III. DE VRIJBUITERS.
Reading edition
Tributor wierp een goede portie droog hout op het wachtvuur, dat toen opnieuw vroolijk opflikkerde, de vrijbuiters legden zich er om heen, en toen vroeg Montbars aan Philippe door welk toeval hij hier was gekomen, op eene plek zóó ver verwijderd van de streken die gewoonlijk door de flibustiers bezocht worden.
—Diezelfde vraag zou ik tot jou kunnen richten, waarde Montbars,—gaf Philippe ten antwoord.—Want dat toeval, aangenomen dat er een toeval is, bestaat evenzeer voor jou als voor mij.
—Dat is zoo, vriendlief,—stemde Montbars toe,—maar wat mij betreft is het juist niet geheel alleen het toeval dat mij hier heeft gebracht.
—Wat dan nog meer?
—De storm! Door een stormvlaag heb ik mijn schoener verloren, en ben hier aangeland eigenlijk zonder precies te weten waar ik mij bevond; ik moet er echter in één adem bijvoegen, dat ik zeer in mijn schik was, zoodra ik bemerkte dat ik in de golf van Venezuela was terecht gekomen, want reeds sinds lang was het mijn wensch die te bezoeken.
—En uwe bemanning?
—Behalve mijne beide metgezellen hier, is die totaal verloren gegaan.
—Dat is zeer treurig!—zuchtte Philippe en schudde het hoofd.—Wat mij zelven aangaat, wil ik je rondweg verklaren, waarde Montbars, dat ik Tortue verlaten heb met het formeele plan mij hierheen te begeven.
—En ben jij, evenals ik, door een onheil overvallen?
—Neen, Goddank niet! Mijn schip ligt verscholen in een kreek van de kust, en geankerd te midden van dicht geboomte, dat er als het ware zulk een dicht gordijn om vormt, dat ik de gavachos tart om het dáár te ontdekken.
—Heerlijk, opperbest, kameraad! Dat is een nieuwtje dat mij des te meer welkom is daar ik je eerlijk moet bekennen dat ik waarlijk geen raad wist hoe ik mij uit dit wespennest hier redden moest.
—Je kunt geheel over mij beschikken, daaraan zult gij trouwens niet hebben getwijfeld.
—Dank je wel! Wanneer zijt ge aangekomen?
—Gisterenavond tusschen zeven en acht uur. Eer ik dezen morgen aan wal zou gaan, kreeg ik, bezig om den horizont op te nemen, een prauw in het oog, die de punt bij de vuurbaak omkwam. Ik kon wel niet duidelijk gewaar worden door wie die bemand was, maar reeds bij het eerste gezicht zag ik dat er Broeders der Kust in zaten. Toen deed ik mij dadelijk naar wal roeien en ben er terstond op los gegaan om je op te zoeken, en, zoo gij daaraan behoefte mocht hebben, je mijne goede diensten aan te bieden, en mij geheel tot je beschikking te stellen.
—Waarde vriend, bij herhaling nogmaals dank, zoowel voor mijn persoon als voor mijne metgezellen, want op mijn woord wij bevonden ons in een zeer neteligen toestand. Nu wil ik ook gaarne erkennen, dat het toeval, waarover ik sprak, werkelijk in dit opzicht niet bestaat. Doch houd mij één enkele vraag ten goede.
—Zeg vrij wat gij verlangt te weten.
—Hoe komt het dat gij ons reeds sedert den ganschen dag zoekt en ons eerst nu diep in den nacht vindt?
—Dat is, als ik mij veroorloven mag dit te zeggen, eenigszins je eigen schuld.
—Hoe dat?
—Hebt ge dan onze signalen niet gehoord?
—Wel, nu ik er over denk,—viel Luiwammes in,—schiet het mij te binnen dat ik even vóór zonsondergang gemeend heb een schot te hooren.
- Zoo was het, wij, Pitrians en ik schoten toen, zooals wij ook den ganschen dag niet hebben nagelaten, op gevaar af van door de Indianen ontdekt te worden, want wij zijn hier, zooals ge weet, in het hartje van het Indiaansch territoir.
—Wij hebben toch niet meer dan één schot gehoord.
—Ja,—voegde Montbars er bij,—en wij durfden het niet te beantwoorden, uit vrees van ons daardoor de Spaansche boekaniers op den hals te halen.
—De gavachos hebben den moed niet om zich hier te wagen in de streken langs de zee, want de bewoners zijn hunne verwoede vijanden en daarenboven menscheneters.
