← Table of contents
De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis

Note 52 — III. Geslachtsnamen van allerlei oorsprong. (continued 2)

Reading edition

Ofschoon de geslachtsnamen aan diernamen ontleend, wel voor verre weg het grootste gedeelte oorspronkelik huisnamen geweest zijn, zoo is dit toch geenszins met allen het geval. Allerlei oorzaken hebben wel ten gevolge gehad dat deze en gene man eenen diernaam als geslachtsnaam kreeg. Menigeen die de eene of andere diersoort verkocht, of anderszins in zijn bedrijf daar mede te doen had, werd door anderen met den naam van zulke dieren, als toenaam, genoemd. Hendrik Harrewijnsz b. v., die paling ving en verkocht, kreeg al spoedig den bynaam van Hein Paling, en dien bynaam bleef hy behouden, en ging als toenaam op zyne kinderen, als vaste geslachtsnaam op zyne verdere nakomelingen over.52 Het beruchte rotterdamsche wijf Kaat Mossel, die in de staatkundige beroerten van de laatste helft der voorgaande eeu hare rol speelde, had eenen anderen geslachtsnaam. Het grootste deel der Rotterdammers evenwel wist, dat wijf aangaande, anders niet dan dat zy Kaat heette, en dat zy keurster was van de schelpvisch op de rotterdamsche vischmarkt. Daarom noemden zy haar Kaat Mossel, en zóó was zy bekend.53 Een ander weêr kreeg een diernaam tot bynaam, wegens de eene of andere byzondere eigenaardigheid van zijn persoon, ’t zy dan naar het lichaam of naar den geest. Een man b. v., bekend wegens zijn byzonder scherp gezicht, werd wel Jan Valk genoemd. Een ander, zeer vlug te been, wel Klaas Kieviet. Eenen derden, vreesachtig van aard en by ’t minste gevaar op de vlucht gaande, noemde men spottender wyze Hein de Haas, enz. Dan nog zijn vele geslachtsnamen, schijnbaar uit diernamen bestaande, eenvoudig mansvóórnamen, en als zoodanig, als geslachtsnamen in gebruik gekomen of verformd. Valk, Duif, Bot (Botte), Haring, enz. zijn allen oud-nederlandsche mansvóórnamen, gelijk in § 134 nader wordt verklaard. Eindelik nog, hoe zulke namen ook uit misverstand kunnen ontstaan zijn, daar van is my een zonderling geval bekend, het welk ook reeds in De Navorscher, dl. XXVII, bl. 387 door my is medegedeeld. In het midden der vorige eeu kwam een eenvoudig man, die geen geslachtsnaam had, gelijk de meeste Friesen uit den geringen stand in die dagen—uit het dorp Beers in Friesland,54 te Leeuwarden wonen. Laat ons dien man, welke vóór dien tijd altijd te Beers had gewoond, maar Eabe noemen, of Eabe Sytses, met zynen vadersnaam, als patronymikon, daar by. Te Leeuwarden moest onze man nu wel een geslachtsnaam voeren, ter onderscheiding van anderen, die misschien ook Eabe Sytses heetten. En dus noemde hy zich maar (of anderen noemden hem zóó—’t is het zelfde) Eabe Sytses Beers, naar zyne plaats van herkomst. E. S. Beers nu had eenen zoon, die vry wat uit het friesche laag sloeg, die graag den Hollander uithing, en dien de naam Beers wat al te plat in d’ ooren klonk. Hy noemde zich alzoo graag Baars—dat klonk hollandscher, dus voornamer, volgens zijn dom begrip. Beers is immers ook maar het friesche woord voor het hollandsche baars! En in 1811, toen deze dwaas eenen vasten geslachtsnaam in de boeken van den burgerliken stand moet laten inschryven, gaf hy werkelik zynen naam aan als Baars. En zoo heeten natuurlik zyne nakomelingen nog heden. Men oordeele of deze geslachtsnaam Baars oorspronkelik met den naam van den visch iets te maken heeft!—De geslachtsnaam Baars is aan menig nederlandsch geslacht eigen, om van Den Baars niet te spreken. Het grootste deel van deze namen zal wel aan huisnamen of uithangteekens ontleend zijn. Dezen immers, »de Baars” of »de dry Beerskens” of »de gekroonde Baars”, waren oudtijds in ons vischrijk vaderland volstrekt niet zeldzaam. Eene andere zonderlinge wyze waarop iemand eenen diernaam tot maagschapsnaam verkreeg, wordt in § 148 vermeld.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings