Note 7 — II. Geslachtsnamen, van aardrijkskundigen oorsprong. (continued 2)
Reading edition
Abcouwer (van Abcoude, voluit Abekenwoude, maar in volksuitspraak Apkou—dorp by Amsterdam); Alphenaar (van Alfen, dorp in Rijnland, of ook in Noord-Brabant); Berkouwer (van Berkou, zoo als de volksuitspraak is van Berkwoude, een dorp in Zuid-Holland); Blesker (een friesche form; van De Blesse, een dorp in Friesland op de overijsselsche grens); Brusselaar, Brusselaere en zelfs Bruysselaere, met de patronymika Brusselaers, Brusseleers en Brusseleirs (van de stad Brussel); Dordregter en Dortsman; Hagenaar (een inwoner van ’s Gravenhage); Huyser en Huizer (van Huizen, het gooische dorp, of van Huyssen, het geldersche stadje); De Hulster, D’ Hulster en Den Hulster, misschien ook De Hilster (van de stad Hulst in Vlaanderen); Yperman (van de stad Iperen in Vlaanderen); Kuindersman (van het vlek de Kuinder in Overijssel); Grolman (van Groenlo of Grol in Gelderland); Lekkerkerker (van het dorp Lekkerkerk in Zuid-Holland); Lemmersman (van het vlek de Lemmer in Friesland); Lommelaar (van het dorp Lommel in Belgisch-Limburg); Mechelaire (van de stad Mechelen in Brabant); Meppelder (van de stad Meppel, in de wandeling Meppelt genoemd, in Drente); Oostwouder (van het dorp Oostwoude in Noord-Holland); Ottolander (van het dorp Ottoland in Zuid-Holland); Pekelder (van het vlek de Pekel-A in Groningerland, in de wandeling enkel de Pekel genoemd); Schager (van het vlek Schagen in West-Friesland); Toolenaar (van de stad ter Tolen in Zeeland), enz.