← Table of contents
De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis

Note 74 — III. Geslachtsnamen van allerlei oorsprong. (continued 2)

Reading edition

Een zeer oude germaansche naam voor boom is het woord thriu, tere, tra of dro, al naar de verschillende taalstammen eischen. Dit woord, dat onder anderen nog in de engelsche taal leeft als tree, en in de skandinaafsche als träd en træ, boom, was oudtijds ook eigen aan de nederlandsche taalstammen. Enkele plaatsnamen en geslachtsnamen hebben dit oude woord bewaard. Men vindt het nog in de namen Apeldoorn (oud-saksisch Apoldro, appelboom), Appeltern, een geldersch dorp tusschen Maas en Waal, en Appelterre, een dorp in Oost-Vlaanderen, by Sotteghem.74 In sommige gouspraken is dit zelfde oud-germaansche woord nog tot den huidigen dag in leven gebleven. In Limburg b. v. draagt de mispelboom den naam van mispelteer, de vlierboom heet daar holenteer, overeenkomende met het hoogduitsche woord Holunder (der = boom); en de jeneverstruik wachelteer, hoogduitsch Wacholder, enz. Oudtijds noemde men in sommige zuid-nederlandsche gouspraken den appelboom dan ook appelteer, appelteir, appeltere, overeenkomende met het engelsche appletree, en den noteboom notelteer, neuteltere. In sommige geslachtsnamen, die eveneens meest in de zuidelike Nederlanden inheemsch zijn, komen deze oude boomnamen nog heden ten dage voor. Zulke namen zijn Mispelter, Mispeltier en, als patronymikon, Mispelters. En Notelteirs, dat my ook slechts in den tweeden naamval als vadersnaam voorgekomen is. De geslachtsnamen Hagedoorn, Haghedoorn, enz. en Doornbosch, Dorenbos, Hoogendoorn enz. behooren eigenlik ook tot deze afdeeling.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings