IX. HET VERTREK.
Reading edition
Philippe wierp mantel en hoed af, ontgespte zijn degen en bood den vrijbuiter een zetel aan.—Hebt gij op mij gewacht?—vroeg hij daarna.
—Ja, beste vriend,—gaf Montbars ten antwoord, terwijl hij plaats nam.—Reeds meer dan een uur heb ik hier in je slaapkamer op en neer geloopen.
—Heeft Tributor je dan niet gezegd …
—Toch wel, beste Philippe,—viel Montbars in.—Tributor heeft mij van alles op de hoogte gebracht, en verteld dat ge bezoek hebt gehad van eene soort van duenna, en met dat zeer eerwaardige oudje waart uitgegaan. Daaruit heb ik opgemaakt dat hier hoogst waarschijnlijk spraak was van een rendez-vous tusschen een paar verliefden, en dat dit bij gevolg wel niet zoo kort zou duren, maar daar ik je hoog noodig moet spreken, ben ik op je blijven wachten. Ge duidt mij dit toch niet ten kwade?
—Volstrekt niet, waarde Montbars. Zaken gaan vóór alles, maar vooral in een toestand als den onze, daar wij ieder oogenblik in gevaar verkeeren om gesnapt en als dolle honden gemold te worden; zelfs geloof ik bemerkt te hebben dat wij bij dezen en genen reeds in kwaden reuk komen.
—Dat is juist ook mijne meening.
—Is er dan iets voorgevallen?
—Dat zoozeer niet, doch het is best mogelijk dat dit zeer spoedig gebeurt, en daarom acht ik het noodig onze maatregelen te nemen.
—Zoodat?
—Zoodat … doch ik vrees dat ik je nu al te erg verdriet ga aandoen, vooral na je zeetochtje,—werd er spottend bijgevoegd,—en daardoor verwarring zal teweeg brengen in eenige zaken die ongetwijfeld hoogst aangenaam voor je zijn.
—Dat doet er niets toe, waarde vriend,—verzekerde Philippe lachend.—Doch ter zake.
—Verlangt ge dit?
—Wis en zeker.
—Nu dan, naar ik geloof hebben wij nu reeds lang genoeg in deze streken vertoefd en dreigt een verder verblijf hier voor ons gevaarlijk te worden.
—Dat ben ik volkomen met je eens,—gaf Philippe te kennen.
—Wat!—uitte Montbars in verbazing.—Meent ge nu wat ge daar zegt?
—Zeer zeker.
—Dus als ik order gaf om morgen aan den dag op te breken …
—Dan zou ik van ganscher harte dit besluit toejuichen,—vulde de ander aan.
—Wel zoo!—sprak Montbars, wiens verwondering steeds stijgende bleef.—Heb nu toch even de goedheid mij daarvan nadere verklaring te geven, want ronduit beken ik je, dat ik er geen touw meer aan vast kan knoopen.
—Hoe dat zoo?
—Wel, ik dacht bepaald dat ge erg verliefd waart.
—En daarin bedriegt gij je volstrekt niet. Ik ben tot over de ooren verliefd op een allerbekoorlijkst schepseltje.
—Welnu dan?
—Welnu, daarom juist moeten wij zoo spoedig mogelijk vertrekken.
—O, zoo!—lachte Montbars.—Nu begin ik het te snappen.
—Neen, waarde vriend, gij snapt niets,—gaf Philippe met zekere gevatheid te kennen.—Ik bemin, met eene liefde die even oprecht als onbegrensd is, eene liefde die alleen met mijn leven zal ophouden, een engelachtig wezen, wier hand ik nog slechts heb gekust, en nu zal het je duidelijk worden hoe deze zaak zich geheel anders toedraagt dan waarschijnlijk door je word verondersteld.
—Dan is dit toch, neem het mij niet kwalijk, een raar soort van liefde,—merkte de vrijbuiter lachend aan,—daar ge de zoo zeer door u aangebeden schoone gaat ontvluchten!
—Ontvluchten, neen, dat is de bedoeling niet, maar ik wil haar verlaten.
—Nu, dat komt zoowat op hetzelfde neer, zou ik meenen.
—Niet zoo precies! Men verlaat iemand, als men plan heeft terugtekomen, doch neemt men de vlucht, dan is dat voor altijd.
—En dus?
