XXV. EEN HUISELIJK TAFEREEL.
Reading edition
De haat is een slechte raadgever. De hertog de Penaflor had, door zich te laten leiden door den haat dien hij Montbars toedroeg, een grooten misslag begaan. Als hij het meer onverhoeds was binnengeloopen en dadelijk met alle kracht een aanval op de vrijbuiters had gedaan, dan was er geen twijfel aan geweest of deze zouden door zijne plotselinge verschijning aan het hoofd van zulk een geduchte overmacht, geheel ontmoedigd zijn geworden. Dan zou hij hen zeker overwonnen en genoodzaakt hebben, zoo al niet om de wapenen neer te leggen, dan toch stellig om afstand te doen van den buit en de slaven, die zij bij deze expeditie hadden overmeesterd, en tevens hen zoo gekortwiekt hebben, dat zij voor langen tijd er niet aan zouden durven denken hunne stoutmoedige overvallen op de Spaansche koloniën te wagen. Maar bij den hertog de Penaflor had zijn persoonlijke haat de overhand op zijn plichtsgevoel, en toen hij de vrijbuiters geen andere keuze liet dan tusschen de smadelijkste oneer of den dood, wekte hij bij hen de vroegere energie weder op, en bezielde hen met het vaste besluit tot den laatsten man te strijden, en tevens met de hoop van door moed en standvastigheid een nederlaag te voorkomen, en aan hem te ontkomen.
Olivier Oexmelin, zelf een vrijbuiter en chirurgijn aan boord van een hunner schepen, heeft een zeer omstandig relaas geschreven van deze expeditie, die natuurlijk ook door hem is bijgewoond; aan dit verslag ontleenen wij al de bijzonderheden over de maatregelen door Montbars genomen, om met eer en glorie te geraken uit den hachelijken toestand waarin hij zich thans bevond.
Meer dan ooit toonde de vermaarde vrijbuiter bij deze gelegenheid hoezeer hij op de hoogte was van zijn taak, en hoe onuitputtelijk in het bedenken van krijgslisten. Ook hij liet zich leiden door haat, dit moeten wij toegeven, maar hij liet zich door dien haat niet zoozeer verblinden dat hij daardoor zijn plicht als bevelhebber uit het oog verloor; wel was zijn grootste begeerte om een schitterende weerwraak te nemen op den man die hem nu reeds sinds tal van jaren onverbiddelijk vervolgde, maar niet minder sterk was zijn streven om al de lieden te redden die zich aan hem en zijn goed fortuin hadden toevertrouwd.
Naar beide deze drijfveeren regelde hij zijne handelingen en toen hij al de kracht zijner overreding had aangewend om den terneer geslagen moed van zijne kameraden weer op te wekken, toonde hij zichzelf een voorbeeld van energie en wilskracht, in het overwinnen van de grootste hinderpalen. List moest het scherpste wapen zijn dat hem de zege op de Spanjaarden deed behalen en dat wapen zou ook nu weer door hem aangewend worden.
Een zijner eerste maatregelen bestond hierin dat hij voorzorgen nam tegen een mogelijk en zelfs zeer waarschijnlijk oproer der gevangenen, een oproer waardoor zijne positie genoegzaam hopeloos zou worden. De Spaansche gevangenen en ook de uit Gibraltar medegevoerde gijzelaars werden op zijn last zwaar geboeid, en bij hen eene sterke wacht geplaatst met de strengste orders tot hunne bewaking. Vervolgens koos hij uit de grootste schepen dat wat hem toescheen het oudste en minst zeewaardige te zijn, en besloot dit in een brander te veranderen. Er werden dus aan boord van dit vaartuig alle mogelijke brandbare stoffen gebracht, zooals pek, teer, zwavel, benevens zooveel kruit als men missen kon; tevens liet hij bommen maken van pek en zwavel, gedrenkt in teer, die geschikt moesten zijn om als granaten geworpen te worden, en verder nam hij allerlei beschikkingen om de goede uitwerking van die vreeselijke vernielingsmiddelen te verzekeren. De buitenhuid van dien brander werd aan den binnenkant zooveel mogelijk uitgehakt, om op het gegeven oogenblik des te gemakkelijker uit elkaar te springen. Nog werden op zijn bevel op het dek ruw gehouwen houten blokken vastgezet omkleed door matrozenplunje, breedgerande hoeden met wapens en vaandels, zoodat men uit de verte gezien, meende dat het werkelijk soldaten waren, die fier en onbeweeglijk het oogenblik afwachtten om den vijand met alle macht te lijf te gaan.
Aan weerszijden werden talrijke schietgaten geboord, waardoor geronde en geverfde balken werden gestoken, die het aanzien van kanonnen hadden, en de Fransche vlag in top geheschen; in één woord er werd door Montbars, die dit zoozeer verstond, geen mogelijke list verzuimd om de ware bestemming van het schip, als brander, te bemantelen, en het geheel en al het voorkomen te geven van een goed uitgerust en sterk bemand en bewapend Fransch oorlogschip. Dit soort van helsche machine werd in de voorhoede geplaatst. De overige schepen van het eskader hielden zich op korten afstand meer achterwaarts.
In het midden van het konvooi waren in eenzelfde vaartuig al de mannelijke gevangenen opeengehoopt; de vrouwen, de kinderen, het goud, de juweelen en verdere kostbaarheden, in één woord het kostbaarste van den buit bevond zich op een schip, dat onder bevel stond van Luiwammes, die order had zich eerder in de lucht te laten springen dan zich over te geven.
Toen al die schikkingen waren getroffen, begaven de vrijbuiters zich aan wal, en gingen in behoorlijke orde naar de kerk waar zij met vrome aandacht de mis bijwoonden, daarna scheepten zij zich wederom in zonder de minste baldadigheid in de stad te plegen. Ondanks zichzelven gevoelden de bewoners zich getroffen door de sombere maar vastberadene trekken der vrijbuiters; zij begrepen dat die lieden gereed waren tot het uiterste toe vol te houden, en met huivering en angst dachten zij aan de gevolgen van den ontzettenden strijd, die zou aanvangen tusschen het eskader der vrijbuiters en de vloot der Spanjaarden.
Tegen ongeveer vier uur in den namiddag waren al de equipages weer aan boord. Montbars was niet van plan onder zeil te gaan eer de nacht volkomen gevallen was; hij berekende dat bij duisteren nacht, zonder maneschijn, de meeste kans zou bestaan om onbemerkt het kanaal te naderen.
Montbars had zes dagen voor zijne toebereidselen noodig gehad, doch ondanks hunne onbeschaamde opeisching en bedreiging, waren de Spanjaarden het meer niet binnengeloopen, en duidde niets aan dat zij gevolg zouden geven aan die bedreiging en aan hun voornemen om de vrijbuiters te Maracaïbo te komen opzoeken. Montbars ging naar zijne kajuit, na zich door middel van zijn verrekijker te hebben verzekerd dat alles op het eskader gereed was, en de gezagvoerders slechts wachtten op het sein van den admiraal, om dadelijk onder zeil te gaan.
Na eenigen tijd werd de deur van de kajuit geopend, en twee personen, donna Clara en Francoeur, traden binnen. Montbars groette hen met de hand, wenkte hen om plaats te nemen en zei:—Gij moet het mij ten goede houden dat ik u verzocht heb beiden hier te komen, doch ik verlang er zeer naar om u zonder verwijl te spreken.
—Tot uwe orders, Admiraal,—antwoordde de jonge man en boog.
—Ik wacht uwe nadere verklaring, mijnheer,—sprak donna Clara met zachte stem.