—Het is goed dat wij dit weten!
—Kort en goed, wij begonnen er aan te wanhopen je te vinden, en stonden op het punt naar boord terug te keeren (ons schip ligt hier dicht bij), toen het door Tributor zóó juist gemikte schot op den beer ons precies de richting aangaf, waar wij je konden ontmoeten. Ge ziet dus, waarde Montbars, dat alles zeer eenvoudig is toegegaan.
—Ge hebt gelijk vriendlief, maar ge hebt mij nog niet gezegd, welke reden je hier naar de kust gevoerd heeft; mocht dit echter een geheim wezen, houd het dan als niet gevraagd, en spreken wij over iets anders.
—Waarde vriend, er bestaat geen enkele aanleiding om die redenen geheim te houden, maar vooral niet tegenover jou. Ik ben op een verkenningstocht om zoowel het terrein als het gansche land te onderzoeken daar ik plan heb eene expeditie tegen Maracaïbo te beproeven, dat, als de geruchten niet overdreven zijn, onmetelijke schatten moet bevatten.
—Is het waar wat ge daar zegt?—riep Montbars met groote opgewondenheid.—Zijt ge werkelijk met dat doel hier?
—Waarom anders zou ik gekomen zijn?
—Dat is zoo! Welnu, waarde Philippe, ik wil niet minder openhartig zijn dan jij. Weet dan dat mijn doel hetzelfde is als het uwe, ook ik wil een aanslag op Maracaïbo wagen.
—Wel drommels!—uitte de jonge man zeer verheugd.—Beter kan het niet treffen! Dan sta ik gaarne en gewillig aan jou het opperbevel over die expeditie af. Uw meerdere ondervinding en uw roemrijke naam geven je daarop het volste recht, alleen zou ik gaarne tot voorwaarde maken dat je mij aanstelt tot je luitenant.
—Blijft dit afgesproken?—vroeg Montbars, die hem de hand toestak.
—Wis en waarachtig!—bevestigde de jonge man met een stevigen handdruk aan den vermaarden vrijbuiter.—Zoo vast en zeker afgesproken, dat ik zoo gij het goedvindt van stonden af aan mij ondergeschikt verklaar, en jou het gezag van mijn schip overdraag.
—Ik neem je aanbod even rondborstig aan als je het mij doet doch alleen in zoo verre betreft deze expeditie, of beter gezegd de verkenning die wij willen beproeven; wat het bevel over uw bodem aangaat, zult ge mij genoegen doen dit te behouden. Naar ik hoop zal het niet lang meer duren eer ik je een nog veel gewichtiger opdraag, als wij hier weer terug zijn gekomen.
—Het zij zooals gij verlangt, waarde Montbars.
Tributor die aan het gansche gesprek geen deel had genomen, was al dien tijd druk in de weer geweest om den beer in stukken te snijden; eerst had hij de vier pooten afgehakt en die onder de gloeiende asch gestopt, daarna met verbazende behendigheid de huid afgestroopt, en schijfjes van de nier afgesneden, die hij terstond roosterde met een paar prachtige forellen en een taling aan het spit gestoken door middel van zijn laadstok. Daarna had hij oranjes, limoenen, guyaven (Indische peren) en andere vruchten geplukt, palmbladeren neergelegd om als borden te dienen, en na al die toebereidselen was hij naar het vuur gegaan. Juist op dat oogenblik brak de dag aan, en prachtig verscheen de zon aan den horizont, te midden van wegtrekkende nevels die schitterden met al de kleuren van den regenboog.
—Het ontbijt staat gereed,—kondigde Tributor aan.
—Kom, laten wij dan gaan eten,—liet Luiwammes er op volgen.
—En al etende kunnen wij verder praten,—voegde Montbars er bij.
In opgeruimde stemming nam men aan tafel plaats, of beter gezegd ging ieder op het gras zitten vóór het palmblad dat hem tot bord diende, en toen nam het ontbijt een aanvang. Een jagersmaal duurt zelden lang, ook dit was in een half uur afgeloopen, en zoo daar zooveel tijd aan besteed werd, kwam dit hoofdzakelijk door de groote hoeveelheid der spijzen, die door Tributor met veel deftigheid en groot vertoon werden opgediend. De goedhartige reus toonde een hoogst vergenoegd gelaat en was erg in zijn schik, toen Montbars hem bijzonderen lof toezwaaide over die staaltjes zijner kookkunst. Na den afloop van het ontbijt, en toen de pijpen waren aangestoken, nam Montbars opnieuw het woord en zei:—Nu moeten wij onze zaken gaan behandelen.