—Ben ik bereid om te vertrekken, zoodra gij maar wilt.
—Ik zal het maar opgeven om verder daarover met je te harrewarren; achter die onverklaarbaar haastige bereidwilligheid schuilen zeker geheime bedoelingen, die ik niet behoef te kennen en dus wil ik daar niet op aandringen.
—Hartelijk dank voor zulk eene bescheidenheid, waarde vriend.
—Keeren wij nu terug tot onze gezamenlijke belangen. Onze kameraden zijn met hun peilingen en opmetingen gereed gekomen; Luiwammes is nu met de golf van Venezuela even goed bekend als de beste loods; verder zijn kaarten in plattegronden gemaakt van Maracaïbo, Merida en Gibraltar; wij zijn geheel op de hoogte van de sterkte onzer vijanden, en in staat om tot handelen over te gaan, zoodra wij het geschikte oogenblik gekomen achten. Dit is meer dan wij noodig hebben, niet waar?
—Dat stem ik toe.
—Nu komt er nog bij, dat don Fernando d’Avila ieder oogenblik de komst verwacht van iemand van zeer hoogen rang, en het is voor ons alles behalve raadzaam zulk een personage te ontmoeten. Tot nu toe is de fortuin ons in alles zoo gunstig geweest dat het overmoedig zou wezen daarvan nog meer te verwachten. Onze rollen zijn hier afgespeeld, en dus kunnen wij van het tooneel verdwijnen.
—Onder voorbehoud van daarop spoedig weer te verschijnen.
—Natuurlijk. Zoo denk ik er juist ook over.
—Doch wij kunnen toch niet zoo opeens en zonder aanleiding of reden vertrekken.
—Zeker niet! Maar een voorwendsel is gemakkelijk te vinden. Ik moest hier immers eene zending vervullen, niet waar? Welnu, dat heb ik gedaan, en na al de rekeningen van die heeren intendanten te hebben opgenomen, nagezien en zeer nauwkeurig nagesnuffeld, is hier mijn taak geëindigd en dus niets natuurlijker en eenvoudiger dat ik mijne reis verder voortzet.
—Dat is goed bedacht,—verklaarde de jonge man lachend.—De Gouverneur zal noch kan daar iets vreemds of onregelmatigs in vinden.
—Ik heb dezen avond reeds tegen hem mij daarover een paar woorden laten ontvallen, en ik moet bekennen dat hij die mededeeling zeer leuk heeft opgenomen. Het blijft onder ons, beste vriend, maar ronduit gezegd, ik ben tot het vermoeden gekomen, hoe en waardoor dat weet ik zelf niet, dat don Fernando d’Avila recht in zijn schik zal wezen, als hij ons ziet vertrekken.
—Dat ben ik geheel en al met je eens!—verklaarde Philippe spottend.
—Ei! En hoe dat zoo?
—Och, dat weet ik niet, maar toch ben ik er zeker van.
—Mooi zoo! Nu beginnen wij weer met de raadseltjes, maar daar heb ik genoeg van, dus basta! Buitendien wil ik je niet langer ophouden, en daarom ga ik naar bed. Slaap rustig, waarde Philippe. Maar luister nog even, ik moet je toch nog een paar woorden zeggen.
—En wat zullen die behelzen?
—Alleen dit, dat ik er zeker van ben dat wij allen in deze heele zaak voor jou de kastanjes uit het vuur hebben gehaald en dat bij het afsluiten van de rekening blijken zal, dat gij het zijt die er het meeste voordeel van trekt. Heb ik goed geraden?
Philippe begon te lachen, drukte zijn kameraad de hand en daarop scheidden zij.
—Wat kan het mij schelen, of hij al dan niet iets heeft geraden?—sprak Philippe in zichzelf, zoodra hij alleen was.—Want wat daarvan zij, ik weet toch zeker dat ik staat kan maken op zijne vriendschap en toegenegenheid.
Na die overdenking stapte hij in bed, weldra rustig slapende en heerlijk droomende tot aan den morgen. Tegen tien uur liet graaf de l’Atalaya zijn geheim-secretaris bij zich ontbieden. Toen Tributor in de kamer van Philippe kwam vond hij dezen nog slapende, met die gelukkige onbezorgdheid der jeugd, voor wie slechts het tegenwoordige bestaat en die zich niet bezwaart met het verledene, noch bezorgd maakt voor de toekomst. Tributor had veel moeite om den jongen man wakker te krijgen.
