetsuypens, leggen nog getuigenis af van het zuiveldrinken onzer voorouders.

Vleesch- en vischspyzen zijn my slechts voorgekomen in de geslachtsnamen Potharst, Spek, Ham, Spekham, Worst en De Worst, Pannevis, Pekelharing en Stokvis. De naam Potharst komt menigvuldig voor, ook in de versletene formen Pothast en Potthast. Potharst bestaat uit vuistdikke stukken rundvleesch, van de harst (ruggestreng), met gort en rapen of wortelen samengesmoord. In Holland noemt men dit herfst-gerecht hutspot. Sedert de opkomst der eerdappelen in de Nederlanden, is (jammer genoeg!) de potharst van de tafel der burgery verdwenen; toch is hy hier en daar in onze noordelike en oostelike gewesten nog bekend en in gebruik. Kiliaan heeft »Pot-harst, Sax. Fris. Sicamb. j. hutspot. Caro iussulenta.”—»Schelharst” is de naam van een ander stuk vleesch. Ook dit woord komt als geslachtsnaam voor, maar dan in verbasterden form, door de vage uitspraak der r, byzonder der ar, by de saksische Nederlanders. Te weten als Schelhaas. Nevens den geslachtsnaam Spek komt ook Van der Spek voor, en Van den Ham naast het enkele Ham.—»De Ham”, vooral »De Westfaalsche Ham” was oudtijds als huisnaam niet zeldzaam, en staat nog heden te Haarlem in den Anegang. Daarenboven heeft het woord ham nog eene algemeen-aardrijkskundige beteekenis, en formt als zoodanig aardrijkskundige namen. Vele dorpen en buurten in de verschillende nederlandsche gewesten dragen den naam van Ham en Den Ham, ook in samenstellingen (Drogeham, Blankenham, IJsselham). De geslachtsnaam Van den Ham zal dus waarschijnlik, even als Ten Ham en Hamstra, afgeleid zijn van dit algemeen-aardrijkskundige woord.

Namen van spyzen en gerechten, uit het plantenrijk herkomstig, ontmoeten wy in de geslachtsnamen Kool en Cool, Buiskool, Boerkool, Warmoes, Koolmoes, Witteboon, Gort, Gortworst en Potjegort. Nevens den naam Witteboon komt ook Bonewit voor; beide deze namen zijn aan israëlitische maagschappen eigen. Is de naam Witteboon misschien door een spelend vernuft aangenomen als een ommekeer, een tegenhanger van den reeds bestaanden naam Bonewit? En is deze laatste naam misschien weêr eene verbastering van den eveneens voorkomenden maagschapsnaam Bonewitz, die van slavischen oorsprong is? Zie § 164. In Kool en Cool kan ook de oud-germaansche, door Förstemann vermelde mansvóórnaam Colo schuilen. Zie bl. 102. Nevens Boerkool komt ook de geslachtsnaam Boerkoel voor. Deze laatste naam schijnt my toe niet eene verbastering te zijn van den eerstgenoemden, maar veeleer te behooren tot de koel- (kuil) namen, op bl. 256 en 289 opgenoemd.

Om al deze namen van spyzen en gerechten te besluiten, moet hier nog de geslachtsnaam Braspot vermeld worden, die (brassen = smullen) de kroon op alle voorgaanden zet. En dan, als toegift, noemen wy hier nog de geslachtsnamen Mostert, Olie, Oly en Honig. Vooral de laatste naam is geenszins zeldzaam, en komt in allerlei formen en spelwyzen voor, als Honingh, Honing, Honigh, Hooning en Heuninck.

Ten slotte noem ik hier nog de geslachtsnamen Koekenbier en Bierenbroodspot. De eerste toont ons een oorbeeldig boerenonthaal. De laatste is de naam van het dageliksche morgen- en avondgerecht onzer voorouders. Roggenbrood, vooral ook roggentweebak, in dunbier gebrokkeld en te zamen verwarmd, dat was »de bier-en-broodspot”, die oudtijds zoo hoog in achting stond, dat hy wel op gevelsteenen en als huisnaam voorkwam, en dat hy zelfs, vermoedelik langs dien weg, geslachtsnaam geworden is.

§ 141. Als geslachtsnamen, die oorspronkelik de namen zijn van kleedingstukken, noemen wy in de eerste plaats Jas (met Van der Jas), Buis en Buys, Broek, Hoos, Das, Mantel, Schorteldoek en Borstlap. De oorspronkelike beteekenis der drie laatstgenoemde namen als kleedingstukken, is buiten twyfel. Niet alzoo is het met de anderen. Jas immers is ook als verkorting van den mansvóórnaam Jasper in gebruik. In Buis en Buys kan ook een mansvóórnaam schuilen, en wel de zelfde die voorkomt in de patronymikale maagschapsnamen Buysing, Büsink, Bussing, Bussink, Buissink, Buisinga, Buisma, Busma, Buyssens, Buyse, Buizen, Buyze, enz.; in verkleinform als Buyskes, Busken en Buska (zie echter bl. 270). Namelik de oud-germaansche mansnaam Buso, door Förstemann vermeld.—Broek kan men ook rekenen tot de namen van algemeen-aardrijkskundigen oorsprong (zie bl. 281), even als men Das tot de diernamen kan tellen. De beteekenis van het woord hoos, als kleedingstuk, zweeft tusschen die van onze hedendaagsche woorden broek en kous. In het hedendaagsche Friesch heeft hoas de beteekenis van kous. Maar in Holland had in de middeleeuen hoos de beduidenis van een kleedingstuk, dat bestond uit broek en kousen aan één stuk, gelijk men in die tyden droeg. Buitendien zoude men den geslachtsnaam Hoos nog kunnen voegen by die welke in § 138 vermeld zijn, omdat hoos ook de naam is van een natuurverschijnsel.

Als ontleend aan de namen van byzondere soorten van kleedingstukken noemen wy nog de maagschapsnamen Ruygrok en Ruifrok, Ruigrok en Ruyfrok, allen het zelfde beteekenende. Immers ruig, ruif, ruw zijn niet aleen woorden van de zelfde beduidenis, maar ook van den zelfden oorsprong. Ook zijn deze namen al van oude dagteekening. Volgens het tijdschrift De oude Tijd, jaargang 1869, bl. 206, komt reeds in eene oorkonde van den jare 1435 zekere Jan Ruychrock voor.—Verder Langerok en Langerock, Zwarterok, Blontrock en Schoonrok, Witjas, Bontemantel, enz. Oudtijds was »De Bontemantel” een huisnaam die meermaals voorkwam; volgens Van Lennep en Ter Gouw onder anderen te Amsterdam, Antwerpen en Delft. Als geslachtsnaam komt Bontemantel, waarschijnlik aan eenen huisnaam ontleend, reeds in het begin der jaren 1500 voor. Een der eerste ontginners van het Bilt in Friesland droeg dezen naam. En deze naam is daar weêr gegeven aan het huis door dien man geboud en bewoond, en als huisnaam, daar tot op den huidigen dag in wezen gebleven. In dit geval heeft dus eerst een huis den naam gegeven aan eenen man, en later is die naam weêr van den man op een huis overgegaan.

In sommige nederlandsche gouspraken, vooral in die van onze noordoostelike gewesten, draagt een mansbroek den naam van bokse. Of de zonderlinge geslachtsnaam Vixseboxse, dien ik anders niet en weet te verklaren, met dat woord in verband staat? En dus fiksche broek beduidt? In dit geval zou deze naam zoo zonderling wezen, dat ik dit naueliks aannemen durf. Trouens, aan zeer zonderlinge namen hebben wy geen gebrek. § 147 en vervolgens leert dat voldoende. Daar zijn er nog wel zonderlinger vermeld dan Vixseboxse, ook al neemt men bovengenoemden oorsprong aan. De geslachtsnaam Kousbroek, die in Vlaanderen in den byzonderen form Van Causbrouck voorkomt, doet aan de middeleeusche hozen, op de vorige bladzyde vermeld, denken. Of aan de geslachtsnamen Blaauwbroek, Bruynbroeck, Wittebrouck en Rybroek de naam van het kleedingstuk ten grondslag ligt, of wel het algemeen-aardrijkskundige woord broek = moeras, is moeielik uit te maken. Ik houd het laatste voor het waarschijnlikste. In Van Swartenbrouck is dit zekerlik het geval. Maar in den als patronymikon voorkomenden geslachtsnaam Swartenbrouckx is het weêr twyfelachtig. Ook is de oorsprong en eigenlike beteekenis van den maagschapsnaam Geuzebroek, waar aan toch hoochst waarschijnlik wel een plaatsnaam ten grondslag ligt, my onbekend gebleven.