Montbars zweeg eenige oogenblikken met gebogen hoofd en gefronste wenkbrauwen; langzamerhand echter helderde zijn gelaat op; hij hief het gelaat omhoog en sprak met diepe en ingehouden stem waarin de laatste weergalm klonk van eene met moeite bedwongene ontroering.
—Ik heb u beiden eene opheldering te geven, die inzonderheid jou betreft, don Gusman.
—Admiraal, die naam is de mijne niet meer,—merkte de jonge man haastig aan, doch dadelijk daarop legde donna Clara hare hand op zijn schouder en voegde hem toe:—Laat nu den Admiraal spreken zonder dat gij hem in de rede valt.
Verwonderd zag de jonge man haar aan, maar hij werd op haar gelaat zulk eene goedhartige en smeekende uitdrukking gewaar dat hij boog ten teeken van instemming.
—Het beslissende oogenblik, sinds zoo vele jaren door mij verbeid, is eindelijk aangebroken,—verklaarde Montbars.—Naar ik hoop zal ik morgen bij zonsopgang voor de laatste maal van aangezicht tot aangezicht tegenover den onverbiddelijken vijand staan, wiens haat mij gedurende mijn gansche leven heeft vervolgd. God, wiens oordeel onfeilbaar is, zal tusschen den hertog de Penaflor en mij vonnissen.
—De hertog de Penaflor!—kreet donna Clara, en wrong verschrikt de handen.
—De hertog de Penaflor!—mompelde de jonge man verbaasd.
—Ja, wist gij dit niet?—hernam Montbars op bitteren toon.—De hertog de Penaflor, de Onder-Koning van Nieuw-Spanje, is in eigen persoon aanwezig op de vijandelijke vloot, daar hij, gedreven door zijn verregaanden haat, getuige wil zijn van den doodstrijd van zijn vijand! Doch laat dit zijn zooals het is, en spreken wij liever over jou, don Gusman. Ik verlang niet van je dat gij tegen uw zin deel zult nemen aan den strijd zonder genade tegen den man, die in uw jeugd voor je heeft gezorgd, en wien het uw plicht is, tot het tegendeel mocht bewezen worden, te beschouwen als uw weldoener; ik wil evenmin uw geweten geweld aan doen,—liet hij er op volgen met eene uitdrukking van wreeden spot, die zijne toehoorders deed huiveren.—Gij behoudt dus uwe vrijheid onzijdig te blijven in het aanstaande gevecht, zoo,—voegde hij er bij,—uwe gevoelens je nopen daaraan geen deel te nemen.
—Maar Admiraal!—viel hij uit.
—Stil!—hernam Montbars haastig,—ik ben nog niet aan het eind.
—Mijn God!—mompelde donna Clara,—wat wilt gij dan nog meer zeggen.
—Alles mevrouw!—verklaarde hij met snijdende stem,—want eindelijk heeft het uur geslagen waarin alles moet worden opgehelderd; het uur waarop de waarheid aan het licht moet komen; het uur waarop deze jongman rechter moet zijn in zijne eigene zaak, en uitspraak doen tusschen zijn vader en zijn weldoener!
—Mijn vader?—herhaalde de jonge man een en al verbazing.—Hebt gij daar niet gezegd, mijn vader?
—Ja, don Gusman, want alles bewijst mij dat gij mijn zoon zijt. De papieren door den stervenden don Fernando d’Avila aan Philippe d’Ogeron ter hand gesteld, laten in deze zaak niet den minsten twijfel meer over.
—Admiraal! Ik begrijp er niets meer van, ik geloof dat ik nog gek word! Gij, mijn vader?!
Bij die woorden haalde Montbars een portefeuille uit zijn zak, deed die open en nam er een door den tijd geel geworden papier uit, dat hij ontvouwde.
—Ziehier wat dit geschrift inhield. Luistert.
En hij las met eene stem, bevende door toorn en misschien ook wel door smart:
„Señor Conde!
