Note 23 — IV. Geslachtsnamen volgens hunne aardrijkskundige verdeeling. (continued 2)
Reading edition
Ofschoon de zuidelike Nederlanden onmiddellik aan het Walenland grenzen, en ofschoon Brabanders, Limburgers en Vlamingen reeds sedert eeuen met Luiker-, Namer- en Henegouer-Walen in het zelfde staatkundige verband leven, zoo heeft eene vermenging van beide volkstammen toch slechts in zeer beperkte verhouding plaats gevonden. De eigene volksaard der Walen, zoo geheel verschillende met dien der germaansche Nederlanders, zoowel als hunne byzondere romaansche volkstaal, die met de onze in geenerlei verband staat, was steeds een beletsel tot innige toenadering. Dien ten gevolge komen er onder ons dan ook slechts betrekkelik weinig byzonder-waalsche geslachtsnamen voor. Natuurliker wyze overtreffen zy echter in de zuid-nederlandsche gewesten, wat hun getal aangaat, verre die welke in het Noorden voorkomen. In de noordelike gewesten hebben zich slechts weinig Walen blyvend neêrgezet. Dat waren dan meest fabrikanten en verkoopers van stroo-hoeden (uit de waalsche plaatsen in het uiterste Zuiden van belgisch Limburg en uit Luik), van regen- en zonneschermen, van wandelstokken, van allerlei wapentuich, weêrglazen (thermometers en barometers), enz.; zie ook bl. 195. Vele Walen dragen geslachtsnamen die weinig of niet van zuiver-fransche namen onderscheiden zijn. Deze namen zijn voor den Noord-Nederlander althans moeielik van de fransche namen te onderkennen, en er zullen onder de talryke fransche namen die in Limburg, Brabant en Vlaanderen voorkomen, ongetwyfeld velen zijn, die, hoewel van waalschen oorsprong, toch als zoodanig niet herkend worden. Zie hier eenige waalsche geslachtsnamen, meest in Holland en Vlaanderen verzameld: Batkin, Clasquin, Cocural,23 enz. Onder deze namen zijn die welke op in uitgaan, nog al merkweerdig. Het zijn namelik, wat hunnen alleroudsten oorsprong aangaat, geenszins waalsche (romaansche), maar nederlandsche (germaansche), en wel meest vlaamsche en brabantsche namen. In Raeskin, Pirkin, Clasquin, vinden wy niets anders als verwaalschingen van de oud-nederlandsche namen Raeskyn, Pierkyn, Claeskyn, dat zijn oude verkleinformen, overeenkomende met de latere formen Raesken, Pierken en Claesken, van de mansvóórnamen Raas, Pier (Pieter, Petrus) en Klaas (Nicolaas). Zoo ook zijn Batkin, Taskin, Scailquin afgeleid van de oud-nederlandsche mansvóórnamen Bate, Tasse en Skale of Schale, namen die heden ten dage in Nederland wel niet meer in gebruik zijn, maar die toch nog aangetoond kunnen worden. Aan de patronymikale geslachtsnamen Batens (te Rouveen), Baetens (te Brussel), Baaten (te Haarlem), verder aan Baetings, Baethen en Baats, aan de friesche geslachtsnamen Bates, Batema en Batma, aan ’t engelsche Bateson, en aan menigen plaatsnaam—dan aan Tasma, misschien ook aan Tasman, liggen de mansnamen Bate en Tasse mede ten grondslag. Aangaande den mansvóórnaam Skale of Schale, zie men bl. 73. Ook in de vlaamsche en brabantsche gewesten komen nog wel oude, aan de ingezetene germaansche bevolking eigene geslachtsnamen voor, die dezen oud-nederlandschen verkleinform op yn vertoonen; b. v. Wilkyn, dat is Wilken, Wilke, de kleine Wille, de zelfde mansvóórnaam die ook ten grondslag ligt aan de geslachtsnamen Wilkens, Wilkes, Wilken, aan het friesche Wilkama, aan ’t engelsche Wilkins en Wilkenson (allen patronymika), en aan den samengestelden geslachtsnaam Wilkeshuis. Zie ook Tilkin, kleengedaante van Tillo, Tyl, op bl. 142.