Als geslachtsnamen ontleend aan de woorden die hoofddeksels en voetbekleedsels aanduiden, vermeld ik hier: Hoed, Hoet en Hoedt met D’Hoedt, Den Hoed en Den Hoedt. In Ten Hoet schijnt een plaatsnaam te schuilen, dien ik echter niet aanwyzen kan.—Verder Geelhoed en Zwarthoed, met de hoogduitsche namen Grünhut en Schönhuth, die ook in de Nederlanden voorkomen. Ook Pet, Muts en Dubbeldemuts. Dan Laars en Leers, Schoen en Schoe. Deze laatste naam vertoont den oorspronkeliken, zuiveren, eenvoudigen form van het woord. De maagschapsnaam Schoegje vertoont den byzonderen verkleinform (in plaats van »schoentje”), welke in Friesland zoo wel als in het Overmaassche by Dordrecht, der volksspreektaal eigen is. Van der Laars zal oorspronkelik wel de bynaam geweest zijn van eenen leersemaker, even als Van der Jas die van eenen kleêrmaker. Maar deze geslachtsnamen kunnen ook aan huisnamen ontleend zijn. Immers gevelteekens als »De Roode Leers” of »De Rylaers” kwamen oudtijds niet zeldzaam voor.—Ook behooren hier nog vermeld te worden de maagschapsnamen Klomp, Trip (eene muil met houtene zool) en Schaats.

Gedeelten van kleedingstukken leenden hunne namen aan de geslachtsnamen Knoop en Cnoop (die ook in patronymikalen form als Knoops en Cnoops voorkomen), Roksnoer en Mouw. Raadselachtig is my de geslachtsnaam Der Mouw, wegens dat voorvoechsel der; een oud lidwoord? of het verbogene vrouelike lidwoord? By de vier knoopnamen zal men wel liefst te denken hebben aan den mansvóórnaam Knoop of Cnoop, die oudtijds wel in de Nederlanden voorkwam. (Zie De Navorscher, XXII, bl. 566 en 574). Ten slotte komen de namen van kleedingstoffen nog voor in de geslachtsnamen Bommezijn, Chits, Flanel, Katoen, Scharlaecken, Vijfschaft en Witdoeck. Vijfschaft (Fiifskaft) is de friesche en friso-saksische naam van zekere wollen stof die oudtijds door de landlieden in onze noordoostelike gewesten geweven werd. Zy heette alzoo naar hare byzondere wyze van samenstelling. De geslachtsnaam Vijfschaft is dan ook in Drente inheemsch, waar ook nog fiifskaft gedragen wordt. Waarschijnlik zijn al deze namen oorspronkelik bynamen geweest van lieden die in zulke stoffen handel dreven. De naam Witdoeck is aan verschillende geslachten in de zuidelike gewesten eigen. Hy komt daar ook in de spelling Wittouck voor, en tevens in de patronymikale formen Witdouckx en Wittoucx.

J. Geslachtsnamen, afgeleid van de namen van munten, geldsoorten, maten en getallen.

§ 142. De geslachtsnamen die geformd zijn uit de namen van munten en geldsoorten, maten en getallen, hebben gewis ook, althans ten deele, hun ontstaan te danken aan gevelteekens en huisnamen. Voor een ander deel ook aan bynamen, die uit de eene of andere oorzaak, welke nu niet meer na te speuren is, oudtijds dezen of genen man gegeven waren. Dat eene oud-amsterdamsche maagschap, uit de 16de eeu, haren naam Reael ontleende aan »De gouden Reael” (een muntstuk uit dien tijd), zoo als het huis heette aan het Damrak te Amsterdam, waar Laurens Jacobsz. de stamvader van dit geslacht woonde—is bekend. En zoo zal het ook wel gegaan zijn met andere geslachten, die tegenwoordig den naam van een muntstuk of iets dergelijks, als naam voeren.