—Niets liever dan dat,—verklaarde Philippe.
—Maak jij dan daarmee een begin, waarde vriend, en vertel mij hoe ge het denkt aan te leggen om het land, de stad Maracaïbo en het fort te Gibraltar te verkennen, want om den goeden uitslag van onze onderneming te verzekeren, is het eene eerste vereischte dat wij geheel en al bekend raken met de punten waarop de aanval gericht zal worden, om gevrijwaard te blijven van reeds bij onze landing eene groote fout te begaan.
—Naar mijne meening,—merkte Luiwammes aan,—zou het beste wezen, dat die verkenning door ieder afzonderlijk beproefd werd.
—Verklaar je nader,—zei Montbars.
—Ik bedoel daarmee dat een onzer de kust voor zijn rekening moest nemen, een ander het binnenland, de derde de stad en de laatste het fort.
—Voeg er dan nog bij een vijfde, die belast moet worden met opnemen en peilen van de baai, en dit is, volgens mijn meening, eene zeer gewichtige zoo niet de gewichtigste taak, want de baai is als verstopt door een aantal zandbanken,—werd door Pitrians aangevoerd—en onze schepen loopen groot gevaar om bij het binnenkomen daarop vast te geraken.
—Die opmerking van Pitrians is zeer juist,—gaf Montbars te kennen.—Hoe denkt gij over die voorstellen, Philippe?
—Ook ik, Montbars moet erkennen dat die zeer goed zijn. Al die inlichtingen zijn werkelijk voor ons onontbeerlijk, en wij moeten, wat het ook kosten moge, trachten die te verkrijgen.
—Ik ben het daarmee eens, en nu is de vraag maar, hoe wij die rollen zullen verdeelen.
—De beslissing daarvan komt je rechtens toe, Montbars.
—Het zij zoo. Hoor dan hoe ik daarover denk. Luiwammes moet, als hoogst ervaren zeeman, zich belasten met het opnemen van de kust.
—Goed! zoo’n karreweitje is juist iets voor mij.
—Tributor moet de peiling van de baai op zich nemen; dat is de gevaarlijkste post, die daarenboven de grootste behendigheid vereischt, maar ik vertrouw ten volle dat hij er in zal slagen.
—Dat zal ik!—verzekerde de reus, zeer gestreeld door het vertrouwen dat Montbars in hem stelde, en vurig verlangend om dit te rechtvaardigen.
—Nu blijven nog over het inwendige van het land, de stad en het fort. Pitrians is langen tijd werkzaam geweest als beambte bij de belasting, dat is juist iets voor hem. Hij moet uit hoofde van de Indianen een paar maats met zich nemen en Tributor moet Monaco aan hem afstaan, daar hij den hond toch niet kan gebruiken.
—Best!—zei Pitrians.—Als mij een paar dagen worden toegestaan dan neem ik op mij om deze streek voldoende te verkennen.
—Ten laatste iets over de stad en het fort,—zei Montbars.—Nu, dunkt mij, dat wij daaromtrent ons eerste plan eenigszins moesten wijzigen, naar aanleiding van de moeielijkheden die zich daarbij kunnen opdoen. Gij, waarde Philippe, ge spreekt het Spaansch zoo goed alsof ge een zoon waart van het oude Castilië en ik geloof daarmee zoo heel ver niet bij je achtertestaan, wij beiden zullen ons dus naar Maracaïbo begeven, lukt het om in die stad te komen, welnu dan zullen wij ons door de omstandigheden laten leiden en ons daarnaar regelen. Hoe vindt ge dit plan?
—Zeer goed! Ik deel volkomen uw meening, en ben bereid op staanden voet je blindelings te volgen, waar heen ge ook moogt goedvinden mij te brengen.
—Dit houden wij dus voor afgesproken; maar er ontbreken ons nog eenige onvermijdelijke zaken, die wij ten zeerste behoeven om ons in de stad te vertoonen zonder argwaan te wekken, en ik vrees er hard voor dat het tot het onmogelijke zal behooren om ons die te verschaffen.
Philippe lachte luide, en vroeg,—En wat verstaat gij onder die onvermijdelijke zaken, Montbars?
—Vooreerst en vóór alles kleederen, mijn vriend.
—Aan boord heb ik drie koffers vol, dus kust en keur.
