IV. Geslachtsnamen volgens hunne aardrijkskundige verdeeling. (continued 2)
Reading edition
Byzonder-iersche namen komen in de Nederlanden veel zeldzamer voor als byzonder-schotsche. De grootendeels streng Roomsch-Katholyke Ieren staan den (Noord-) Nederlanders dan ook verder als de Schotten. Het is dan ook juist aan de overeenkomst van godsdienst toe te schryven, dat meer Ieren zich in de zuidelike als in de noordelike gewesten hebben gevestigd. En dat de weinige iersche geslachtsnamen meer in Vlaanderen en Brabant als in Holland worden aangetroffen. Zie hier de weinigen, die my zijn voorgekomen: Obreen met de byformen Obrien, ook O’Brien geschreven, en Obrie; Ogilvie (te Batavia), O’Kelly en O’Toole, Sheridan en Sullivan. Den geslachtsnaam Carmiggelt, ongetwyfeld eene verbastering van Car-Michael, in Engelland als maagschapsnaam inheemsch, meen ik ook tot de iersche (of cornwelsche?) namen in Nederland te moeten brengen.
Geslachtsnamen, eigen aan de volken die van slavischen stam zijn (Russen, Polen, Czechen of Bohemers, Slavoniers, enz.), komen ook al onder ons voor. En ofschoon deze slavische volken ons verre staan en vreemd zijn, zoo zijn nogtans slavische namen geenszins zoo zeldzaam onder ons, als men wel zoude verwachten. Maar Polen vooral zijn van ouds her een licht beweegbaar volk geweest, dat zich gemakkelik verplaatste. En ook staatkundige en godsdienstige partyschappen hebben duizenden Polen uit hun land verdreven en in den vreemde gevoerd. Eenigen van hen hebben hunnen weg ook tot in de Nederlanden gevonden, en hunne nakomelingen wonen nog onder ons. Czechen en Moraviers, Slavoniers en Slowenen of Wenden hebben ook steeds in grooten getale, jaar uit jaar in, hun land verlaten, en als geringe handwerkslieden, kleine kooplieden (in muizevallen en ander draadwerk, in glaswaren, enz.), ook als reizende muzikanten, Duitschland overstroomd. Velen van hen, in Duitschland tot eenigen welstand gekomen en, op hun geslachtsnaam na, verduitscht (of hunne kinderen en nakomelingen), zijn naderhand, met eigenlike Duitschers, ook naar de Nederlanden komen afzakken. Rekent men dat onder de honderd Duitschers, die zich in de Nederlanden vestigen, er slechts één is met eenen slavischen geslachtsnaam, en die van slavischen oorsprong is, dan kunnen enkel hier uit reeds die geenszins zeldzaam voorkomende slavische namen onder ons verklaard worden. In der daad zijn die namen in grooter aantal onder ons aanwezig, als engelsche of skandinaafsche namen. Hoe vreemd het ook schyne, by eenige opmerkzaamheid zal men de waarheid van dit beweren bevestigd vinden.
De weinige spaansche en portugeesche geslachtsnamen (ik ken ze niet uit elkanderen), in de Nederlanden voorkomende, en my bekend, zijn: Armiroto, Balabrega, D’Almaras, Da Silva, De Castro, De Ruescas, De Zerezo de Tejada, Di Gazar, Diaz, Exalto, Exalto d’Almaras, Espantoso, Gonsalves, Pedro, Perez, Rodrigues en Rodriguez. Ik meen dat er onder dezen ook nog zijn, die aan oorspronkelik-israëlitische geslachten toebehooren.
Midden tusschen Fransch en Nederlandsch in staat de geslachtsnaam Meauxsoone, die in West-Vlaanderen aan de fransche grenzen inheemsch is, en die natuurlik (zie bl. 82) een patronymikon is, zoon van Meaux beteekenende. Een Franschman, Meaux geheeten, heeft denkelik, door zich in Vlaanderen te vestigen, aanleiding gegeven tot het ontstaan van dezen naam, omdat zijn vervlaamschte zoon van zijn vaders franschen naam zich, op nederlandsche wyze, eenen vlaamschen vadersnaam, als toenaam maakte.
Tegenover deze uit het Fransch verdietschte namen staan eenige geslachtsnamen, die uit het Nederlandsch half verfranscht zijn. Hooftsakelik hebben deze laatsten hun ontstaan te danken aan de zucht, die dwazelik zoo velen Nederlanders eigen is, om alles wat oorspronkelik nederlandsch is, zoo veel mogelik op eene fransche leest te schoeien, om zoo veel doenlik daaraan een fransch voorkomen te geven. Maar ook enkelen dezer verfranschte namen zijn ontstaan onder de fransche of waalsche bevolking van noordelik Frankrijk, langs de zuid-nederlandsche grenzen, en dit wel uit onverstand van de beteekenis dier oorspronkelik nederlandsche namen, uit onkunde aangaande de spelling die zy eischen. Als zulke uit onkunde, maar toch te goeder trou verfranschte nederlandsche geslachtsnamen, die meest langs de belgisch-fransche grenzen inheemsch zijn: noem ik: Grisar, oorspronkelik Grijsaard (zie bl. 438); Grispoire, oorspronkelik Grijsperre, zie bl. 343; Le Veugle, oorspronkelik De Veugel of De Vogel; Cachitère, oorspronkelik Keersgieter, Kaarsgieter, Kaarsemaker, welke naam ook als Keirsgieter en zelfs als Keerschieter nog in Vlaanderen inheemsch is; Titeca, eene verfransching van den vlaamschen naam Tijdgaat, zie bl. 456; Couquerque, eene verwaalsching van Koukerke, Koudekerke, een geslachtsnaam ontleend aan den plaatsnaam Koudekerke of Koudekerk, die aan twee dorpen eigen is, een op ’t eiland Walcheren en een in Rijnland by Leiden. Verder nog De Santenaire en De Cuelenaire, dat is oorspronkelik De Santenaar (vlaamsch Santenaere) en De Keulenaar, of de man uit de rijnsche steden Xanten en Keulen herkomstig; zie bl. 203. Dan ook De Sadelair en De Sadelaire,in plaats van De Sadelaere, De Sadeleer, de zadelaar of zadelmaker, zie bl. 316; De Vinquelair, in plaats van De Vinkelaar, dat is de vinkler hoogduitsch der Finkler, zoo als in oude tyden een duitsche keizer heette: Heinrich der Finkler, ’t is te zeggen: Hendrik de Vogelaar, zoo als onze geschiedschryvers hem noemen. Verder nog Denève (De Neef, zie bl. 434), Dewez en De Vèze (De Wees, zie bl. 435). Zonderlinge, half waalsche, half dietsche namen, langs de grenzen van ons taalgebied in de zuidelike gewesten inheemsch, zijn nog Le Man (De Man, zie bl. 439), en De Cocq, De Monie en De Leu, halve verdietschingen van de waalsche maagschapsnamen Le Cocq (de haan), Le Monie (dat is Le Monier, Le Meunier, de molenaar), en Le Leu (dat is Le Leup, Le Loup, de wolf.) Zoodat de thans vlaamsche geslachtsnaam De Leu volstrekt niet eene verbastering is van De Leeuw, zooals men misschien wel geneigd ware te meenen, maar van den naam van een gantsch ander dier.
De bekende en geenszins zeldzaam voorkomende vlaamsche geslachtsnaam Van de Woestyne (zie bl. 502) komt langs de vlaamsch-fransche grenzen ook als De la Woestyne en zelfs als Delawoëstine voor. Soortgelyke namen uit die zelfde streken zijn nog De la Houtte (Van den Houtte of Van den Bussche of Van den Bosch), Delbeke, Delberghe, Delbroucke, Deldaele, Deldycke, Delmeire, Delputte, enz., samengetrokken uit De la Beke (Van de Beke of Van der Beek), De le Berghe of Du Berghe (Van den Berg), De la Putte (Van de Putte), enz.
Sommige half-fransche maagschapsnamen zijn slechts in dezen zin verfranscht, dat het oorspronkelike voorzetsel van verwisseld geworden is met het fransche woordje de (niet te verwarren met het nederlandsche lidwoord de). Deze namen kunnen ter nauer nood verfranschingen heeten. Als voorbeelden kunnen hier genoemd worden: De Dwingelo, De Gelder en De Gheldere (Van Gelder, zie bl. 227), De Beerteghem, De Boninghe, De Boesinghe, De Busseghem, De Crombrugghe, De Rommerswaele (zie bl. 237), De Denterghem, De Kerckove, De Volckaersbeke, De Walcheren, De Wingene (zie bl. 521), enz. De zuid-nederlandsche dubbele geslachtsnaam De Schietere de Lophem is al byzonder tweeslachtig van form. Immers is het eerste woordje de het nederlandsche lidwoord, en het tweede is het fransche voorzetsel (van), ’t welk tusschen de twee zuiver-nederlandsche namen Schietere en Lophem eene dwaze vertooning maakt. By sommige zuid-nederlandsche maagschapsnamen is het fransche de (van) zelfs vóór het onvertaald gelatene nederlandsche van gevoegd. Zulke namen zijn dien ten gevolge dubbel onzinnig. De van der Schueren is zulk een dwaze naam. Maar de noord-nederlandsche tegenhangers van dezen zuid-nederlandschen naam, te weten Van Verschuur en Van Verduynen, zijn ook al even onredelik van form. Immers het voorgevoegde ver is eene samentrekking van van der (zie § 95). En dies is Van Verschuur eigenlik Van van der Schuur, en Van Verduynen eigenlik Van van der Duynen, even als De van der Schueren (of De Vanderschueren, zoo als men ook wel dwazelik schrijft) eigenlik Van van der Schueren is. Ook by de byzonder-friesche namen komen zulke onzinnige formen, die aan onkunde hun ontstaan te wyten hebben, eene enkele maal voor; b. v. Van Baarda. Dit is eigenlik Van van Baard (Baard is een dorp in Friesland); zie 241.