„Gij zijt niet met mijne dochter gehuwd; ik heb u misleid door een onwettig huwelijk. Nimmer zult gij haar terugzien. Zij is voor u dood. Sedert een aantal jaren bestaat er een onverzoenlijke haat tusschen uwe familie en de mijne. Ik zou u niet opgezocht hebben, maar God heeft u op mijn weg gevoerd. Toen heb ik begrepen dat het Zijn wil is, dat ik wraak op u zou nemen. Ik heb gehoorzaamd. Ik geloof er in geslaagd te zijn uw hart voor altijd te breken. De liefde, die gij voor mijne dochter gevoelt, is innig en oprecht. Des te beter, want des te heviger zult gij lijden. En hiermede genoeg, mijnheer. Eén raad nog: tracht er niet naar mij weer te ontmoeten; want dan, daar kunt gij zeker van zijn, zal mijne wraak nog feller op u neerkomen. Binnen eene maand trouwt mijne dochter met hem door wien zij bemind wordt, en die zij altijd en uitsluitend heeft liefgehad.
„Don Estevan de Sylva, hertog de Penaflor.”
—O! Dat is afschuwelijk!—jammerde de jonge man, die zijn gelaat in de handen verborg.
—Toch is het nog niet alles,—vervolgde Montbars terwijl hij koel het papier weer toevouwde en in zijne portefeuille wegborg.—Ik vervolgde den hertog maanden achtereen dwars door Spanje en Italië, en kwam bijna gelijktijdig met hem weer in Frankrijk, waar ik hem eindelijk achterhaalde in een armzalig dorp dicht bij Parijs. Toen eischte ik van hem mijne vrouw op, want zijne dochter was mijne vrouw; onze wederzijdsche liefde had al de ingewikkelde berekeningen van zijn haat en zijne wraakzucht doen falen. Een maand vroeger had zijne dochter het leven geschonken aan een kind, dat de hertog dadelijk aan haar had ontrukt nog eer zij gelegenheid had aan dat onschuldige wicht den eersten kus te geven.
—Heb medelijden! In ’s hemels naam, heb medelijden met mij. Ben ik dan nog niet genoeg gestraft?—smeekte donna Clara, en viel snikkend op de knieën voor Montbars.
Een oogenblik zag hij haar aan met zonderlingen blik; toen boog hij zich tot haar neer, kuste haar teeder op het voorhoofd, en hief haar behoedzaam op.—De smart heiligt, en gij, arme vrouw, hebt zwaar en veel geleden. Ik schenk u vergiffenis!—betuigde hij hoogst ontroerd.
—Moeder! O! Zij is mijne moeder! Reeds lang heeft mijn hart mij dit voorspeld!—juichte de jonge man in vervoering, en wierp zich in de armen van donna Clara.—Goddank! Ik heb mijne moeder gevonden!
—Mijn zoon! O! Eindelijk, eindelijk!—riep donna Clara, en knelde hem tegen haar boezem.
Hunne kussen en hunne tranen smolten als ineen.
—Helaas!—mompelde Montbars.—Dit is sinds jaren het eerste oogenblik van vreugde dat de hemel mij toebedeelt.—Hij liet het hoofd op de borst zinken.—Zal ik er in slagen het geluk van die beide zoo innig door mij geliefde wezens te verzekeren?
Op eens rukte donna Clara zich van haar zoon, wees hem op Montbars, die hem glimlachende aanzag, en vroeg:
—En hij?
—Mijn vader! Ja, ja! Ik heb hem lief. Mijn vader!!
Allen hielden elkaar omvat in één en dezelfde omarming. Zóó gingen eenige minuten voorbij; alles om hen heen scheen in het niet verzonken; het geluk van zulk eene onverwachte hereeniging had ieders gemoed overweldigd. Montbars was de eerste die met hevige wilskracht er in slaagde zich zelf meester te worden en zijn gewone kalmte te herkrijgen.
—Thans …—zei hij.