Om met de kleinste munten te beginnen, vermelden wy eerst de geslachtsnamen Penning en Penninck, en, nog geringer, Kleinpenning. Gering is ook de beteekenis van den naam Schimmelpenninck, al wordt hy door een aanzienlik geslacht gedragen. Een penning echter, die men zoo lang in eenen spaarpot bewaard had, dat hy er beschimmeld uitkwam, was by onze zuinige voorouders, als een bewijs van spaarzaamheid, in hooge weerde. In den form Schimmelpenning is deze geslachtsnaam almede by ons inheemsch. Ook de hoogduitsche form van dezen naam komt in Nederland voor, als de geslachtsnaam Schimmelpfennig; buitendien ook nog versleten als Schimmelpfeng. Minder in achting was de kwade, dat is de valsche penning, die nog in den geslachtsnaam Quapenninck leeft. Zulk een kwade penning werd oudtijds in den winkel waar hy aangeboden of ontdekt werd, met eenen spyker doorgeslagen en aan de toonbank of den toogdisch bevestigd. In de vorige eeu was dit nog in Friesland in gebruik, en dat men het ook in Vlaanderen deed, bewijst dit vlaamsche rijmke, dat tevens den oorsprong van den geslachtsnaam Quapenninck buiten twyfel stelt:

”Slaet al wat kwapennink is

”Slaet kwapennink aen den disch!

”Dat van Brugge tot aen Gent

”Heer Kwapennink sta bekend!

”Als dat hy kwapennink is!

”Slaet kwapennink aen den disch!”

De speelpenning had geen eigenlike weerde. Hy was dan ook in den handel niet gangbaar, en vertegenwoordigde slechts eene ingebeelde weerde als hy by eenig spel diende, op de wyze der hedendaagsche beenen vischjes, die men in kwaad fransch wel fiches belieft te noemen. Duitsche speelpenningen, met den stempel »Spielmarke” er op, waren in myne jeugd te Leeuwarden nog in gebruik. In den geslachtsnaam Speelpenning is dit woord bewaard gebleven. De braspenning was in den ouden tijd een muntje, waar men, in die goedkoope dagen, voor »brassen”, smullen kon. Zóó althans verklaart de volksmond dezen naam, by de overlevering van den metselaar die aan St.-Jans-kerk in ’s Hertogenbosch arbeidde, en die den pot met groene-erwten-soep, welke zyne vrou hem als zijn middagmaal bracht, verachtelik omschopte, terwijl hy uitriep:

»Is dat eten voor eenen man.

”Die daags eenen braspenning verdienen kan?”

De geslachtsnaam Braspenning (zie ook Braspot op bl. 423) komt nog heden ten dage voor. Meer als in al deze enkele penningen leit er opgesloten in den geslachtsnaam Tweepenninck, die ook in patronymikalen form, als Tweepenninckx voorkomt.

Voor wy tot de namen van andere munten overgaan, dient hier nog vermeld, dat men in den geslachtsnaam Penning en Penninck niet onvoorweerdelik den muntnaam zien moet. Immers kan deze naam evenzeer een oud patronymikon zijn van eenen oud-germaanschen mansvóórnaam Penne (Pinne), dien ik wel niet afsonderlik, en als zoodanig, in eenig oud geschrift aantoonen kan, maar die toch zekerlik in gebruik geweest is. Dit blijkt zonder eenigen billiken twyfel uit de geslachtsnamen Penninga en Pennenga, die in Friesland inheemsch zijn. Alsmede waarschijnlik uit Pens, en uit Penninckx in Vlaanderen, uit Penning in Engelland voorkomende, en uit Penninkhof. Verder uit den westfaalschen geslachtsnaam (Von) Pinning, uit den naam van het uitgestorvene oud-friesche geslacht Pingia (dat is eene samentrekking van Pinninga), en misschien ook uit den groningerlandschen geslachtsnaam Pynema, en uit Pienemann. In de plaatsnamen Pennington in Hantshire (Engelland); Pennigbüttel, een dorp by Osterholz in Hanover; Pennigsehl, een dorp in Hoya (Hanover); Pingjum, dat is Pingia-hum, Pingia-heim, Pinninga-heim, woonplaats der Pinninga’s, der Pinningen, der afstammelingen van Pinne, zoo als een dorp heet in Friesland (Wonseradeel); en in Pinning, een dorp by Landau in den Beierschen Palts, komt deze oude mansnaam Penne, Pinne eveneens voor.

