Note 61 — II. Geslachtsnamen, van aardrijkskundigen oorsprong. (continued 2)
Reading edition
Met kuil: Van der Kuylen en Verkuilen, Koelstra, Ter Kuile, en half-hoogduitsch Ter Kuhlen; verder Leeuwenkuyl, Steenkuyl, Wolfskuyl, Voskuyl en Voskuil. De laatstgenoemde naam is geenszins zeldzaam, en aan verschillende geslachten eigen. Ook als Voskuilen komt hy voor. Hy is ongetwyfeld aan een wezenlik vossehol ontleend, even als de maagschapsnaam Wolfskuyl aan een wolvehol. Maar om het ontstaan van den geslachtsnaam Leeuwenkuyl te verklaren, heeft men aan eenen oneigenliken oorsprong van dezen naam te denken. En wel aan eenen huisnaam, aan eenen gevelsteen, die »Daniël in den leeuwenkuil” voorstelde. De huisnaam is dan hier op den bewoner van het huis overgegaan, gelijk oudtijds geenszins zeldzaam geschiedde. Zie § 128 en vervolgens. Reeds in 1578 was er te Amsterdam een huis, »de kuil der Leeuwen” geheeten; de bewoner van dat huis werd genoemd Simon Pietersz. in den kuyl der Leeuwen61. Over sommige namen, die met coul, een andere form van het woord kuil zijn samengesteld, zie men bl. 256.