Door plaatsing van een fransch uitspraakteeken (accent) op eene in het Nederlandsch toonlooze e, in nederlandsche geslachtsnamen voorkomende, heeft men ook al getracht aan zulke namen een fransch voorkomen te geven. Zoo bestaat er in Vlaanderen de maagschapsnaam Van Quekkeborné, die oorspronkelik natuurlik Van Quekkeborne is. Ook komt deze naam in de onverknoeide formen Van Quikkenborne en Quekkeboorne voor. Dit woord kwekkeborn heeft in het Oud-Dietsch de beteekenis van: levende bron, springbron, fontein (zie bl. 405). Als plaatsnaam, Quickborn, is hy eigen aan eenige dorpen; b. v. aan een dorp by Meldorp in Dithmarschen (Holstein), en aan nog drie andere noord-duitsche dorpen. De nederlandsche geslachtsnaam Quickborner is aan eenen dezer dorpsnamen ontleend.—Verder vinden wy de genoemde wanstaltige verfranschte misforming in de geslachtsnamen De Cupère en De Cuypère (De Cuypere, De Kuiper, zie bl. 308); De Pottère (zóó, op fransche wyze, spreekt men te Emden in Oost-Friesland de daar voorkomende oorspronkelik vlaamsche geslachtsnaam De Pottere [zie bl. 315 en bl. 521] wel, ten onrechte, uit); De Visschère en De Vissère, De Busschère, enz. Dit zijn allen zuid-nederlandsche geslachtsnamen. Maar in Noord-Nederland vindt men deze misselike verknoeiing terug. En omdat het volk in het Noorden met de schrijfwyze der fransche taal minder bekend is als in het Zuiden, zoo heeft men hier de fransche é ook wel afgebeeld door ee en zelfs wel door ée; b. v. in den geslachtsnaam Habecotee; zie bl. 267. Verder in Rogghé (Rogghe, Rogge, zie bl. 408); Schadee (de oorspronkelike form Schade komt ook voor, zie bl. 445); Klijné (Klijne, wanspelling van Kleine, zie bl. 339); Van Dunné, Stracké, nevens Stracke; Rijkée, nevens Ryke; Krythé en Crietee nevens Kryte; De Boevé nevens Boef, Stoové, zelfs Jansé (te Antwerpen), nevens Janse. Zelfs geslachtsnamen die oorspronkelik hoogduitsch zijn, gelijk hunne spelling nog aanwijst, heeft men door een uitspraakteeken op de e getracht te verfranschen; b. v. Büsché, Wehrlé, Bohné, Roehlé, Schüvé, waardoor men ware monsters van onzin verkreeg. De Boevé is oorspronkelik nederlandsch, gelijk de oe, in plaats van den franschen ou, nog aanduidt. Het is eenvoudig De Boeve, een geslachtsnaam die ook als Den Bouf en Boef voorkomt. Dat iemand niet geerne Boef heet en dus pogingen aanwendt om dien leeliken naam te verbloemen, kan ik my voorstellen. Intusschen, de hedendaagsche slechte beteekenis van dit woord ligt geenszins in de geslachtsnamen De Boeve, Den Bouf en Boef opgesloten. Dit woord had oudtijds eene andere, gunstigere beduidenis, even als zoo menig ander woord; b. v. schalk, vroeger knecht beduidende; maarschalk, vroeger peerdeknecht; ons hedendaagsch knecht en het engelsche knight, thans ridder, zijn ook oorspronkelik de zelfde woorden. In Uljée en Baljee zie ik verfranschingen van Ulje en Balje, saamgetrokkene, versletene vadersnamen, oorspronkelik Ullia, Ullinga en Ballia, Ballinga, even als ook het, thans gelukkig weêr verouderde Tanjé eene verfransching was van Tania, Tanninga.—Ullinga of Ulinga is met de geslachtsnamen Uiling, Ulens, Uhlen en Uilsma, een patronymikon van den oud-germaanschen mansvóórnaam Ulo, die als Ule, Uiltje, Ulke, Uilke in Friesland nog in gebruik is. En Ballinga is met † Ballama en † Ballema en Balma, met Ballings, Balsma en het engelsche Balls, een patronymikon van den oud-germaanschen mansvóórnaam Ballo. Het patronymikon Balling, van dezen mansvóórnaam, is nog heden in Friesland, zeer oneigenlik, als mansvóórnaam in gebruik. Van de verkleinformen van dezen naam, van Balke en Baltje, zijn de patronymikale geslachtsnamen Balkema, Ballekens en Baltjes ontleend.
Niet op hare plaats is de é ook in sommige zuiver nederlandsche geslachtsnamen, waar zy die plaats aan onverstand dankt. B. v. in de geslachtsnamen Enschedé, (ook de naam der twentsche stad is Enschede, zonder uitspraaksteeken, en met eene toonlooze e zoowel in de derde als in de tweede lettergreep), Ten Tusschedé (in form verwant aan Enschedé, Enschede), Van Everé (Evere is een plaatske by Brussel), Gréve, Déking, Struyvé, Van Stégeren, enz. Zoo is ook een uitspraaksteeken op de o in de geslachtsnamen Hinlópen en Dólleman geheel verkeerd, overbodig, onzinnig. Immers dit zijn toch zuiver-nederlandsche namen! Maar de ó is geen nederlandsch letterteeken. Soms staat de é ook dwazelik, in plaats van de ee, in goed nederlandsche namen, die, in taalkundig opzicht, die ee moesten vertoonen. B. v. in Damsté en Hofsté (Hofstee, Hofstede en het weêr fout gespelde Ter Hofsteede komen ook voor), in Duyvené, Hulsewé, De Vré, Zélander, die eigenlik als Damstee of Damstede—vergelijk bl. 288, Duyvenee (ee = water, zie bl. 245), Hulsewee, Zeelander (zie bl. 528), De Vree, of De Vrede (zie bl. 371), enz. moesten gespeld worden. In het geheel verfranschte De Vèze, eene verbastering van De Wees (zie bl. 435), is de è verkeerd. En is zy dit ook niet in den geslachtsnaam Vernède (Ver = Van der Nede?)? In enkele verlatynschte geslachtsnamen schrijft men ook wel steeds eene é. In zulke namen, in Sandérus, Kuipéri, Kuipéres, Hollingérus, is die é al evenmin op hare plaats als in de goed nederlandsche.