Van de penningen tot de duiten en centen overgaande, vinden wy de geslachtsnamen Drieduiten, Duit en Duitgenius, met Deutgenius, Cent en Centen.—Deutgenius houd ik voor eene verlatynsching van Deutgen, en dit is eene oude spelwyze van het woord duitje. Men zie bl. 110, en Van Lennep en Ter Gouw, De Uithangteekens, dl. II, bl. 193, waar wy lezen van »een brabantsch muntje, dat de waarde had van een kwart groot oft deutgen (duitje)”. Deutgen is ook als geslachtsnaam bekend. De geslachtsnaam Cent echter en heeft oorspronkelik met den naam onzer hedendaagsche pasmunt niet te maken, maar is eene volkseigene verkorting van den kerkeliken mansvóórnaam Vincent (Vincentius). En Centen is daarvan een patronymikon, op de wyze als in § 40 vermeld is. De volle vadersnaam Vincenten komt ook als geslachtsnaam voor.

De stooter is geen eigenlike munt; het is de volksnaam voor eene geldsweerde van 12–1/2 cent. Dit woord formt den geslachtsnaam Stooter, die ook als patronymikon, Stooters, voorkomt. Verder zijn nog de geslachtsnamen Daalder, Gulden en Ducaet muntnamen die geen naderen uitleg eischen, evenmin als Duyzenddaalders. Maar deze laatste naam is eigenlik een basterdvloek, en staat in de plaats van »duizend donders!” Het schijnt dat de man die eerst den zonderlingen naam Duyzenddaalders voerde, dezen basterdvloek zoo dikwijls in den mond genomen heeft, dat hy er eenen bynaam van kreeg. Schild of »schilt”, »scilt”, was de naam van zekere oude munt, en dit woord bestaat nog in den geslachtsnaam Vijftigschild, die ook door afslyting zyne laatste letter verloren heeft, en als Vijftigschil voorkomt. Misschien ook in den enkelvoudigen geslachtsnaam Schilt; zie bl. 364.—In de middeleeuen berekende men de kleine munten, de penningen, ook by het gewicht. Van daar nog de geldsweerden die men noemt »een pond sterling”, in Engelland, »een pond vlaamsch,” in sommige nederlandsche gewesten (Zeeland) nog in gebruik, enz. Deze ponden gelds vindt men nog terug in de geslachtsnamen Tweepondt, Driepont en Dryepondt, Tienpont, Thienpondt en Thienpont. De geslachtsnamen Vijfstuk, Vijffstuk en Grootstuk met het door verbasterde uitspraak misspelde Grautstuk, meen ik ook tot de muntnamen te moeten brengen. Misschien ook Grevenstuk, met welken naam men een »gravenstuk”, eene grafelike munt kan hebben aangeduid.

Algemeene geldnamen zijn nog Kleingeld, Nievergeld en Offergeld met Offergelt en den versletenen form Offergel.—Nievergeld, misspeld voor Nieuwergeld, is Nieuwgeld, nieu geld; even als Niervaart = Nieuwervaart; Nieuwer-Amstel, in de uitspraak ook dikwijls Nieveramstel, enz. Eindelik zoude men de geslachtsnamen Smytegeld, Grijptenduit (zie § 150), ook Met de Penningen en Mettepenningen, ook nog tot de geldnamen kunnen brengen.

§ 143. Slechts weinige geslachtsnamen zijn oorspronkelik de namen van maten. De oorsprong van het grootste deel dezer namen is zekerlik wel in huisnamen te vinden. Zoo was er voor weinige jaren nog te Haarlem een huis dat »De Houtmaat” in den gevel voerde. En als eene woordspeling met het bevel: »houdt maat!” stond er op dien gevelsteen in geestig rijm:

“Want het is een wijs man

Die de maet houden kan.”

Deze aardige gevelsteen is door Van Lennep en Ter Gouw onvermeld gelaten. Daarom heb ik aan zyne beschryving hier een plaatske ingeruimd. Geslachtsnamen, tot deze groep behoorende, zijn Mudde, Schepel, Zoutmaat en Havermaet. Het hoogduitsche Biermasz is my ook in Nederland voorgekomen. Verder nog Goedmaat en Vierendeel met den patronymikalen form Vierendeels. De beteekenis van den naam Goedmaat is niet zeker. Hy zoude ook kunnen beduiden: goede maat, in de beteekenis van goede vriend, en dus een weêrga zijn van den geslachtsnaam Goedvriend; zie § 144.

