Note 63 — II. Geslachtsnamen, van aardrijkskundigen oorsprong. (continued 2)
Reading edition
Brugman, Bruggeman, Brugmans en Bruggemans, Daalman, Dijkman en Dijkmans, Duinman, Geestman en Gastmans. Geest en gast zijn benamingen van hooge zandgronden, in tegenstelling met marsch, maarsch, meersch, dat lage kleigrond, aan zee of rivier gelegen, beteekent; vandaar Marschman, Maarsman, Meerseman, Mersmans, De Meersseman (echter kan Marsman enz. ook marskramer beteekenen). Verder Heideman, Heuvelman en Heuvelmans, Kolkman, Moerman, Moorman (zie bl. 197 en 198), Poelman, Plasman, Poortman, Slootmans, Polderman, Sluisman en Zijlman met Zijlmans (sluis en zijl is het zelfde; zie bl. 248), Straatman en Stegeman, Veldman met Veltman, Feldman en Feltman, Veenman en Veenemans, Wegman, Weideman en Weydeman (Weiman en Weyman kan hiervan eene samentrekking zijn, maar ook evenzeer jager beteekenen; zie bl. 298), Woldman en Woltman (in onze saksische gouspraken staat wold voor ’t algemeen-nederlandsche woud = bosch), Sandman, enz.