Uit het Nederlandsch verduitschte, of omgekeerd uit het Hoogduitsch half verdietsche geslachtsnamen komen veel zeldzamer voor als fransche bastaarden. In ’t Hoogduitsch verbasterde en tweeslachtige namen zijn behalven de zulken die slechts een weinig in hunne spelling verhollandscht zijn, als b. v. de bag en baghnamen op bl. 280) vermeld, nog namen als Schluiter, die midden in staat tusschen de hoogduitsche en de nederlandsche formen van dezen veel voorkomenden naam (Schlüter en Sluyter, Sluiter). Verder Grünebosch, Van Lövendael, Seltenrych, Schoemacher en Schumaeker, Gudendag, Schwaanhuyser, Teschemaker, enz.
Strikt genomen komen zulke tweetalige geslachtsnamen niet zoo zeldzaam, voor. Immers de mansvóórnamen, waaraan vele geslachtsnamen ontleend zijn, stammen uit allerlei talen af, en ook de verschillende woorden die de geslachtsnamen samenstellen, zijn geenszins altijd van nederlandschen oorsprong. Zoo bestaan de geslachtsnamen Leefsma uit Hebreeusch (Levi) en Oud-Friesch (sma); Jeremiassen uit Hebreeusch (Jeremias) en Algemeen-Germaansch (sen, son, zoon), zie bl. 81; Fabersma, letterlik zoon van den smid beteekenende, uit Latyn (Faber) en Oud-Friesch (sma); Cohensius uit Hebreeusch en Latyn; Van Wotki uit Nederlandsch en Slavisch; Ynzonides uit Friesch (de mansnaam Ynse) en Grieksch, enz. In Kuipéri en Couperus vindt men zelfs de kenmerken van drie verschillende talen vereenigd. Immers de grondslag dezer namen, het woord kuiper, is Nederlandsch; de uitgangen i en us zijn latynsche formen, en de é en de ou fransche letterteekens. Zulke geslachtsnamen zijn, in taalkundig opzicht, ware wanwoorden.
Eene enkele maal komt het wel voor dat de drager van zulk eenen geslachtsnaam in verouderde spelling, die spelling willekeurig verandert, en aan den ouderwetschen naam eenen nieuerwetschen form geeft—veelal om het gemak voor anderen, of om eene verkeerde uitspraak te voorkomen. Zoo is my een geval bekend geworden van eenen man, die eigentlik Van Keysersweert heette, maar die zynen naam nooit anders noemde en schreef als: Van Keyzerswaard. (Ik had er dan die y ook maar aangegeven en met eene i verwisseld.) Natuurlik heeft zulk eene eigenmachtige verandering, in geijkte betrekking, geenerlei recht van bestaan. Ook is zy, naar myne bescheidene meening, tevens een teeken van wansmaak.
G. Latynsche en grieksche geslachtsnamen.
§ 167. Reeds in de middeleeuen was het de gewoonte by de geleerden om hunne namen te verlatynschen, soms ook te vergriekschen. En deze gewoonte, by alle geletterden en geleerden van het christelike Europa in gebruik, hield niet aleen in de 16de en 17de eeu stand, maar nam, by de hooge vlucht welke de beoefening der oude letteren vooral in die eeuen nam, groote verhoudingen aan, en werd zeer algemeen toegepast. En niet het minst was dit het geval in de Nederlanden, in die eeuen juist de bakermat van zoo vele eigene, de woonplaats van zoo vele vreemde geleerden.
Op verschillende wyzen ging men by die verlatynsching en vergrieksching der eigene nederlandsche namen te werk. Sommigen vertaalden hunne namen geheel en al. Maar anderen hingen slechts eenen latynschen uitgang achter hunne nederlandsche namen, die zy overigens geheel of ten deele onveranderd lieten. Zoo vertaalde b. v. de een, die Kuyper tot toenaam of geslachtsnaam had, of die oorspronkelik zelf een kuiper was of geweest was, en die zich dat woord dus als een naam toe eigende, dien naam met Viëtor, terwijl een ander er eenvoudig Cuperus van maakte. Of de eene man die Bakker heette, verlatynschte dien naam tot Pistorius, of hy vergriekschte hem tot Artopaeus, terwijl de andere zich met een enkel latynsch steertje achter zynen naam vergenoegde, en er Backerus van maakte. Niet altijd was men even gelukkig in het veranderen van de namen; soms vertaalde men die namen, door onverstand, geheel verkeerd. De geleerde Desiderius Erasmus, iemand die zekerlik beter Latyn en Grieksch kende, als zyne moedertaal, althans als de oud-germaansche taalstammen, heette eigenlik Gerrit. En omdat zyn vader ook Gerrit heette, zoo noemde hy zich Gerrit Gerritsz., dat is Gerrit Gerritszoon, of Gerrit, de zoon van Gerrit. De naam Gerrit nu is, zoo als men weet, slechts eene byzonder-hollandsche verknoeiing van den vollen oud-germaanschen, dus ook echt nederlandschen naam Gerhard (Geraert). Het schijnt dat Gerrit Gerritsz. meende dat in dezen naam Geraart het woord geeren, begeeren opgesloten lag. Dies vertaalde hy zynen naam in het Latyn tot Desiderius, en in het Grieksch tot Erasmus, en nam deze dubbele begeerte aan in de plaats van zynen oorspronkeliken dubbelen Gerrit. Eenvoudiger lieden in die dagen, en die minder dan Gerrit Gerritsz. t’huis waren in Grieksch en