Zonderling genoeg, en, wat hun oorsprong betreft, voor my vry duister, zijn die geslachtsnamen, welke uit de namen van getallen bestaan. Daarvan zijn de volgenden my bekend: Drie, Zeven, Dertien (ook in patronymikalen form Dertiens), Zestiene, Achttien en Agtien, Sestig, Honderd en Duizend, met den hoogduitschen form Tausend, die almede hier te lande voorkomt. De geslachtsnaam Drie zoude ook zeer wel oorspronkelik de naam kunnen zijn van het gehucht Drie, by Ermeloo op de Veluwe. De geslachtsnaam Van Drie is zonder twyfel aan dien plaatsnaam ontleend. Zoo ook dankt de geslachtsnaam Van Agt zynen oorsprong niet aan het getal acht, maar aan het dorp Acht, in de noord-brabantsche Kempen gelegen. De geslachtsnaam Zeven eindelik zoude oorspronkelik ook een oud-germaansche mansvóórnaam kunnen zijn, de zelfde als de naamstam Sew, door Förstemann vermeld, en die ook oorsprong gaf aan de patronymikale geslachtsnamen Sevensma en Zevensma in Friesland, en Sevens in Vlaanderen.

K. Geslachtsnamen ontleend aan de verwantschap en de onderlinge betrekkingen der menschen.

§ 144. Het is reeds van ouds her in gebruik geweest om twee personen, die den zelfden naam droegen, van elkanderen te onderscheiden door eenen bynaam, ontleend aan de byzondere betrekking of verwantschap waar in die personen tot elkanderen, of ook tot anderen stonden. Had een vader b. v., die Karel Van Dijk heette, zynen zoon ook Karel genoemd, dan kreeg die vader eerlang, als zijn zoon volwassen werd, ter onderscheiding den bynaam van de Vader; Karel Van Dijk De Vader noemde men hem ter onderscheiding van den jongen Karel Van Dijk. Of ook, als oom en neef den zelfden naam droegen, dan gaf men aan laatstgenoemden wel den bynaam van de Neef. Andere soortgelyke benamingen, als Vondeling, Bastaard, Voogd, Jongeling, Grijsaard, Vriend, Buurman, enz. aan de betrekkingen of verhoudingen der menschen onderling ontleend, werden almede als bynamen gegeven. Velen van die bynamen zijn van den vader op den zoon overgegaan, zijn vaste toenamen gebleven, en eindelik vaste geslachtsnamen geworden. Deze byzondere geslachtsnamen formen eene eigene groep. De volgende namen breng ik daar toe:

Vader, by zeer gebruikelike samentrekking De Vaar en De Vaere, als patronymikon ook Vaders. Waarschijnlik beteekent de reeds in de 15de eeu voorkomende geslachtsnaam De Veer oorspronkelik even eens de Vader. Immers is veer, feer voor vaar, faar, vader, fader, father, oud-friesch ook fether, eene oude noord-hollandsch-friesche uitspraak. Nog heden ten dage luidt het woord vader in den byzonderen frieschen tongval der stede Hindeloopen als feer. Verder Kind, met ’T Kint en ’T Kindt, De Kyndt en Jongkind met Jongkindt. De maagschapsnamen Veefkind en Vollekindt behooren zekerlik ook tot deze groep. Ik kan ze niet verklaren. Over Daenekindt zie men bl. 194. De geslachtsnaam Der Kinderen is op bl. 168 reeds besproken, en De Jong, De Oude, enz. met de talryke verscheidenheden van die namen welke in zekeren zin ook tot deze groep kunnen gebracht worden, zijn op bl. 339 reeds vermeld. De geslachtsnamen Den Oudsten en De Jongste, met Jongste, als in het byzonder de verhouding van broeders onderling aanduidende, dienen hier ter plaatse niet onvermeld gelaten te worden. Ook Jongezoon en ’T Jonck moeten hier vermeld, benevens den byzonderen patronymikalen form ’S Jongers, dat is: des jongers, des jongers (zoon), de zoon van den jongeren (broeder); zie bl. 185. Andere broedernamen zijn nog Broeder, Den Broeder, Oolbroer (een versletene saksische form, ool’ broêr, ool’ broeder, old broeder, oude broeder; zie op bl. 50 den naam Ool-Bekkink). Verder Stillebroer en Bestebroer, en in verkleinform, tevens met de klankwyziging (umlaut), in de frankische en saksische tongvallen gebruikelik, Bestebreurtje. De patronymikale geslachtsnamen Broers, Broeren, Broere, Broersma en Broersema meen ik niet van het woord broeder te moeten afleiden, maar van den mansvóórnaam Broer (zie bl. 175). Zoo ook komt het my aannemeliker voor om de geslachtsnamen Oome, Oomen, Ooms, Oomsz, Omenga, met de verkleinformen daarvan Ohmken en Oomkens, allen patronymikale formen, niet af te leiden van het woord oom, maar van den mansvóórnaam Ome, die nog heden wel eene enkele maal in onze friesche en saksische gewesten voorkomt, en die een byform is van Omme, Ommo, Ummo, Umo, allen oud-germaansche mansvóórnamen. Zie bl. 138.