—Loop naar den drommel, lastige kerel!—bromde Philippe die in zijn bed oprees, en zich nog erg slaperig de oogen uitwreef.—Ik lag juist zoo heerlijk te droomen!
—Kom, kom!—merkte de reus zeer wijsgeerig aan.—Mijnheer Philippe weet zeer goed dat de mooiste droom toch niets haalt bij de werkelijkheid. Droomen zijn bedrog!
—Vooreerst moet ik je dit doosje ter hand stellen, dat men dezen morgen voor je heeft gebracht.
—Geef op!—gelastte Philippe barsch, rukte het doosje uit zijn hand en stopte het dadelijk weg onder zijn beddekussen.—En verder?
—Wat ben je haastig gebakerd van ochtend! Nu dan, Montbars wacht je in het groote salon; dáár zijn zeker meer dan twintig lieden die om het hardst babbelen. Naar het schijnt heeft men je dáár noodig.
—Wie zijn die menschen?
—Vooreerst onze kameraden, en dan de Gouverneur, die, ik weet niet hoeveel, geborduurde rokken bij zich heeft.
—Wel alle duivels! Dan moet ik mij niet laten wachten, want het schijnt eene ernstige zaak te wezen.
—Dat geloof ik ook. Gij moogt dus wel haast maken.
—Binnen vijf minuten ben ik klaar. Ga zeggen dat ik kom.
—Goed.
De reus ging heen. Philippe sprong haastig uit zijn bed, en begon zich te kleeden, doch midden in die bezigheid hield hij even daarmee op, en greep naar het doosje dat hij onder zijn hoofdkussen verborgen had. Hij deed dit open en zag toen een hoogst eenvoudigen ring, waarin echter een bleeke robijn van zeer hooge waarde was gezet.
—Dat is vreemd!—mompelde hij, terwijl hij den ring nauwkeurig bekeek, en dien in zijne vingers ronddraaide. Toen meende hij eenig gerucht te hooren, stak dus spoedig den ring weer in het doosje, verborg dit op zijn borst en eindigde zijn toilet. Tien minuten later trad hij het salon binnen, waar hij een talrijk gezelschap bijeen vond, zooals hij reeds van Tributor had vernomen. Montbars had, even als dit tusschen hen den vorigen avond was afgesproken, zich reeds bij tijds dien morgen, zoowat tegen acht uur, naar den Gouverneur begeven, om dezen zijn vertrek aan te kondigen en afscheid van hem te nemen. Don Fernando d’Avila had den graaf de l’Atalaya zeer beleefd ontvangen, en hem zijn leedwezen betuigd dat hij reeds zoo spoedig de kolonie ging verlaten, zelfs eenigszins, doch eigenlijk slechts flauwtjes er op aandringend, dat de graaf zijn verblijf te Maracaïbo zou verlengen; daarna had hij, nadat bleek dat de graaf vast bij zijn besluit bleef, hem eene voorspoedige reis toegewenscht, en waren de beide heeren gescheiden schijnbaar in de beste verstandhouding. Toen Montbars daarna in zijne woning was teruggekomen, had hij dadelijk Tributor naar Michel, de Baskiër, gezonden om dezen te berichten dat alles in gereedheid moest worden gebracht om ieder oogenblik onder zeil te kunnen gaan, en tevens met last om met al de officieren van het schip aan wal te komen, ten einde afscheid te nemen van de autoriteiten der stad.
Door Michel, den Baskiër, even als door al de vrijbuiters, die voortdurend aan boord gebleven en dáár al dien tijd aan de strengste discipline onderworpen waren geweest, was die order ontvangen met de grootste ingenomenheid, daar zij zich zeer verheugden over het aangekondigde vertrek. Het reeds zóólang gerekte verblijf op de kust begon voor allen drukkend te worden, vooreerst omdat zij in zulk een ingetogen gedrag moesten volharden, maar meer nog door de bestendige vrees, dat zij ieder oogenblik gevaar liepen te worden herkend, voor wat zij werkelijk waren. Geen wonder dus dat Michel de Baskiër, zich haastte de waterprovisie aan te vullen, eenige versche levensmiddelen op te doen, en naar boord terug te doen komen vijf of zes matrozen, die, onder voorwendsel van te gaan jagen, bezig waren de omstreken van de stad te verkennen. Een uur later was het tuianker gelicht, lag de brigantijn voor het tweede anker, waren de booten aan boord geheschen en was alles gereed om het schip binnen vijf minuten onder zeil te brengen.
Daarna kleedde Michel de Baskiër zich in groot tenue, begaf zich vergezeld door al zijne officieren naar wal, en begon met de afscheidsbezoeken bij de autoriteiten der stad. De Gouverneur werd echter niet in zijn paleis aangetroffen, daar hij met zijn staf naar den graaf was gegaan om dien nog een laatste woord tot afscheid toe te spreken en als eerbewijs hem uitgeleide te doen naar de boot, die hem aan boord van het schip moest overbrengen. Dit bezoek kenmerkte zich overigens door de uiterste voorkomendheid. Nu don Fernando er zeker van was dat de graaf niet langer te Maracaïbo zou vertoeven, aarzelde hij niet om nogmaals bij hem aan te dringen het vertrek nog wat uit te stellen, en daarin werd hij gesteund door zijne officieren, doch zooals licht te begrijpen is, al die verzoeken bleven te vergeefs. Met hoogst beleefde bewoordingen, bedankte Montbars al de heeren voor dit bewijs van hoffelijkheid, doch bleef standvastig weigeren, zich beroepende op de overwegende verplichtingen van de zending, die hij had te vervullen. Juist op dat oogenblik trad Philippe het salon binnen, en ieder haastte zich hem te begroeten.
—Señor conde,—sprak de Gouverneur,—daar het u ondanks onze vurige begeerte om u nog eenige dagen in ons midden te doen vertoeven, onmogelijk is aan dit verlangen te voldoen, verzoek ik u de verzekering aan te nemen, dat wij allen dit zeer betreuren. Wees er van verzekerd dat bij ieder onzer lang in herinnering zal blijven het slechts al te korte bezoek, waarmede gij ons hebt vereerd.
—Gaarne verklaar ik u, mijnheer de Gouverneur, dat het leedwezen, dat mij door u uit aller naam wordt kenbaar gemaakt, mij niet alleen verheugd, maar dat ik zelfs trotsch daarop ben. Houd u er van overtuigd, mijne heeren, dat dit leedwezen ook door mij wordt gedeeld.
—Helaas señor! Waarschijnlijk keert gij zeer spoedig naar Europa terug en is dit dus ongetwijfeld de laatste keer, dat wij de eer genieten u hier te ontmoeten.
—Wie weet! mijnheer de Gouverneur!—gaf Montbars ten antwoord met een bijna onmerkbare zweem van spotternij.—Het toeval speelt zulk een groote rol in het lot van den mensch, dat wij misschien elkaar eer zullen terugzien dan gij veronderstelt.
—Dat geve God, señor conde! Laat ik u mogen verzekeren, dat, zoo dit plaats mocht grijpen, wij allen het zouden beschouwen als een groot geluk.
—Dat zij aan de beslissing van God overgelaten, señor!
—Vergun mij nu, señor conde, u nog een enkele vraag te doen.
—Gaarne señor. Het zou mij zeer veel genoegen doen, zoo ik u in een of ander opzicht van dienst kon wezen, om op die manier, hoe weinig het mocht zijn, u mijne dankbaarheid te betoonen voor de van u genotene gastvrijheid. Zou dit wellicht het geval wezen?
—Misschien, señor conde. Zijt gij van plan Chagres aan te doen alvorens gij u naar Vera-Cruz begeeft?
—Mag ik weten señor, met welk doel die vraag door u wordt gedaan?
—En dus?—vroeg Montbars op zonderlingen toon.
—Waarlijk, caballero, ronduit wil ik u bekennen dat de verantwoordelijkheid van zulk een aanzienlijke som mij zwaar begint te drukken en als gij u mocht willen belasten met de overbrenging, zoudt gij mij ontzaglijk verplichten.
—Het doet mij ontzettend veel leed, señor,—gaf Montbars tamelijk droogjes ten antwoord,—dat ik niet in staat ben aan uw verlangen te voldoen, doch dit is letterlijk onmogelijk.
—En waardoor, señor conde?