—O! Vader, nu geen woord meer daarover,—viel de jonge man met opgewondenheid in.—Ik heb nu eene moeder, die ik aanbid, een vader, dien ik liefheb en hoogacht! Blijft mij thans iets meer te wenschen over? Wat behoef ik nog meer te vernemen? Immers niets! En wat den hertog de Penaflor aangaat, hem, den beul van mijn vader, den tiran van mijne moeder, den kwelgeest van mijn jeugd, hem beschouw ik als een monster, dat ik niet meer wil erkennen; hij behoort niet meer tot mijne familie!
—Goed zoo, mijn zoon!—verklaarde Montbars met vreugde.
—Mijn zoon,—sprak donna Clara, en lei daarbij hare beide handen op zijne schouders, terwijl zij hem aanzag met eene onbeschrijfelijk smeekende uitdrukking,—dat monster is mijn vader! Zoo somwijlen God gedoogt dat ouders hunne kinderen vervloeken, toch blijft Zijn gebod dat kinderen hunne ouders zullen eeren!
—Moeder,—gaf hij ten antwoord met gebroken stem, terwijl Montbars op hem een zonderlingen blik wierp,—God verwerpt toch ook die menschelijke monsters, maar gij, gij zijt een engelachtig wezen, gij beoogt slechts vergiffenis, doch wij, mijn vader en ik, wij.…
—Zwijg, zwijg!—viel zij uit, en drukte haar hand tegen zijn mond,—spreek geen godslastering uit, ongelukkig kind!
—Ik zal u gehoorzamen, moeder, wees daarop gerust,—verzekerde hij en wendde zich toen met eene buiging tot Montbars, wien hij toevoegde op afgemeten toon die door dezen ten volle werd begrepen.—Admiraal, ik ben uw vlagofficier, mijn plaats in het gevecht is dus aan uwe zijde, en die plaats eisch ik als een mij toekomend recht.
—Gij zult haar vervullen,—luidde het antwoord van Montbars.
—Ach!—jammerde donna Clara.—Hoe onverzoenlijk zijt gij beiden!
Op dit oogenblik werd de deur van de kajuit plotseling geopend en trad iemand binnen. Het was Philippe d’Ogeron.
—Houd het mij ten goede, Admiraal,—begon hij groetende,—dat ik zoo onverwachts en onaangediend binnen kom.
—Waarde Philippe,—antwoordde Montbars,—ge zijt mij altijd welkom. Wat verlangt ge?
—Admiraal, de duenna van donna Juana heeft mij bij uw eerste verblijf te Maracaïbo, een ring van groote waarde ter hand gesteld. Van dien ring heb ik tot nu geen afstand kunnen doen, doch nu wij binnen enkele uren een hevigen strijd zullen leveren, een strijd waarin het ook wellicht mijn lot zal wezen te sneuvelen, acht ik het mijn plicht, daar die ring misschien later kan dienen tot opsporing der ouders van dit zoo beproefde jonge meisje, dat kostbare kleinood aan u af te staan, met verzoek het te bewaren bij de papieren van don Fernando d’Avila die betrekking hebben op donna Juana.
—En dien ring?
—Hier is die,—sprak hij zuchtend, trok dien van zijn vinger en reikte dien aan Montbars toe.
—Aan uw verlangen zal voldaan worden, beste vriend,—gaf Montbars ten antwoord terwijl hij den ring aannam,—en als gij, wat God verhoede, in het gevecht mocht komen te vallen, wil ik thans den eed herhalen, dat ik als een vader zal zorgen, voor haar die zoo oprecht door je word bemind.
—Ontvang nogmaals mijn dank, Admiraal, voor die plechtige verzekering, ik verwachtte niets anders van de mij steeds door je betoonde vriendschap.
En daar hij vreesde dat zijne aandoening hem zou overweldigen groette de jonge man haastig, en verliet ijlings de kajuit.