Latyn, vergenoegden zich met van hunnen hollandschen Gerrit eenen quasi-latynschen Gerhardus te maken. In latere tyden, in de 17de eeu, toen de wansmaak in het verformen der nederduitsche namen hoe langer hoe grooter was geworden, kwam de dwaasheid en ydelheid der menschen, niet het minst ook der geleerden, hoe langer hoe meer, in deze zake, aan het licht. En het waren vooral de 17de eeusche herformde predikanten, in de noordelike Nederlanden, die al hun valsch vernuft uitputten en hunnen wansmaak bewezen, in het verformen, verdraaien, vergriekschen en verlatynschen hunner namen. Zelfs tot in het begin der 18de eeu hield dit dwaze gebruik by die predikanten en ingebeelde geleerden stand. Een eenvoudige Fries, die Oene heette en zich Oene Oenes moest noemen, omdat zijn vader eveneens Oene heette, noemde zich, als herformd predikant te Goinga, in Friesland, in 1712, Onias Oneïdes. Een ander, te Holwert geboren, en Johannes Fokkes geheeten, dat is Johannes, de zoon van Fokke, noemde zich, als hoogleeraar te Franeker in het midden der 17de eeu, Johannes Phocylides ab Holwarda. Marten Eelkes, dat is Marten, de zoon van Eelke, een der eerste herformde predikanten te Leeuwarden, verdraaide zynen naam, nu eens tot Martinus Helius (de zon), dan eens tot Martinus Eliacus (zonnekind), namen die zeker van ydelen eigenwaan niet vry te pleiten zijn. Zekere Ulrik was predikant te Hemelum, een friesch dorp, en noemde zich nu, in zinspeling op den naam zyner standplaats, Ulricus Uranius (hemeling). Zeker ook niet zeer nederig. Het toppunt van onzin bereikte de predikant van het kleine dorpke Huins in Friesland. Hy noemde zich Tullius, Pastor Hunnorum, alsof de ingezetenen van Huins Hunnen waren. Eenvoudiger was Berend Boues, (men vindt zynen naam ook wel deftiger gemaakt als Bernard Bouwo). Hy was eveneens een (West) Fries, en de eerste herformde predikant te Eilsum in Oost-Friesland, en noemde zich, naar dien dorpsnaam, Eilshemius, een naam die nog lange door zyne nakomelingen met eere gedragen is. Zoo deed ook Hendrik, een eenvoudige Drent, van Beilen geboortig, die in het begin der 17de eeu herformd predikant te Bloksyl en later te Franeker zijnde, zich Henricus Beylanus noemde; zie bl. 206.
De oude nederlandsche geleerden waren in den regel zeer goede latinisten. Maar ook zy maakten zich wel eens aan eenen taalkundigen misslag schuldig. Zulk eene fout levert de geslachtsnaam Viëtor op, die in de friesche gewesten van Nederland en Duitschland gelykelik inheemsch is, en reeds een en ander maal in dit werk vermeld werd. Deze naam wijt zijn ontstaan aan éénen onkundige, die een latynsch lexicon uitgaf, of liever zulk een woordeboek uit het Latyn-Hoogduitsch in het Latyn-Nederduitsch omzette. Hy vond daar in de woorden Böttcher en Büttner, en vertaalde die door kuiper. Maar het woord vieo, waar viëtor rechtstreeks van afgeleid is, heeft bepaaldelik de beteekenis van vlechten. Viëtor is dus eigenlik de Vlechter. In anders nog al goede Latynsch-Hoogduitsche Lexica, b. v. die van Freund en van Klotz, vindt men nog dit woord vietor = Böttcher, Büttner, dat is kuiper. Maar in de nieuere woordeboeken staat beter, zoo als het ook zijn moet: mandemaker (dat is iemand die tynen of wilgentwygen tot manden vervlecht).
In vele gevallen zijn die latynsche en verlatynschte namen als vaste toenamen overgegaan op de zonen der mannen die zulke namen het eerst voor zich zelven bedacht en gevoerd hadden. Maar in betrekkelik weinige gevallen zijn zy in lateren tijd tot vaste geslachtsnamen by de nakomelingschap geworden, en tot onzen tijd in stand gebleven. In de noordelike Nederlanden, en wel bepaaldelik onder de Protestantsche bevolking, komen ze hooftsakelik voor—byna uitsluitend. De oorzaak van dit verschijnsel is gelegen in de omstandigheid dat het vooral de predikanten der Herformden waren, in de 16de en 17de eeu, die hunne namen zoo verlatynschten en vergriekschten, en die deze namen aan hunne kinderen nalieten. In der daad weten dan ook vele hedendaagsche Nederlanders, die eenen latynschen of latynsch-formigen, eenen griekschen of grieksch-formigen geslachtsnaam dragen, eenen predikant aan te wyzen als de stamvader van hun geslacht; of liever, als die gene onder hunne voorouders, die het eerst den hedendaagschen maagschapsnaam gevoerd heeft. De Roomsch-Katholyke geesteliken in de zuidelike Nederlanden voerden oudtijds ook wel even zeer zulke verlatynschte en vergriekschte namen, maar zy lieten geen kinderen na die zulken naam verder droegen. Byzonder talrijk zijn heden ten dage die grieksche en latynsche geslachtsnamen niet. Maar toch altijd nog talrijk genoeg om mede by te dragen tot het eigenaardige der nederlandsche geslachtsnamen in het algemeen.
Onder de hedendaagsche latynsche en grieksche maagschapsnamen zijn er van allerlei oorsprong en form. Velen er van zijn reeds op verschillende plaatsen in dit werk, waar het pas gaf, vermeld en verklaard. Naar die plaatsen (§ 22, § 55–57, § 71, § 122 en § 90) kan ik dus nu verwyzen, en my hier grootendeels bepalen tot eene eenvoudige opsomming.
De geslachtsnaam Malcomesius weet ik anders niet te verklaren als door aan te nemen dat het eene verlatynsching zy van een (engelsch?) patronymikon—Malcomes—van den oud-schotschen mansvóórnaam Malcom, eigenlik Malcolm ontleend. Deze naam (Malcomesius) wordt onder anderen nog heden door een herformd predikant gedragen. Men zie over het voorkomen van schotsche namen in de Nederlanden, bl. 535.
Friso en Gruno zijn twee latyn-formige namen, als geslachtsnamen dienst doende. Het kunnen verlatynschingen zijn van twee oud-germaansche mansvóórnamen, of ook kunnen het deze zelfde namen zijn in hunnen eigenen oud-germaanschen form, die van den latynschen niet afwijkt; zie bl. 71 en bl. 20. Het kunnen ook namen zijn, aangenomen als die van de vermeende oude hooftlingen, aanvoerders, stichters, de fabelachtige stamvaders der Friesen en Groningers. In Friesland en Groningerland zijn deze geslachtsnamen dan ook inheemsch.
De geslachtsnamen, samengesteld met de latynsche voorzetsels a en ab, kunnen in zekeren zin ook al tot de latyn-formige namen worden gerekend. Men vindt ze opgenoemd en verklaard in § 90. A Speculo (zie bl. 362) behoort er ook toe.
De zonderlinge, ten deele onzinnige geslachtsnamen Sanctorum, Oculorum, Springorum, Stekelorum en Stikkelorum (zie bl. 462), mogen hier niet onvermeld blyven. En even min sommige geslachtsnamen die in form en spelling van hunnen oorspronkeliken, min of meer zuiveren latynschen form weêr zijn afgeweken, half verdietscht, misformd, versleten. Dat zijn Gualtherie, Odolphie en Hilbrandie (oorspronkelik Gualtheri, Odolphi en Hilbrandi), zie bl. 151; Althuizes, Althuises en Althuzes, verbasteringen van Althusius (zie bl. 555); Kuperus, Kuperes, Couperus en Kupaerus, van Cuperus; Kuipéri, van Cuperi (zie bl. 333); Piestoor van Pistorius; Kuckulus van Cuculus, verlatynsching van Koekoek of Cockuyt (zie bl. 382); en Horjus en Napjus. De laatstgenoemde naam zal wel eene misforming zijn van Nappius, eene eenvoudige verlatynsching van den geslachtsnaam Nap, die nog heden voorkomt, en oudtijds ook de byformen Glazenap en Drogenap had. Maar Horjus, oorspronkelik zeker Horrius, houd ik voor eene verlatynsching van het versletene patronymikon Horje, eigentlik Horria, ’t welk wederom een versleten form is van den vollen oud-frieschen vadersnaam Horringa, die nog, ook in den byform Horrenga, als friesche geslachtsnaam in gebruik is, en die zyne weêrga heeft in Engelland, in de daar voorkomende patronymikale geslachtsnamen Horring en Horrington. De oud-germaansche mansvóórnaam Horro ligt ten grondslag aan deze vadersnamen, even als, door den verkleinform Horreke, Horco, aan den vlaamschen geslachtsnaam Horrekens, en aan de plaatsnamen Horsbüll en Horrstedt, beide dorpen in Noord-Friesland. Verder aan Horrem, dorp by Keulen; Horringhausen, gehucht by Altena in Westfalen; Horrington, in Somersetshire, Engelland, enz.
Sommige maagschapsnamen hebben een latynsch voorkomen, en zijn toch van zuiver nederlandschen oorsprong. Immers ieder die Latyn verstaat, zal, zoo de geslachtsnamen Radix, Aries, Omen, Venus hem onder de oogen komen, terstond denken aan de latynsche woorden radix, wortel; aries, ram; aan omen, voorteeken, en aan den bekenden naam der godin Venus. Maar geheel ten onrechte. Die namen zijn reeds, als goed nederlandsche, verklaard op bl. 37, 138 en 439. En Aries is eenvoudig een patronymikon van den in Holland vooral algemeen-gebruikeliken mansvóórnaam Arie, eene verkorting van Ariaan, dat weer eene verbastering is van den vollen oud-romeinschen naam Hadrianus.
H. Tot besluit.
§ 168. De nederlandsche geslachtsnamen zijn in dit werk in verschillende groepen verdeeld geworden, naar hunnen oorsprong en naar hunne beteekenis, en al deze groepen zijn nader behandeld en verklaard. Men zoude de geslachtsnamen ook nog uit andere oogpunten kunnen beschouen en behandelen. Vermakeliker misschien, maar minder, of in het geheel niet wetenschappelik. By voorbeeld, uit het oogpunt van toevallige overeenkomsten en tegenstellingen tusschen de namen onderling, of ook tusschen de namen en de personen die de namen dragen. In dezer voege, en als eene kleine proeve van zulk eene beschouing der namen, wil ik hier nog enkele namen vermelden, en dan daarmede een einde maken aan dit werk.