De maagschapsnamen Peetoom echter, De Peet en De Peter laten geen twyfel over aan hunne oorspronkelike beteekenis. Als weêrga van deze namen bestaat er in Vlaanderen de geslachtsnaam De Vaddere. »Vadder” is in het Oud-Vlaamsch het zelfde wat men thans peter, gevader, godvader noemt (zie Guido Gezelle’s tijdschrift Loquela, jaargang III, 1883, bl. 11). En even duidelik wat hun oorsprong en beteekenis aangaat, zijn ook de maagschapsnamen De Neve, Den Neef, Neef, die ook in de zuidelike Nederlanden half verfranscht voorkomen als Deneve en Denève. Verder de verkleinform van dit woord, als patronymikon, Neefjes, en eindelik de oud-fransche form daar van, die ook in de Nederlanden als geslachtsnaam voorkomt, Nepveu. Of de geslachtsnaam Swagerman ook tot deze groep behoort, in de beteekenis van zwager = aangehuwde verwant, bepaaldelik geen bloedverwant, is niet zeker. Swagerman zoude ook kunnen beteekenen: een man van de Swaag, een inwoner van een der dorpen die de Zwaag heeten. Zie bl. 269 en 270. Iedereen verstaat ook de geslachtsnamen De Wees, De Weze, met het gewestelik-hollandsche Weesie (zie § 156), en met de half-verfranschte formen, die in de zuidelike Nederlanden voorkomen: Dewez en De Vèze. Ook Van Wees en Van der Wees, namen die van eenen byzonderen of algemeen-aardrijkskundigen naam Wees schynen afkomstig te zijn, maar die my onduidelik blyven. Verder De Moerloose en, in eenigszins verbasterden form De Morloose, dat is: de moederlooze.—Een halve wees is ook het kind dat na zijns vaders dood geboren wordt. Zulk een kind noemden de Romeinen een »postumus” of »postuma,” al naar dat dit kind een knaapje was of een meiske. De maagschapsnaam Posthumus is zekerlik oorspronkelik gegeven aan zulk eenen nageborenen knaap. Maar met den geslachtsnaam Posthuma acht ik dit niet het geval; dat men een nageboren meiske Postuma noemde, is zeer wel mogelik, maar die naam kon toch later niet op hare zonen overgaan! De maagschapsnaam Posthuma is in Friesland inheemsch. Zoude hy niet een versierde, quasi-latynsche form zijn van den eveneens aan een friesch geslacht eigenen naam Postma? Ook Postmus komt in Friesland voor, nevens Posthumus. Verder nog Postema en Postsma. Waarschijnlik is er verwarring onder al deze namen, door onverstand ontstaan en door verwisseling en verbastering van Oud-Friesch en Latyn, by toevallige overeenkomst in form en klank. Hoe het zy, ik kan geenen uitweg vinden uit den doolhof van deze geslachtsnamen.

