Note 48 — II. Geslachtsnamen, van aardrijkskundigen oorsprong. (continued 2)
Reading edition
Angenroen (ang [d]en ro-en, aan den roden, aan de rode, zie bl. 248 en 258), Ingenbleek (ing [d]en bleek), Ingebos, Ingendael, Ingenhaag, Ingenhols (hols, holts, holtz, holt, hout), Ingenhoof, Ingenhorst, Ingenlath, Ingenegeren, Ingenohl, Ingeveld, Opgenhaaffe (zie § 104).