—Om de eenvoudige reden, caballero, dat het volstrekt niet zeker is of ik Chagres zal aandoen, want eigenlijk heb ik daar niets te verrichten, en hoogst waarschijnlijk zal de op de kust zoo veranderlijke wind ons veeleer in de ruimte houden, zoodat er veel kans zou bestaan, dat dit geld lang onder weg bleef eer het de plaats van bestemming bereikte.
—Dus moet gij het afslaan?
—Zoo is het, señor, doch geloof mij, ik doe dit zeer tegen mijn wil, toch dunkt mij is het beter dat dit geld nog eenigen tijd onder uwe bewaring blijft te meer daar er toch slechts weinige dagen zullen verloopen vóór de aankomst der konvooien uit Europa, en dan hebt gij gelegenheid te kust en te keur, om u te ontslaan van die bezwarende verantwoordelijkheid.
—Genoeg, caballero, laten wij er verder niet meer over spreken en houd mij dit onbescheidene verzoek ten goede.
—Daarvan kan geen sprake zijn, caballero, want ik ben het veeleer die u verschooning zou moeten vragen. Waarlijk zou het mij heel veel genoegen hebben gedaan, zoo ik u in dit opzicht van dienst had kunnen wezen! Doch thans is het uur van scheiden aangebroken, señor!
Op het plein vóór het huis stonden de paarden gezadeld en gereed; men verliet de vertrekken en ieder steeg op. Eene eerewacht stond onder de saguan onder de wapenen. Montbars voerde den stoet aan, onder geleide van don Fernando; al pratende reed men naar de haven. De straten, die men moest door trekken, waren ondanks het vroege uur opgepropt door eene zeer talrijke menigte lieden die onder herhaalde toejuichingen, niet ophielden, met hoeden, doeken en sjerpen te zwaaien. Met zeer veel ingenomenheid werd don Montbars naar rechts en links gegroet. Philippe deed alle moeite onder de menigte die zich op den weg voor den stoet verdrong, het bekoorlijke gelaat van Juana gewaar te worden, doch dit was vergeefsche moeite; de jonge man versmoorde een zucht, en werd droevig gestemd. Eindelijk bereikte men het havenhoofd, waar de matrozen reeds druk in de weer waren de bagage naar de daarvoor klaar liggende vaartuigen te brengen; toen steeg men af, en begonnen de laatste afscheidsgroeten. Eene eigenaardigheid van de Spanjaarden is de langwijligheid hunner plichtplegingen, doch Montbars achtte het raadzaam daaraan kort en bondig een eind te maken, en nauwelijks had hij bemerkt dat de bagage was ingescheept, of hij gaf een wenk aan zijne officieren, dat zij hem moesten volgen, en stapte onmiddellijk in zijn boot.
—Wel drommels,—begon Michel, de Baskiër zoodra de boot ver genoeg van den wal was.—Kommandant, dat is daar straks toch een zonderlinge inval van je geweest.
—Over welken inval spreekt ge eigenlijk, oude jongen?—vroeg Montbars glimlachend.
—Wel, om dat geld te weigeren, dat die Gouverneur je zoo goedsmoeds aanbood!
—Ge zegt iets zonder daarbij door te denken, kameraad. Wij zijn toch geen dieven, naar ik meen? Wij zijn dappere, maar eerlijke vrijbuiters, niet waar?
—Daar zegt ge een goed woord, kommandant! Maar toch zevenhonderd vijftig duizend francs! ’t Is geen kleinigheid!
—Kom, kom, Michel, wees gerust daarover, met geduld komt alles terecht! Het geld, dat ik niet heb willen aannemen, zullen wij later toch wel vinden, dat beloof ik je! Maar buitendien, misschien was dat aanbod juist een valstrik geweest van den Gouverneur.
—Dat zou ook waar kunnen zijn, maar waar of niet, toch hebt ge gelijk, kommandant.
Een kwartier later sneed de schooner met volle zeilen door het water, met de snelheid van eene meeuw die over de golven scheert, en werd tot afscheid begroet door het gejuich der opgewonden menigte, die zich op het havenhoofd verdrong om getuige te zijn van het vertrek.
De kajuitsjongen Zijden-Draad, was verdwenen. Als men Montbars daarover sprak, lachte hij even geheimzinnig, als hij gewoonlijk deed als hij ergens geen ander antwoord op wilde geven.