Note 46 — III. Geslachtsnamen van allerlei oorsprong. (continued 2)
Reading edition
Dat het dragen van zulke toenamen en geslachtsnamen, aan huisteekens ontleend, en allerlei gereedschap en huisraad noemende, reeds van oude dagteekening is, bewyzen ons, onder vele anderen, de namen van den beroemden en vromen Thomas à Kempis, zoogenoemd naar zyne geboorteplaats Kempen, maar wiens geslachtsnaam eigenlik Hamerken was. Hy leefde in de 15de eeu. Verder Adam Potken, die in 1496 leeraar was in de grieksche taal, te Xanten. De namen dezer inwoners van nederrijnsche stadjes mogen ons zeer wel als voorbeelden dienen. Immers werd die landstreek in de middeleeuen te recht tot Nederland gerekend—en dragen de geslachtsnamen, aldaar inheemsch, nog heden ten duidelikste de nederlandsche kenmerken (zie § 159), gelijk trouens de namen Potken en Hamerken die ook vertoonen. Maar om tot de eigenlike Nederlanden ons te bepalen, zoo vinden wy in den jare 1357 reeds eenen Roger de Hamere te Ingelmunster in West-Vlaanderen. En de naam van Breydel werd reeds in de 13de eeu door een geslacht van brugsche poorters dragen, zekerlik ontleend aan een huis, misschien eene boerenafspanning, waar »De Breydel” uithing, en die misschien stond in de straat die nog heden, te Brugge, de Breydelstraat heet, en die niet naar het geslacht Breydel zoo genoemd is. Wat de vijftiende- en zestiende-eeusche Noord-Nederlanders aangaat, dezen droegen toen ten tyde, zoo zy hunne toenamen ontleenden aan de namen hunner huisteekens, die toenamen nog voluit, met de voorzetsels en lidwoorden er by, en daar door duidelik hunnen oorsprong aanwyzende. Op bl. 360 zijn daarvan reeds eenige voorbeelden genoemd. Zie hier nog eenige dergelyke namen van amsterdamsche ingezetenen uit de 15de en 16de eeu: »Claes Dirksz. in de drie Koningen,” »Jacob Cornelisz. in Sint-Andries,” »Claes in de Gulde Hant,” »Pieter Dirkszoon in ’t Vlasvat,” »Willem Lubbertsz. in den Helm,”46 »Pieter Laurens in den Haen,” »Simon Dirksz. uyt die Poort,” »Arend van den Anxter.”47