—Mooi. Dan goud, en zelfs veel goud. Ik moet je ronduit bekennen dat ik bij de schipbreuk geen enkelen piaster heb kunnen redden.
—Vijftig duizend piasters kan ik tot je beschikking stellen. Is dit genoeg?
—Zeker, vriend. Zooveel zullen wij bepaald niet noodig hebben.
—Goed, dit is dan afgehandeld. Tot dusver heb ik uwe bezwaren vrij gemakkelijk kunnen oplossen. Vindt ge niet?
—Niet alleen gemakkelijk, maar op verwonderlijk afdoende manier, kameraad. Toch blijft er, jammer genoeg, nog één bezwaar over en ik vrees zeer, dat ge er niet in zult slagen om dit even gemakkelijk uit den weg te ruimen als al de vorige.
—Ba, wie weet? zooals de gavachos gewoonlijk zeggen. Maar laat hooren waarin dit onoplosbare bezwaar bestaat.
—Ge weet toch, niet waar, hoe argwanend de Spanjaarden zijn, en hoe verbazend veel voorzorgen zij genomen hebben, om voor goed te beletten, dat vreemdelingen in hunne koloniën op het vasteland komen, daar zij niet dulden dat die zich dáár vestigen.
—Zooals ge zegt dat weet ik. En verder?
—Verder? Wel mij dunkt dit is genoeg gezegd, want nu vraag ik je, hoe zal het voor ons mogelijk zijn, om in de stad te komen?
—O! Is het niet anders! Wel, zeer gemakkelijk!
—Dat betwijfel ik nu toch zeer!
—Ongeloovige Thomas!—voegde de jonge man hem spottend toe.—Niet alleen zal ik u goud, en kostbaarheden en kleêren verschaffen meer dan ge noodig hebt om uw rol als Spaansch hidalgo of zoo ge dit beter oordeelt als grande van Spanje behoorlijk te kunnen vervullen, maar wat meer zegt, ik verbind mij je de noodige papieren te bezorgen, zoo volkomen volgens regel en wet, dat de autoriteiten der stad, zoodra zij er één enkelen blik op geworpen hebben, je volkomen vrij zullen laten in al je handelingen, en zelfs zich geheel onder je orders zullen stellen.
—Maar waarachtig maat, als je tot zoo iets in staat zijt, dan kan ik niet anders zeggen dan dat je een toovenaar zijt.
—Drommels!—zei Philippe lachend.—Pas toch wat ik je bidden mag op, dat je dit niet te Maracaïbo zegt, want voor de inquisitie ben ik zoo bang als een wezel en er ganschelijk niet op gesteld om levend verbrand te worden tot meerdere eere Gods.
—Ge brengt mij in de grootste verbazing! Hoe is het mogelijk dat ge al uwe maatregelen reeds zóó goed genomen hebt?
—Ik heb je immers gezegd, dat ik opzettelijk hier naar de kust koers heb gezet. Niet waar?
—Dat is zoo, werkelijk hebt ge mij dit gezegd.
—Welnu, Montbars, ge ziet dus dat ik drie maanden den tijd had om alles in orde te brengen.
Montbars schudde herhaaldelijk het hoofd.
—Waarom schudt ge uw hoofd zoo?—vroeg Philippe.
—Kameraad,—antwoordde Montbars peinzend en ernstig,—ik ben een der oudste en intiemste vrienden van den heer d’Ogeron, uw oom. Ik ken je reeds van toen ge nog een kind waart, en evenzeer je karakter alsof ge mijn eigen zoon waart. Dat karakter haakt naar het grootsche en edelmoedige. Wat bij al onze expedities steeds en overal bij jou op den voorgrond stond, was de zucht naar roem. Meer dan eens was ik er getuige van dat je geweigerd hebt deel te nemen aan eene expeditie, als daardoor, naar je meening, meer bedoeld werd goud dan glorie te winnen. Is alles wat ik je daar zeg waarheid, Philippe?
—Ja, waarde Montbars! Ik kan dit niet ontkennen. Maar wat maakt gij daaruit op?
—Niets, vriendlief, doch nu weet ik alles wat ik weten wilde.
—Ik begrijp je niet, Montbars, en nu verzoek ik dringend nadere verklaring.
—Waartoe zou die dienen?
—Ik herhaal je mijn dringend verzoek.
—Welnu, als ge er zóó op staat, zal ik aan je verlangen voldoen. Ge zult mij nooit kunnen wijs maken, Philippe, dat ge zulk eene gevaarvolle expeditie wilt ondernemen alleen met het doel om een stad te plunderen, hoe rijk die stad ook wezen moge!
—Maar, waarlijk, Montbars, ik verzeker je …
Montbars zweeg glimlachend.
—Hoe nu! Waarom glimlacht ge, waarom schudt ge het hoofd, wat vooronderstelt ge dan toch van mij, Montbars?
—Ik vooronderstel niets, Philippe, daarvoor beware mij God! Ge zijt jong, daarmee is genoeg gezegd, en de hartstochten der jeugd zijn niet die van den mannelijken leeftijd. Gierigheid is een ondeugd der grijsheid.
Philippe kleurde even, boog het hoofd en raakte geheel in verlegenheid dat Montbars hem zoo goed doorgrond had, doch hij herstelde zich terstond en voegde den ander toe:—Maar wat drommel, waarde Montbars, ik heb alle recht om je eigen woorden op je zelf toe te passen!
—Hoe dat, waarde vriend?
—Omdat gij zelfs nog veel minder dan ik, door geldzucht wordt gedreven, want zoo ge dit had gewild, waart ge reeds sinds lang de rijkste man van al de flibustiers geweest.
—In zooverre hebt ge gelijk, Philippe. Ik geef niet om geld.
—Goed, maar dan zult ge ook mij nooit wijs kunnen maken dat zucht tot plundering je er toe brengt om zulk eene gevaarlijke expeditie te wagen.
—En ik zal ook wel degelijk oppassen zoo iets tegen je vol te houden, want het zou geheel bezijden de waarheid zijn.
—Ha! Ha!—lachte de ander.—Er is dus ook bij jou een ander doel in het spel?
—Dat ontken ik niet.
—En wat is dat doel?
—Wraak!—werd op doffen toon geantwoord.
Philippe zweeg een poosje en zei toen:
—Misschien wordt het zelfde doel door mij beoogd.
—Neen, Philippe want jij draagt den Spanjaard geen haat toe.
—Ja! Wel drommels.…
Glimlachend viel Montbars hem in de rede, en vervolgde:—Ik zal je zeggen wat je eigenlijke doel is, daar je mij niet genoeg schijnt te vertrouwen om het mij mede te deelen. Wat je zoekt is … eene vrouw. Ge zijt verliefd.
—Ik!—riep de ander uit en maakte een heftig afwijzend gebaar.
—Philippe, vriend, ik wil mij niet dringen in je geheim; bewaar dit veeleer als een kostbaren schat in het diepst van je gemoed. Maar vergeet nooit dat ik je vriend ben en ten dage dat ge mij noodig mocht hebben steeds bereid zal zijn je te helpen wat er ook moge gebeuren.
—O! mijn vriend!—juichtte de ander in vervoering.
—Geen woord meer daarover, thans over iets anders. Wij moeten ons nu bezig houden met ernstiger zaken dan waarover je zeker zoudt uitwijden nu ge weet dat ik je doorgrond en als in je hart gelezen heb; alles op zijn tijd niet waar? Denken wij nu liever aan het dringendste en voor ons is thans het dringendste om langs den kortsten weg naar ons schip te gaan.
—Het is zoo, Montbars, ge hebt volkomen gelijk. Dus opgestapt zonder langer te talmen.
—Gij hebt zooeven gezegd dat het niet ver van hier ligt?
—Hoogstens een paar mijlen; als wij het water te baat nemen, dan duurt de tocht zeker niet langer dan een uur.
—Liever zou ik als het je hetzelfde is toch den langeren weg kiezen en over land gaan, want onze prauw is zeer klein en bovendien heeft die gisteren avond zoo erg geleden door de krasse aanvallen der kaaimannen, dat ik niet graag nog eens het brooze vaartuigje daaraan zou blootstellen; niet dat ik zoozeer opzie tegen den dood, maar, naar mijne meening, heeft de mensch die zich ten plicht heeft gesteld nog eene grootsche taak te vervullen, geen recht zich onnoodig in gevaar te begeven, eer hij aan dien plicht voldaan heeft.
De vrijbuiters braken hun kamp op en verborgen zeer zorgvuldig de prauw tusschen de struiken om die terug te kunnen vinden zoo dit voor hen nog noodig mocht worden; daarop sloegen zij door Philippe en Pitrians voorafgegaan een pad in, dat eenigszins door de wilde dieren gebaand was en waarlangs zij komen konden op de plaats waar de brigantijn ten anker lag.