—Zie eens, mevrouw,—zei daarop Montbars tot donna Clara,—misschien herkent gij dezen ring. Het is helaas! het eenige geschenk van bijzondere waarde dat ik aan u heb kunnen geven, en het werd u door uw vader afgenomen op een oogenblik dat ge buiten kennis waart.
—Maar hoe komt het?.…—vroeg zij gejaagd.
—De hertog heeft, toen hij donna Juana toevertrouwde aan de goede zorgen van don Fernando hem gezegd dat zij de dochter was van u en den Stenio de Bejar.
—O! Dat is een leugen!—viel zij uit.
—Dat weet ik, mevrouw, maar hij achtte dien leugen noodzakelijk tot meerdere verwarring en verwikkeling der omstandigheden, om alle vermoedens op een dwaalspoor te brengen, daar hij uw eenig kind zóó verlangde op te voeden en op te leiden, dat dit eenmaal zou worden de moordenaar of de beul van zijn vader.
—Ach! mijnheer!—riep zij met afgrijzen uit.
—Het is de waarheid!—verklaarde de jonge man op koelen toon.
—Die ring werd later aan de min van donna Juana gegeven, en zou, naar de meening en de bedoeling van den hertog, al het geheimzinnige nog vermeerderen. Begrijpt ge nu ten volle den ganschen toeleg van die duivelsche berekeningen en van al die opeenstapeling van leugens en bedrog?
—O! Het is afschuwelijk!—mompelde zij geheel ter neer geslagen.—En dat jonge meisje?
—Wie zij is kan ik niet zeggen; waarschijnlijk een kind dat door hem eveneens aan de ouders is ontrukt, om dienst te doen bij zijne schandelijke plannen tegen u en tegen mij. Schenkt ge nu uw vader nog vergiffenis?
—Ik herhaal het u, mijnheer, hij is en blijft mijn vader, en God heeft in Zijne onuitputtelijke goedheid, de vergevingsgezindheid gesteld tot de liefelijkste en tevens de verhevenste deugd.
Montbars wierp op haar een blik vol innige teederheid, drukte haar een kus op het voorhoofd en verliet de kajuit om haar alleen te laten met haar zoon. Dat bijeenzijn van moeder en zoon duurde eenige uren, maar die uren gingen voor hen voorbij als een spanne tijds, en eerst toen de zon aan den horizont verdween en de duisternis begon te vallen, kwam Montbars in de kajuit terug.—Zijt ge nu gelukkig, mevrouw?—vroeg hij glimlachend aan donna Clara.
—Zóó gelukkig dat ik helaas ducht voor de toekomst!
—De toekomst behoort aan God, mevrouw!
—Dat is waar,—antwoordde zij berustend; daarna hief zij plotseling het hoofd op, wees op haar zoon, en sprak met kracht:—Hem vertrouw ik aan u toe, mijnheer.
—Houd goeden moed, mevrouw, en voor hem blijf ik u borg,—hernam hij kalm. Daarop wendde hij zich tot den jongen man en zei:—Kapitein, laat drie aangestoken lantaarns aan den top van den fokkemast hijschen, het is tijd om onder zeil te gaan.
Francoeur ging dadelijk heen om de ontvangene order uit te voeren.
—Nu moest ge eenige uren rust nemen,—hernam Montbars,—al die aandoeningen matten u te erg af.
—Neen,—gaf zij ten antwoord en wees op het Christusbeeld dat tegen den wand hing.—Ik zal gaan bidden tot Hem in Wiens handen ons lot berust, en Hem smeeken dat Hij ons genadig zij!
