← Table of contents
De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis

Note 65 — III. Geslachtsnamen van allerlei oorsprong. (continued 2)

Reading edition

Openen wy de reeks van byzondere vogelnamen weêr met den vogel die van ouds als »koning der vogelen” geacht werd, met den arend. Arend, Den Arend en Van den Arend zijn geslachtsnamen die geenszins zeldzaam voorkomen. Trouens, de arend, wiens beeld op zoo vele wapenschilden prijkt, was oudtijds ook als huisnaam en gevelteeken zeer algemeen. Een oude naam van den arend, vooral in de wapenkunde gebruikelik, is adelaar. De naam Adelaar, ook in hoogduitschen form als Adler, komt nog als maagschapsnaam onder ons voor. In myne jeugd woonde er te Leeuwarden een man die Adelaar heette, in een huis waar een adelaar, fraai in hout gesneden, boven de voordeur stond. Ik weet niet wie in dit geval ouder was, de geslachtsnaam of de huisnaam. Andere namen van roofvogels zijn de geslachtsnamen Valk, Valck, De Valk, De Valck, De Valke; Havik, Buizerd, Sperwer, Wikel en Blauwikel. De twee laatsten vertegenwoordigen de friesche namen van den torenvalk (Tinnunculus alaudarius) en van den blauen kiekendief (Circus cyaneus); zie § 152. Verder nog De Gier met Uil, Uyl en Den Uil. Dan volgen Raaf, De Raaf, De Raeve, Kraai, Kraay, Kray, Craey, Craeye en De Kraai, met De Roek, De Rouck, De Gaai, Exter, Den Exter, en, als patronymikon Axters. Verder Koekoek en Koekkoek met Cockuyt en Cocquyt. Deze beide laatste namen komen meest in de vlaamsche gewesten voor. Zy vertoonen niet slechts eene verouderde spelwyze, maar tevens eenen byzonder-vlaamschen en byzonder-frieschen form van dit woord. Zie De Bo, Westvlaamsch Idioticon op het woord koekoek, koekuit. De jeugd in Friesland zingt nog een rijmke, dat begint alzoo: »Koekuut! de broek uut.”, enz.—Specht, Papegaay, IJsvogel, Vink, Vinck, Vyncke, Vinke, De Vyncke en Van der Vink, Geelvink en Rietvink. Maar Roelvink en Aalvink (zie bl. 40 en 152) zijn geen vogelnamen. Putter, Sijs, Van der Sijs. Behoort laatstgenoemde naam wel hier? Of is hy slechts eene verbastering van den naam Van der Chijs, dien ik overigens ook niet verklaren kan. Spreeuw, Musch, Mosch met het nedersaksische Lünink en het hoogduitsche Sperling. Leeuwrik en Lerk, Mees, De Meeze en Koolmees, Meerlaer, De Maerel en De Meerleere en De Lyster. Reeds vroeg treffen wy den laatsten naam als bynaam aan (wegens byzondere veerdigheid in het zingen?): Atte Mockama, alias Lijster, een boer te Ferwert in 1511.65—Nachtegaal, Nachtegaele, De Nagtegaal en Nachtergaal. Zwaluw, Swalue, Swaalf, Swalf, en de friesche formen van dezen naam, Zwaal en Swaal.—Duif, Duyf, De Duve en Duyvejonck. Deze laatste naam weet ik anders niet te verklaren, als door hem hier te plaatsen. De mannelike duif of doffert heet in Vlaanderen Duiver; daar komen ook de geslachtsnamen Duyver en Den Duyver voor. Hoen en ’T Hoen. De Haan is zeer algemeen. Geen wonder; als uithangteeken of huisnaam komt »de Haan” en »’t Haantje” zoo dikwijls voor! Als geslachtsnaam vinden wy den naam van den haan nog in deze formen: Haan, Den Haan, Den Haene en D’Hane. Buitendien nog de samengestelde namen Roothaan (huisnaam De roode haan?), Mouthaan (een haan die mout eet?) en Stoerhaan. Laatstgenoemde naam beteekent groote haan (zie bl. 381 op Stoorvogel), en komt ook als Stuurhaan voor. Tot de hoendernamen behooren verder nog: Hen, Kip, De Kip, Capoen en Capuen (dit laatste is de brabantsche form van dezen naam), Kuiken en Hinnekint. Deze laatste naam acht ik te zijn eene, schertsender wyze gegevene of aangenomene omzetting van den geslachtsnaam Kuiken, een tegenhanger van Duyvejonck, bovengenoemd, en van Jongschaep op bl. 380 vermeld. Veldhoen, Fezant, De Quartel en Quartel met Auerhaan (laatstgenoemde naam zekerlik van hoogduitschen oorsprong) zijn aan de wilde vertegenwoordigers van het hoendergeslacht ontleend. Kalkoen en Calkoen met Pauw, Paauw, Paeu, De Paauw, De Paeuw en De Pauwe zijn ook als geslachtsnamen geenszins zeldzaam.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings