← Table of contents
De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis

Note 73 — III. Geslachtsnamen van allerlei oorsprong. (continued 2)

Reading edition

Om de geslachtsnamen, uit het plantenrijk ontleend, nader aan te toonen en te verklaren, beginnen wy met de boomen, en vermelden dus eerst de geslachtsnamen Boom, De Boom, Ten Boom en Onder den Boom. Omdat Boom ook de naam is van een dorp tusschen Antwerpen en Mechelen, wil ik den geslachtsnaam Van Boom liefst verklaren als van dezen plaatsnaam afgeleid. Boomnamen, die geen naderen uitleg eischen, zijn nog: Appelboom, Kersenboom en Carsseboom, Lindeboom, Noteboom en Neuteboom, Palmboom, Peereboom, Rozeboom en Rooseboom, Denneboom, Sparreboom en Mastboom (zoo noemt men wel, vooral in Brabant, alle recht op gaande en kegeldragende boomen—van daar ook het Mastbosch by Breda en elders). Dan nog Vygeboom, Vlierboom, enz. De naam van den eikenboom is my, zonderling genoeg, in dezen thans meest gebruikeliken form nimmer als geslachtsnaam voorgekomen. Het schijnt dat het nederlandsche volk dezen boom oudtijds meest genoemd heeft naar den naam zyner vruchten, de eikels. Zoo laten zich de geslachtsnamen Eykelboom en Eikelenboom verklaren. In den tongval der friesche steden draagt de eikel den naam van ekkel: zoo spreekt men te Leeuwarden van ekkelkoffi (fijn gestampte gebrande eikels), van ekkelspek (het spek van varkens, die met eikels gemest zijn), enz. Zie bl. 305. En van daar ook de geslachtsnaam Ekkelboom, te Leeuwarden inheemsch. De oud-hollandsche naam van den eikel is aker. »De Akerboom” kwam oudtijds in Holland niet zeldzaam als huisnaam voor, in afbeelding op eenen gevelsteen. In 1868 was er nog zoo een te zien in de St.-Nicolaas-straat te Amsterdam;73 misschien ook heden nog. En de oude rederykerskamer te Vlaardingen heette De Akerboom. De geslachtsnamen Akerboom en Akerenboom blyven de gedachtenis aan dezen eigen oud-hollandschen naam bewaren. De geslachtsnaam Zevenboom vertoont de oud-nederlandsche naam van den boom, dien men ook sevenboom, savenboom, savelboom noemt, dien de geleerden Juniperus Sabina noemen, en die oudtijds by het volk zoo welbekend was. Den geslachtsnaam Slijboom houd ik voor eene verbastering van Sleeboom, het welk de naam is van den Prunus spinosa, dien men ook Sleedoorn noemt. Te meer wijl de sleeën, vruchten van dezen boom, in Groningerland sleien worden genoemd. In den geslachtsnaam Slebos vindt men ook den naam van deze wilde pruimesoort terug; slebos, verbastering van sleebosch, een nederlandsche form van den hoogduitschen geslachtsnaam Schleebusch, die ook in de Nederlanden voorkomt. Wijl echter Schlebusch ook de naam is van een dorp tusschen Dusseldorp en Keulen gelegen, zoo kan de maagschapsnaam Slebos ook tot de namen van byzonder aardrijkskundigen oorsprong worden gerekend; zie bl. 212. Toch is, am Ende, de dorpsnaam Schlebusch ook weêr ontleend aan den naam van den sleeboom. De teeboom, waaraan de geslachtsnaam Teeboom zynen oorsprong verschuldigd is, zal oorspronkelik wel op het uithangbord van eenen theehandelaar gepraald hebben. Een oud-nederlandsche naam van dennen, sparren en andere kegeldragende boomen is kienboom. Kilianus heeft »Kien-boom, kien-hout, pinus, teda.” In versletenen form vinden wy dezen ouden naam terug in den geslachtsnaam Kieboom.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings