Note 40 — III. Geslachtsnamen van allerlei oorsprong. (continued 2)
Reading edition
Aan herbergen, waar gelegenheid is om peerden te stallen, hangt dikwijls »de Roskam” uit. Daaraan is de geslachtsnaam Roskam, die ook in oude spelling als Roscamm voorkomt, ontleend. Ander peerdetuich, als huisnamen, vinden wy terug in de geslachtsnamen Den Toom, De Haam, Breydel en Zweep.—Toontuigen werden ook als gevelteekens gebruikt. Reeds in de 16de eeu moet »De Bas” te Amsterdam hebben uitgehangen, zoo als trouens nog heden te Haarlem in de Warmoesstraat het geval is. Pieter Jacobsz Bas en Dr. Dirk Bas, amsterdamsche burgers uit de 16de eeu hadden aan zulk een huisteeken hunnen naam ontleend.40 En nog heden komen de geslachtsnamen Bas en De Bas voor, met Bazuin, Fluit, Trompetje, Viool en Hacquebart. Laatstgenoemde naam vertoont den ouden form en eene oude spelwyze van het woord hakkebord, een oud-nederlandsch toontuich, thans buiten gebruik. De geslachtsnaam De Keghel is zeker ontleend aan een huis waar eene kegelbaan gehouden werd, en dus »De Kegel” uithing. Misschien herinneren de namen Kolff, Kolf en Schaack, Schaak ook aan de spelen van dien naam. Bal en De Bal, Bontenbal, Dobbelsteen en Teerling, Teerlinck, Terlinck danken ook aan speeltuigen hunnen oorsprong. Roosenkrans, Rosenkrans, Rosencrantz en Paternoster zijn aan uithangteekens van gants anderen aard ontleend. »Int Paternoster”, zoo heette een huis te Delft, in 1600. Zie Soutendam, Een wandeling langs Delfts straten en grachten, bl. 34. Den geslachtsnaam Goudschaal reken ik ook van eenen huisnaam afkomstig. Pers en Pars is ontleend aan een huis waar eene »pers” uithing, ’t zy dan eene wijnpers (zie Van de Wijnpersse op bl. 361) of eene drukpers. »De Witte Persse” hing vóór 1610 uit in de Oudebrugsteeg by ’t Water »(te Amsterdam)” en later op ’t Water bij dezelfde steeg, by den boekdrukker Dirck Pietersz, die naar dat symbool den toenaam »Pers” aannam en zich als dichter en historieschryver ook Theodorus Petrejus Persius, ook wel, naar zijne geboorteplaats, »Persius van Emden” liet noemen.41 De geslachtsnaam Guldenarm, aan een huisteeken ontleend, is op bl. 347 reeds verklaard. Een tegenhanger van dezen naam is Goudenhooft. Een gouden manshoofd komt nog heden te Leeuwarden als huisteeken voor. En Andries Boeleszoon in ’t Gouden Hooft was een burger van Amsterdam ten jare 1567. Was zulk een manshoofd uit hout gesneden, niet verguld noch beschilderd, dan noemde men het huis waar dit teeken aan den gevel stond: »het houten Hooft”, of, te Amsterdam in de 16de eeu: »het houten Aangezicht.” In 1600 stond te Delft een huis dat »Int houten Hooft” heette. En in het midden der 16de eeu hing ook te Amsterdam ergens dit huisteeken uit. Immers vinden wy omstreeks dien tijd een amsterdamsch burger, die Laurens ’t houten Aangezicht werd genoemd.42 Ook de heden ten dage nog bestaande geslachtsnamen Houthoofd en Toutenhoofd zijn aan dit huisteeken ontleend. Toutenhoofd is eene samentrekking en misspelling van ’T (H)outenhoofd, het houten hoofd. In Zeeland is deze naam inheemsch. En als Houthoofd in Vlaanderen; uitgesproken »Outooft.” Aan de zeeusche gewoonte om de letter h niet uit te spreken, dankt deze naam zynen hedendaagschen verbijsterden form. De geslachtsnaam Houtekindt, in West-Vlaanderen voorkomende, is vermoedelik ontleend aan een huis waar het houten beeld van een kind, een »houten kind”, als huisteeken aan den gevel gesteld was.—Hoppzak en Haverzak zijn twee geslachtsnamen die ook aan huisnamen ontleend zijn. In den ouden tijd toen hier te lande ook veel hop werd verboud, ten gebruike voor de talryke bierbroueryen, waren er in zeer vele steden herbergen waar »De Hopsack” uithing, en waar brouers en boeren samenkwamen om te handelen. In de 16de eeu heette een huis te Amsterdam »De Hoppezak”, en in de 17de eeu was er een huis van gelyken naam te Dendermonde. In myne jeugd (1850) was er nog eene herberg »De Hopzak” te Leeuwarden in de Kleine Kerkstraat. Ook is »Hoppensack” nog de naam van eene buurt te Hamburg, en eveneens aan een huisnaam ontleend. »De Haverzak” vinden wy, onder anderen, te Amsterdam en te Wijk by Maastricht.43—In 1690 woonde Gerrit Claesz te Amsterdam aan den Singel »in de Blaupot” (een pot met blaue verfstof?), en droeg er zynen toenaam af, die als geslachtsnaam, Blaupot, nog heden bestaat.44 Ook Blaukuip, het waarteeken van den blauverver, komt als geslachtsnaam voor. De byekorf was van ouds een zeer algemeen uithangteeken, vooral by koekbakkers, om den honig. Toch is my een geslachtsnaam, aan dat teeken ontleend, in de noordelike gewesten nooit ontmoet. Wel in Vlaanderen; te weten: als Biebuyk. Dit byzondere woord toch (byebuik, de West-Vlamingen zeggen biebuuk) is in West-Vlaanderen in plaats van het algemeen-nederlandsche byekorf in gebruik.45