Sommige geslachtsnamen staan tegenover elkanderen in eene soms zonderling schynende verhouding van tegenstelling. By voorbeeld: Van Boven en Van Beneden, Van den Begin en Van den Ende, Van den Hemel en Van de Helle, Van Hemelrijk en Van Aertrijck, Uitzinger en Insinger, Onderwater en Bovenwater, Helsloot en Donkersloot, Hameter en Spekmyder, Den Engel en Den Dievel, Zoet en Zuur, Van Aarde met Van den Hemel en Van de Helle, Hooisma en Strooisma, Oostra en Westra, enz. Deze tegenstellingen kunnen louter van toevalligen aard zijn; en ik meen dat dit by de vier eerstgenoemden dezer paren van namen dan ook in der daad het geval is. (Over Van Aertrijck zie men bl. 455). Maar by anderen dezer paren is opzet in het spel geweest. Immers de geslachtsnamen Bovenwater, Uitzinger en Strooisma zijn opzettelik bedacht, geformd, opgesteld om als tegenhangers dienst te doen van de geslachtsnamen Onderwater, Insinger en Hooisma. Deze laatste drie bestonden reeds lange eer de eerste drie voor den dag kwamen. Tamelik ongepaste en zeker weinig geestige scherts heeft, althans naar men my heeft medegedeeld, de namen Bovenwater en Uitzinger in het leven geroepen. Men schepte in den tijd dat iedereen eenen vasten geslachtsnaam moest aanveerden, onder sommige standen der maatschappy er wel eens behagen in, dwaze en ongepaste namen te bedenken, waar mede men ook wel eens een ander wilde ergeren. In dit werk is een en ander maal over deze dwaasgeformde namen gesproken. Wat ook de onmiddellike aanleiding moge geweest zijn van het ontstaan van den naam Onderwater als geslachtsnaam, dit is zeker dat de woorden onder en water, welke dezen naam samenstellen, in hunne gewone beteekenis, die zy in de nederlandsche taal hebben, moeten verstaan worden. Bovenwater is dus de wezenlike, de echte tegenstelling van Onderwater. Maar dit is geenszins het geval met de namen Uitzinger en Insinger. Laatstgenoemde naam toch bestaat niet uit het voorzetsel in en een woord singer, zinger, van het werkwoord zingen ontleend. Integendeel, deze naam is ontleend aan eenen plaatsnaam. Even als b. v. de geslachtsnaam Hamburger ontleend is aan den naam der stad Hamburg, en Ottolander aan dien van het dorp Ottoland (zie bl. 204), zoo is Insinger afgeleid van den naam van het dorp Insingen, het welk in het beiersche gewest Middel-Franken gelegen is, naby de stad Rothenburg aan de Tauber. De geslachtsnaam Uitzinger daarentegen is louter als tegenstelling van Insinger in de wereld gekomen, naar men my heeft verhaald. Intusschen, de naam Uitzinger kan ook nog anders geduid worden. By den arbeid van sommige werklieden, matrozen vooral en heiers, waar velen gesamentlik het zelfde werk verrichten, het hyschen van zeilen, het winden van ’t anker, het heien van palen (eer de stoomhei dat werk overnam), enz. is het noodig dat die arbeid, dat rukken en trekken, gelijkmatig geschiede. Daarom stelt men eenen man daar by, die ’n eentonig maatgezang aanheft, en op die maat volvoeren dan die lieden gelijkmatig hun werk. Dat maatzingen noemt het nederlandsche volk bepaaldelik uitzingen, en de man die het doet, is de uitzinger. En iemand, die gewoonlik met dat uitzingen belast werd, kon al spoedig den toenaam Uitzinger van zyne makkers hebben bekomen. Later kan die by- of toenaam gereedelik in eenen vasten geslachtsnaam overgegaan zijn. Toch is my verzekerd dat niet deze eenvoudige verklaring van den geslachtsnaam Uitzinger de ware is, maar dat deze naam in der daad als een tegenhanger van Insinger ontstaan is.
