Note 5 — III. Geslachtsnamen van allerlei oorsprong.
Reading edition
§ 113. Aan het bedrijf der handwerkslieden die voor onze kleeding zorgen, zijn de volgende namen ontleend: Kleermaker, De Kleermaeker, De Cleermaeker, Kleersnyder, Snyder, Snyders en Snieder met Snieders; ook de hoogduitsche Schneider is niet zeldzaam. De fransche Tailleur komt ook voor, zoo wel als de engelsche Taylor. Waarschijnlik was de geslachtsnaam Teyler, in de vorige eeu te Haarlem voorkomende, wel eene halve verdietsching van Taylor. De geslachtsnamen De Naeyer, De Nayer, De Naeyere, Den Naeyer, enz. die meest in de vlaamsche gewesten inheemsch zijn, beteekenen ook kleêrmaker. Men vergelyke ook den geslachtsnaam Neyrinckx, op bl. 76 besproken. Kiliaan heeft nog »naeyer == sartor.” Een andere in Vlaanderen inheemsche geslachtsnaam, en die eveneens kleêrmaker beduidt, is De Schepper, De Scheppere. In oude vlaamsche geschriften komt het woord »schepper” in dezen zin nog voor; men zie Edw. Gailliard’s Glossaire flamand, op het woord »scepper == tailleur”. Ook als geslachtsnaam is dit woord reeds van oude dagteekening; Martin die Sceppere was in 1286 schepen van de vlaamsche stad Damme (zie Annales du comité flamand de France. Duinkerke, 1853, bl. 224). In de friesche en saksische gewesten van Nederland en Duitschland had men oudtijds nog eene andere benaming voor den kleêrmaker. Men noemde hem skrodare, schroder, schröder, schreuder, schrader. Nog heden is het woord skroar, uit het oude skrodare saamgetrokken, in Friesland in volle gebruik om den kleêrmaker zoo wel als zyne vrouelike kunstgenoote, de naaister, aan te duiden. Hier en daar in de saksische gewesten wordt de kleêrmaker ook nog wel schreur, schrör genoemd. Skrodar, skroar, schröder, schreur beteekent letterlik: snyder. Het oud-friesche werkwoord skroda, oud-vlaamsch schrooden, thans schrooien, is snyden, afsnyden. Den franschen koning Filips die een geldsnoeier was, noemen de oud-vlaamsche geschiedschryvers Filips de munteschroodere of munteschrooier.5 Talrijk zijn de nederlandsche geslachtsnamen, die hunnen oorsprong aan dat oude skrodan, schrooden ontleenen; b. v. Schreuder, dat zeer veel voorkomt, Schreur, Schrader, Schroor, als oneigenlike vadersnaam Schreuders en Schreurs, zoo mede het hoogduitschformige Schröder of Schroeder. De samengestelde naam Kampschreur beteekent: dorpskleêrmaker. »Kamp” (de Kempen, la Campine, la Campagne, Champagne) of »het veld” in tegenstelling van »de stad.” Tot besluit van al deze kleêrmakersnamen, dient hier nog de latynsche form Sartorius (van sartor), die ook als nederlandsche geslachtsnaam voorkomt, vermeld te worden.