Montbars boog voor haar en vertrok zonder iets meer te zeggen. Aan de order door den Admiraal gegeven, was door zijn vlagofficier dadelijk voldaan, en nauwelijks waren de drie aangestoken lantaarns naar den top van den fokkemast geheschen of op alle bodems werd het geraas door de kaapstanders veroorzaakt gehoord, zoodat er geen vol kwartier verliep eer de schepen alle onder zeil waren in de aangegeven richting, en met uitgedoofde lichten Maracaïbo verlieten. Den ganschen nacht koerste men onder klein zeil, en tegen drie uur ’s morgens werd bijgelegd en dit een paar uren volgehouden. Toen het begon te dagen, kreeg men de Spaansche vloot in het oog, die in de volmaaktste orde vóór het kanaal ten anker lag, vlak boven het Houtduifeiland, waar het fort zeer goed hersteld en op krachtige wijze bewapend scheen.
Het schip, waarop de Onder-Koning zich bevond, lag geankerd in het midden van het nauwe kanaal dat het Kijk-Uit-eiland scheidt van het Houtduifeiland; op dien bodem werd dadelijk alles in gereedheid gebracht tot een warme ontvangst van den vijand, wiens onbezonnen vermetelheid in het oog van den Onder-Koning alle palen te buiten ging. De brander die aan de spits bleef van het eskader der flibustiers, werd door den Onder-Koning gehouden voor het Admiraalsschip, en hij gaf order om dit te laten naderen, schoon hij zich er zeer over verwonderde, dat met zulk een sterke bemanning en op zulk een korten afstand het vuur nog niet geopend werd; doch daaruit besloot hij dat de vrijbuiters, volgens hunne gewoonte, de voorkeur gaven aan eene entering; die overtuiging bracht hem er toe om ook van zijn schip geen enkel schot te laten lossen, en hun eerst de volle laag te geven, zoodra het ’t zijne wilde aanklampen. Dit misbegrip of liever die vergissing der Spanjaarden kwam Montbars uitnemend te stade, daar enkele goed gemikte schoten voldoende zouden zijn geweest om het brooze vaartuig in den grond te boren, want het was werkelijk niet veel meer dan het geraamte van een schip. Ongelukkig genoeg voor hen, bespeurden de Spanjaarden hunne dwaling te laat, en eerst toen de brander op het punt stond hen te bereiken. Toen waren al hunne pogingen, zoowel die om het vaartuig af te houden als om het eene andere richting te geven, vruchteloos. Slechts enkele flibustiers onder bevel van Francoeur maakten de bemanning uit van den brander; zij maakten hem los van zijn sleper, wierpen eenige enterdreggen in de raas van het schip van den Onder-Koning en sprongen toen ijlings in hun boot om zich met kracht van riemen te verwijderen van de plek waar de ontploffing zou plaats hebben. Die gansche manoeuvre was met zooveel beleid uitgevoerd dat toen de Onder-Koning last gaf om den brander af te weren, het daarvoor reeds te laat was; toch verloor hij zijn tegenwoordigheid van geest niet en liet onmiddellijk eenige matrozen, voorzien van bijlen, aan boord daarvan overspringen om de masten te kappen en het schip te doen zinken; maar het vuur had de buitenhuid reeds aangetast en de eerste bijlslagen baanden aan de vlammen een doortocht, en ze sloegen onstuimig en verwoed naar buiten, voorafgegaan door dikke en verstikkende rookwolken. Aangewakkerd door een scherpe bries uit het oost-noord-oosten, die uit volle zee kwam opzetten, verkreeg de brand na verloop van enkele minuten zulk een omvang, dat het schip van den Onder-Koning er niet aan kon ontkomen, en ondanks al de inspanning van matrozen en soldaten om het vuur te bedwingen, was de totale ondergang reeds te voorzien.
Zoo was het ook; in minder dan een half uur was het prachtige schip omgeslagen en een prooi der golven geworden, het grootste gedeelte der bemanning kwam bij die ramp om, en aan slechts enkele personen, waaronder de Onder-Koning, gelukte het, half dood van vermoeienis en uitputting, den zandigen oever van het Houtduifeiland te bereiken.
De strijd was aldus op wanhopende maar schitterende wijze door de flibustiers aangevangen.