Ten jare 1811, by de vaststelling der geslachtsnamen, was zeker eenvoudig man, ten platten lande in Friesland, en die tot dien tijd toe geen geslachtsnaam gevoerd had, zoo min als zijn vader en grootvader vóór hem, verlegen welken naam hy zoude aannemen. Zijn buurman droeg den naam van Hooisma, en, meenende in dien naam het nederlandsche woord hooi te hooren, zoo noemde hy zich, als eene tegenstelling, Strooisma. Hooi en stroo toch behooren by elkanderen, zoo goed als hy en zijn buurman. Intusschen, de geslachtsnaam Hooisma heeft met het woord hooi niets te maken. Hy is afgeleid van den oud-frieschen mansvóórnaam Hoie, Hoio, is een patronymikon daar van, en beteekent eenvoudig: (zoon) van Hoio (zie bl. 63). In dezen zynen oorspronkeliken form is die mansvóórnaam Hoie heden ten dae in Friesland, en ook in de saksische gouen, waar hy oudtijds eveneens gebruikelik was, zeldzaam geworden. Maar in de verklein- en byformen Hoike, Hoitse, Hoise en Hoite is hy nog onder de Friesen in volle gebruik. Nevens Hooisma zijn nog de volgende patronymikale geslachtsnamen: Hoynk, Hooying en Hoying, Hooijenga en Hoyenga, Hooysma, verder Hoisingh, Hoitema, Hoytema en Van Hoytema, Hoitinga en Hoitenga, Hooites en Hoites, Hoits en Hoiten, Hoitsma en Hooitsma, Hoitsema, Hoitses, en vele plaatsnamen, van dezen zelfden ouden mansvóórnaam ontleend.—De eenvoudige man die zich dien geslachtsnaam Strooisma uitkoos als de weêrga van Hooisma, sloeg echter, louter luk-raak, toch nog eenen spyker op den kop. Hy kreeg toch nog eenen redeliken naam, daar een zin, eene beteekenis in ligt. Immers Strooisma en is niet zulk een onzinnige naam als b. v. Dwingersma is of Korensma, enz. Strooisma toch kan opgevat worden als slechts in tongval of in spelling te verschillen van den eveneens in Friesland inheemschen geslachtsnaam Stroosma. En dit Stroosma (Strosma ware beter geboekstaafd) is wel degelik een zinvolle naam, wel degelik een goed patronymikon, wel waarlik van eenen mansvóórnaam afgeleid. Te weten van den oud-germaanschen, ook door Förstemann vermelden naam Strodo, Strode, by afslyting Stro. Van dezen zelfden naam is ook het saksische patronymikon Stroïnk, dat nog heden in Twente als geslachtsnaam voorkomt, afgeleid. Als mede de geslachtsnaam Stroma, die oudtijds onder de groningerlandsche Friesen inheemsch was, maar heden ten dage, voor zoo verre my bekend, uitgestorven is. De saksische (twentsche) geslachtsnamen Hoynck en Stroink staan volkomen in de zelfde verhouding tot elkanderen, als de friesche namen Hooisma en Stroosma (Strooisma).
De geslachtsnaam Oostra is door een israëlitisch geslacht in Friesland aangenomen als tegenhanger van den van ouds reeds onder de Friesen voorkomenden geslachtsnaam Westra. Oostra is toevallig een goed friesche form (Eastra nogtans ware zuiverder friesch). En, omdat deze naam naukeurig overeenkomt in beteekenis met den oud-nederlandschen geslachtsnaam Van Oosten, zoo is Oostra zeker een zeer passende naam voor eenen frieschen Israëlyt, wiens voorouders immers uit het Oosten tot ons gekomen zijn.
Eene byzondere overeenkomst tusschen den eenen of anderen geslachtsnaam, en de eene of andere eigenschap van den drager van zulken naam valt ook dikwijls waar te nemen. Zoo was er in myne jeugd te Leeuwarden een wolkammer die Cammenga heette. Zoo is er een houthandelaar te Harlingen die Houtsma heet, en te Arum in Friesland een glazemaker die den naam Glazema draagt, even als een barbier en een schoenmaker te Wageningen, Scheerder en Schomaker geheeten, en een poelier te Amsterdam, die den naam Taling voert. Zoo werd voor eenige jaren (en misschien nog wel) het penningmeesters-ambt van zeker genootschap te Gent (my is ontgaan welke vereeniging het was) waargenomen door iemand die Mettepenningen (zie bl. 432) heette. En zoo draagt de hoofdbestierder van het antwerpsche nieusblad Le Précurseur den naam van Goemaere, dat is: goede tyding (zie bl. 446). Zeker een allerbeste naam voor eenen man die zulk eene betrekking vervult. Zie ook § 111. Zulke overeenkomsten zijn er velen op te merken in steden en dorpen, overal in de Nederlanden. Ook komen byzondere overeenkomsten voor tusschen de geslachtsnamen en de woonplaatsen van lieden welke die namen dragen. Een boer wonende aan de Abbegaster-rige, een gehucht by het dorp Abbega in Friesland, heet Riegstra; een andere, wonende op de Wonser-weren, een gehucht by het friesche dorp Wons, heet Weerstra. En nog een ander, die woont op de Bult, by Bellingawolde in Groningerland, draagt den geslachtsnaam Bultena, terwijl Kloosterboer de naam is van den boer die ter plaatse woont waar in de middeleeuen het klooster stond der Norbertyners, te Heiligerlee; zie bl. 125. En dat de boer die in den Scheurpolder woont, aan dien arm van de Maas, welke het Scheur heet, na by den Hoek van Holland, den geslachtsnaam draagt van Scheurwater, zal ook wel geen louter toeval zijn.
Trouens, opset is by deze overeenkomsten even dikwijls in het spel als toeval. Menigeen toch koos zich in 1811 eenen geslachtsnaam, die eene toespeling bevatte op het bedrijf dat hy uitoefende, of op de plaats waar hy woonde, gelijk herhaalde malen in dit werk, op verschillende plaatsen is aangetoond. En daar heden ten dage nog menig man de zelfde betrekking in de maatschappy vervult als zijn grootvader in het begin dezer eeu reeds deed, en eveneens nog menig kleinzoon heden ten dage op de zelfde plaats, in het zelfde huis woont als zijn voorvader reeds vóór hem, zoo vallen die overeenkomsten tusschen namen en persoonlike byzonderheden, vroeger opsettelik gemaakt, ook nog heden op te merken.