Note 3 — III. Geslachtsnamen van allerlei oorsprong.
Reading edition
Nu mogen de steenarbeiders volgen: Steenhouwer, Metselaar, Metzlar, Smetsers (des metsers [metselaars] zoon), en Muirker (zie § 153); ook Opperman en Kalkman. En dan nog de namen van die handwerkslui welke almede by den huisbou te pas komen: Dekker, Decker, De Decker, De Dekkere, Den Dekker, met de patronymikale formen Dekkers en Deckers en den samengestelden form Laeyendecker, en met Leydekkers als patronymikon. Mogelik behoort de geslachtsnaam Quadekker (de kwade dekker?) ook tot deze dekker-namen. Dan nog Verwer en De Verwer in algemeen-nederlandschen, en Varwer met De Varver in gouspraaksform. Ook behooren hier toe de maagschapsnamen Glazemaker met Glaser (dat zekerlik wel van hoogduitschen oorsprong is), en Glaasker met Glasker, zoo als men in onze noordoostelikste gewesten den glazemaker noemt. Zekeren Sybren Glaesker vinden wy reeds in den jare 1511 als burger der stede Dokkum.3