Notes in this chapter

Note 1 · »De Wereld,” als een wereldbol, soms ook, b. v. in myne jeugd te Leeuwarden nog, als eene zinnebeeldige voorstelling van het geheele zonnestNote 2 · Zoogenoemde heraldische figuren waren vooral in de middeleeuen als huisteekens veel in zwang. En niet minder de namen en afbeeldingen van alNote 3 · Nevens allerlei gereedschap en handwerkstuich is oudtijds ook allerlei huisraad als uithangteeken aan huizen in gebruik geweest, en zijn dieNote 4 · Aan herbergen, waar gelegenheid is om peerden te stallen, hangt dikwijls »de Roskam” uit. Daaraan is de geslachtsnaam Roskam, die ook in oudNote 5 · Dat het dragen van zulke toenamen en geslachtsnamen, aan huisteekens ontleend, en allerlei gereedschap en huisraad noemende, reeds van oude Note 6 · § 131. Zeer groot is het aantal van geslachtsnamen, die eigenlik de namen zijn van verschillende dieren; b. v. De Leeuw, Calkoen, Kikkert, DNote 7 · Ofschoon de geslachtsnamen aan diernamen ontleend, wel voor verre weg het grootste gedeelte oorspronkelik huisnamen geweest zijn, zoo is ditNote 8 · Kat, Cat, De Kat, De Kadt, De Cat, Cath en Katje. Ook Kats, Cats, Catz? zie § 134. Huizen, die »de Kat” heetten, waren er oudtijds zeer veleNote 9 · Beer, De Beer, Den Beer, misschien ook, als patronymikon, Beers; zie echter bl. 375.—Wolf, Wulf, De Wolf, De Wulf en Van der Wolf. Over de pNote 10 · By den geslachtsnaam Muyshond, ook als Muyshondt, en versleten als Musont en Mussont en zelfs als Musson voorkomende, heeft men aan geen byzNote 11 · Het woord peerd is my, op zich zelven, nooit als geslachtsnaam voorgekomen. Wel Van der Paardt, duidelik een huisnaam van oorsprong. Verder Note 12 · Koe, De Koe en Bontekoe. »De bontekoe” is als uithangbord aan dorpsherbergen niet zeldzaam. Thomas Willemsz. Bontekoe, een amsterdamsch burgNote 13 · Bok, Bock, De Bok, De Bock, De Buck, Buck, Steenbok. Verder ’T Hert, ’T Hart, Hert en Vliegenthart. Laatstgenoemde naam, de tegenhanger van Note 14 · Voor wy met de vogelnamen beginnen, moeten hier nog vermeld worden de geslachtsnamen Wildebeest en Eenhoorn, die ik beiden ook van huisnamenNote 15 · Openen wy de reeks van byzondere vogelnamen weêr met den vogel die van ouds als »koning der vogelen” geacht werd, met den arend. Arend, Den Note 16 · Struis kan zoo wel den vogel Struis beteekenen, als het byvoegelike naamwoord struisch; zie bl. 340. Als huisnaam was »De vogel Struys” oudtNote 17 · Ten slotte kunnen als geslachtsnamen, ontleend aan de namen van insekten, schaal- en weekdieren, nog vermeld worden: Kever, Watertor, De BieNote 18 · De naam van den roofvogel valk diende den ouden Germanen almede als mansvóórnaam. Als Falacho, Falco wordt hy vermeld in Förstemann’s AltdeuNote 19 · Een andere roofvogel is de havik, en ook zijn naam moest oudtijds als mansvóórnaam dienen. Die voornaam kan dus, zoo wel als de vogelnaam zeNote 20 · Om de geslachtsnamen, uit het plantenrijk ontleend, nader aan te toonen en te verklaren, beginnen wy met de boomen, en vermelden dus eerst dNote 21 · Een zeer oude germaansche naam voor boom is het woord thriu, tere, tra of dro, al naar de verschillende taalstammen eischen. Dit woord, dat Note 22 · In de tweede plaats vinden wy eenige namen van gesteenten, aardsoorten, enz. dienst doen als maagschapsnamen. Het zijn: Marmelstein, BruynstNote 23 · § 138. Zon, maan en sterren zijn van ouds her zeer menigvuldig als huisnamen, uithangteekens, enz. gebezigd, en het ligt dus voor de hand omNote 24 · De laatste namen van het lijstje in de noot beneden aan deze bladzyde vermeld, voeren ons geleidelik tot die geslachtsnamen, welke bestaan uNote 25 · By de opsomming der geslachtsnamen aan de namen van spyzen ontleend, mogen wy wel beginnen met »den staf des levens”, met het brood. BroodnaNote 26 · Van de spyzen tot de dranken overgaande, vinden wy dat bier en wijn, ook in samenstellingen, almede hun aandeel hebben moeten leveren tot heNote 27 · Nevens Zuurbier treffen wy den geslachtsnaam Soerewyn aan, een friesche en saksische form van »zurewijn”. En als de weêrga van Coelenbier deNote 28 · »De Stuiver” kwam reeds in de 15de eeu als uithangteeken voor. Reeds in het midden dier eeu had dit huisteeken zynen naam gegeven aan eenen
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings