← Table of contents
De goudzoekers

XVIII. SCHIPPER AGUIRRE.

Reading edition

Tijdens de komst der flibustiers op het eiland Aruba dat zij bezetten om van daar, volgens hunne uitdrukking, als een vlucht gieren neer te strijken op Maracaïbo, heerschte in die rampzalige stad, zoo geheel onbekend met het gevaar dat haar boven het hoofd hing, groote drukte; ieder was dáár recht in zijn schik, allen lachten en dansten, in één woord overal hield men feest; want het waren juist de dagen waarop gewoonlijk de schepen uit Europa arriveerden. De uit Spanje verwachte vloot was dan ook de golf binnen gestevend, doorgedrongen tot het meer, en vóór de stad ten anker gekomen. Gedurende acht maanden van het jaar bleven de kolonisten genoegzaam aan hun eigen lot overgelaten; te ver verwijderd van groote en voorname steden zooals Vera-Cruz, konden zij zich niet dan met groote moeite al het noodige verschaffen voor de noodzakelijkste behoeften en kregen dus ten laatste daaraan groot gebrek; met verlangen zagen zij daarom uit naar de aankomst der koopvaardijschepen die nieuwen voorraad aanbrachten en hen in de gelegenheid stelden al de voortbrengselen van den bodem, zooals tabak, cacao, timmerhout, benevens goud, zilver en paarlen, waarmede hunne magazijnen overpropt waren, te verruilen tegen levensbehoeften, kleedingstukken, gereedschappen en allerlei Europeesche artikelen. Dezen keer waren, als door eene bijzondere beschikking, de schepen direct uit Cadix aangekomen, zonder onderweg eenige andere haven aan te doen, zoodat de ladingen nog onaangebroken waren; de kolonisten hadden dus overvloed van keus om te voorzien in hunne behoeften of te voldoen aan hunne begeerten.

Voortdurend zag men in de stad verschijnen recuas van muildieren, waarvan ieder zwaar belast was met eene dubbele baal, en die, voortgedreven uit de dorpen en de haciendas van het binnenland, het vroolijke geluid hunner schelletjes in de straten deden weerklinken. Op last van den Gouverneur waren op de Plaza Mayor tenten opgeslagen, en jacales van takken gebouwd om tot tijdelijke magazijnen en kramen te dienen aan de kooplieden, die er hunne waren voor ieders oog konden uitstallen. Om kort te gaan het was een voortdurende kermis, die een maand lang zou duren, en gedurende welke de bevolking, door den grooten toevloed van vreemdelingen bijna verdubbeld was. ’s Avonds waren de straten, als door een tooverslag, geïllumineerd, en op alle pleinen werd gedanst met de opgetogenheid en de opgeruimdheid, die zoo aantrekkelijk en eigenaardig zijn bij alle meer zuidelijke volken wier karakter zich meest altijd kenmerkt door vroolijkheid, onbezorgdheid en natuurlijke ongedwongenheid.

Don Fernando d’Avila had heel wat te doen om de orde te handhaven in zulk een warboel, en te zorgen dat het bij alle handelsverrichtingen en verdere inkoopen en verkoopen op loyale wijze toeging, want de Europeesche handelaars maakten er geen gewetenszaak van om honderd piasters te vragen voor iets dat geen hoogere waarde dan tien piasters bezat, en het was dus niet te verwonderen dat er dikwerf geschillen en vechtpartijen ontstonden die door den Gouverneur tenauwernood konden worden bijgelegd, daar de kolonisten zoo min als de Europeanen er toe gebracht konden worden naar verstandige en bezadigde taal te luisteren. Zoo werd don Fernando door al die bemoeiingen, hoezeer ook geheel tegen zijn wil, als het ware genoodzaakt zich minder aan zijne pupil gelegen te laten liggen, die bijna altijd als in hare vertrekken opgesloten bleef; doch de jonge dame beklaagde zich niet over zulk eene afzondering; zij scheen daarentegen zich er gelukkig door te gevoelen en kon nu ongestoord al hare gedachten wijden aan hem dien zij lief had. Een groot gedeelte van den dag bracht zij op het balkon door, half verborgen achter de zonneschermen, steeds naar het meer turende en verdiept in eene reeks van droomerijen. Somtijds keek zij even op om naar na Cigala te kijken, die gewoonlijk dicht bij haar zat en te vragen, met haar lief vleiend stemmetje:

—Zeg eens, na Cigala, zoudt ge denken dat mijn lieveling nu gauw terug zal komen?

De oude vrouw schudde dan met een onvergenoegd gezicht het hoofd, gaf meestal geen antwoord, of zoo zij dit een enkelen keer deed, dan was dit op knorrigen toon, en binnensmonds eenige woorden brommende die door de jonge dame niet verstaan werden; echter moet hier bijgevoegd worden, dat deze er zich ook niet veel moeite voor gaf, want veel liever hield zij zich bezig met hare eigene gedachten en verviel ook spoedig weer in zoet gepeins.

Reeds meer dan eens had na Cigala beproefd donna Clara tot het inzicht te brengen hoe verkeerd het was zulk een eenzaam en eentonig leven te leiden, waarin zij nu zoo zeer behagen scheen te hebben, en dat het voor haar veel beter zou zijn, om te zamen uit te gaan, de stad eens door te wandelen en de winkels te bezoeken, waar de Europeesche waren uitgestald, en zij zulk eene ruime keuze zou hebben voor hare inkoopen. Eene verleidelijke uitnoodiging, want de beschouwing van dergelijke benoodigdheden en ook van dergelijke kostbare prullen is voor iedere vrouw, hetzij dame, hetzij dienstbode een genot, ja, meer dan dit, want hoe dikwerf worden daardoor de oogen zoo verblindend aangetrokken, dat vele van haar tot doemwaardige handelingen overgaan, en den duivel in handen vallen.

Iederen keer dat de duenna hierop aandrong had donna Juana dit niet anders beantwoord dan door kortweg neen te zeggen, of hoogstens bepaalde zij zich tot de verklaring, dat zij niets gaf om kanten of juweelen, zich heel goed vond dáár waar zij was, en veel liever stil tehuis bleef; waarna zij weer verviel in de zoo geliefde en nu zoo onaangenaam afgebroken overdenkingen.

Weer werd op zekeren morgen die aansporing door de duenna herhaald, maar nu nog veel dringender dan vroeger; de jonge dame gevoelde zich juist dien dag zeer droefgeestig gestemd, zonder dat zij zich daarvan reden wist te geven, want zij kon niets bedenken waardoor dit ontstaan zou kunnen zijn; zij ging naar de deur zeker om zich te verwijderen en daardoor ontslagen te worden van de vervelende op- en aanmerkingen harer voedster, toen die op eens werd opengedaan en don Fernando de kamer binnentrad.

—Beste Juana, ik kom je vragen om met mij naar de haven te gaan,—gaf hij haar te kennen zonder eenige voorafspraak,—de kapitein van la Trinidad is, naar hij zegt, in het bezit van kostbare Mechelsche kanten, en prachtig met gouddraad gestikte stoffen. Hij zou je die zaken zeer gaarne laten zien, want hij houdt er zich van verzekerd dat uwe keus als wet zal gelden, en de stoffen waaraan gij de voorkeur geeft, bij iedereen in trek zullen komen. Hij heeft ons uitgenoodigd bij hem aan boord, zonder omslag en onder ons, te komen ontbijten, en ik heb dit voor ons beiden aangenomen. Die kapitein is iemand van groote verdienste en het is mij veel waard hem eenigen dienst te kunnen bewijzen. Wees dus zoo goed je klaar te maken en je daarmee te haasten, want die kapitein wacht ons op den havendam daar hij zelf ons aan boord van zijn schip wil brengen.

Het jonge meisje beet zich op de lippen, toonde een pruilend gezichtje, zei eerst goeden morgen tegen haar voogd, dien zij dien dag nog niet had ontmoet en voegde hem daarop toe met ietwat kwijnende stem:—Ik voel mij waarlijk te ongesteld om uit te gaan, señor, en dus zoudt gij mij zeer veel genoegen doen er niet bij mij op aan te dringen u bij dit bezoek te vergezellen.

—Kom, kom,—gaf hij lachende ten antwoord,—ge ziet er beter uit dan ooit en vandaag juist zoo frisch en blozend als de mooiste roos. Wees nu eens goed en lief, Juana, en weiger mij dit niet, want daardoor zoudt ge de oorzaak zijn, dat ik mijn woord tegen dien braven kapitein niet hield, en dit zou mij voor den goeden man zeer spijten. Buitendien geloof ik stellig dat de frissche lucht je goed zal doen.

—Dit heb ik al zoo dikwijls tegen haar gezegd, maar zij wil naar mij niet luisteren,—werd in het midden gebracht door de oude vrouw, die zeer in haar schik was, nu zij hulp kreeg van een kant van waar zij die niet verwacht had.

—Houd den mond, na Cigala,—viel donna Juana toornig uit.—Het is of ge het er altijd op toelegt mij te kwellen.

—Hoor dat nu eens aan …—mompelde de oude vrouw, sloeg de handen ineen en de oogen naar den hemel.—Heere God, wat zijn die kinderen toch ondankbaar!

—Kan ik er op rekenen dat ge met mij zult meegaan, Juana?—hernam don Fernando.

—Als gij dit eischt, ja, señor,

—Laten wij elkaar goed verstaan, kindlief. Eischen doe ik niets, alleen verzoek ik het, en verzoek ik het zeer dringend. Maar als ge er zoozeer tegen zijt, dan geef ik mijne begeerte op en zullen wij er niet verder over spreken. Ik hoop dat de kapitein zich mijne verontschuldigingen, ook uit uw naam gegeven, zal laten welgevallen, daar ge begrijpt, dat als gij niet mee wilt gaan, het voor mij geheel onnoodig is om dit bezoek af te leggen.

Hij groette zijne pupil en stond gereed heen te gaan, doch zij snelde naar hem toe, greep zijn hand en zei haastig:—Och, señor! Waarlijk gij moet het mij niet kwalijk nemen, en heusch het spijt mij zóó als ik iets doe of zeg dat u onaangenaam is, maar, geloof mij, ik weet niet wat mij vandaag scheelt, en toch kan ik er mij niet tegen verzetten. Ik heb mij nog nooit zóó gevoeld.

—Zoudt ge dan werkelijk ziek zijn, kindlief?—vroeg hij met vaderlijke bezorgdheid.

—Ik weet het niet, ik kan het u niet zeggen, maar dit is zeker dat ik ieder oogenblik zou kunnen uitbarsten in een huilbui, en zoo gedrukt ben ik, alsof ik door een groot gevaar werd bedreigd.

—Kom, kom,—sprak hij lachend en geruststellend,—ge zijt een zottinnetje! Ge hebt het den laatsten tijd doorgezet om zóó afgezonderd te leven als een kluizenares, en dat is de schuld van dit alles.

—Och, neen, señor! Lach niet, dit verzoek ik u, want waarlijk ik lijd erg,—en de tranen kwamen reeds in hare oogen.

—Maar, lief kind, als dit nu wezenlijk het geval is, dan moet ge naar bed gaan, en zullen wij den dokter laten komen.

—Neen, neen, dan ga ik liever uit, dan zal ik met u meegaan. Ik geloof eigenlijk dat gij gelijk hebt, en dat de frissche lucht dit akelige gevoel verdrijven zal.

—Wilt ge dan nu waarlijk toch met mij meegaan, Juana? Maar laat ik je dan herinneren dat ik je op geenerlei manier mijn wil verlang op te dringen.

—Daarvoor zeg ik u dank, señor, doch bij nader inzien twijfel ik er ook niet meer aan of de buitenlucht zal mij goed doen. Gun mij even den tijd om mijne rebozo te halen en een mantille om te slaan.

—Ik zal wachten tot ge daarmee klaar zijt.

—Binnen een paar minuten. Kom mee, na Cigala.

En vlug en levendig als een vogeltje verliet zij het vertrek.

—Ach! Hoezeer wenschte ik dat zij mijne dochter ware!—sprak de bejaarde officier in zich zelf, en versmoorde daarbij een zucht.

Kort daarna keerde het jonge meisje terug, en vroeg schertsend:

—Lang ben ik niet weggebleven, is het wel?

—Ge zijt een lief, best kind, steeds even voorkomend en bekoorlijk.

—Ei, ei!—antwoordde zij guitig.—Nu ik doe wat gij wilt, vindt gij mij weer aardig en krijg ik een prijsje!

Zij gingen naar buiten. Half weg van de haven, kwamen zij den kapitein van la Trinidad tegen, wien het, ongeduldig door het lange wachten op den havendam, goed had gedacht hun een eind te gemoet te gaan. Die kapitein was een nog jeugdig man, met verstandige en sprekende gelaatstrekken; hij had vroeger bij de Spaansche marine gediend, en ging door voor een kundig en ervaren officier. Een boot die gereed lag tot ontvangst der bezoekers, kwam op een wenk van den kapitein vlak onder de trap van het havenhoofd aanleggen, en enkele minuten waren voldoende om langs zij van het schip te komen; een prachtigen driemaster, bewapend met tien bronzen stukken, die meer had van een oorlogschip dan van een vreedzamen koopvaarder. De grootste orde heerschte aan boord, en de Gouverneur en zijne pupil werden aan stuurboordzij ontvangen, met de eerbewijzingen aan zijn rang verschuldigd.

Onder een tent, die achter den grooten mast was opgeslagen, stond een tafel gereed, gedekt voor vier personen. De officieren werden aan den Gouverneur voorgesteld door den kapitein, die daarna zijn luitenant, een ouden zeerob, die reeds lang met hem had gevaren, uitnoodigde om de vierde plaats aan tafel te bezetten, echter niet dan na daartoe aan don Fernando d’Avila vergunning te hebben gevraagd, eene vergunning die hem trouwens dadelijk werd toegestaan; daarop liet de kapitein onmiddellijk opdisschen. Op den maaltijd was niets aan te merken, de gerechten waren keurig, en de wijn uitstekend.

Het was of donna Juana zich inspande om de wispelturige wreveligheid, door haar dien morgen betoond, weer goed te maken; of wellicht was zij onder den invloed geraakt van het vreemde der omgeving, de drukte op de ree, en het heerlijke uitzicht op het landschap. Wat daarvan zij, het zoo drukkende gevoel scheen geheel geweken, zij was vroolijk en innemend, spraakzaam en opgewekt, en had er schik in om den ouden luitenant te plagen en met hem te schertsen, schoon de goede man weinig begreep van haar guitigheden, en nog veel minder van hare geestigheden en daarbij zulk een ongelukkig figuur maakte dat de uitgelatenheid van het jonge jolige schepseltje steeds aanhield.

—Wel, Juana,—vroeg haar voogd,—hebt ge er nu nog spijt van dat ge met mij zijt meegegaan?

—Och! Praat daar niet meer over, don Fernando, ik was een zottinnetje, en ben nu heel en al beter. Señor kapitein, hebt ge veel moois aan mij te laten zien?

—Gij zelve zult daarover moeten oordeelen, señorita; niemand heeft mijne waren nog onder de oogen gekregen; ik wachtte met de uitstalling tot gij de goedheid zult gehad hebben daarover met uw onfeilbaren smaak uitspraak te doen.

—Zoo! Nu reken er maar op dat ik lang niet makkelijk te voldoen ben.

—Dat zal mij juist zeer aangenaam zijn, señorita, want wat in uw oog van waarde is, zal ongetwijfeld bij de andere dames in de kolonie ook wel bijval vinden.

—Dat zal nog bewezen moeten worden, señor kapitein, want iedere dame beweert dat het haar niet aan smaak ontbreekt.

—Toegegeven, señorita, alleen staat het bij mij vast, dat uw smaak vrij wat beter is.

—Señor, señor,—lachte zij.—Wat kunt ge vleien! En wanneer denkt ge al dat moois uit te stallen?

—Dadelijk na het ontbijt.

—En gij, señor luitenant,—bij die woorden wendde zij zich tot den ouden zeerob, die, daar hij niets beters te doen wist, at alsof hij uitgehongerd was, en daarbij dronk als een tempelier,—is er door u ook iets voor mij achtergehouden?

—Door mij, señorita!—uitte hij zoo haastig met vollen mond dat hij gevaar liep van te stikken, en keek daarbij verschrikt en verbaasd om zich heen.—Wat zou door mij achtergehouden zijn, señorita?

—Dat weet ik niet, misschien kanten of juweelen, of mogelijk ook die mooie gouden gekrulde kammen, die de dames te Sevilla dragen.

—Neen, neen, dat geloof ik niet.

—Wat zegt ge daar, gelooft ge dat niet? Weet ge dit dan niet zeker?

—Ja, señorita, neem mij niet kwalijk, ja, ik weet het vast en zeker. Ik heb niets anders dan heel fijn neteldoek met gouddraad voor muskietengaas.

—O! Dit treft heerlijk, dat moet zeker mooi zijn!—en lachend klapte zij in de handen.—Maar hebt ge niets anders?

—Alleen nog zilveren sporen en gouden mecheros.

—Voor dames?

—Wel neen, wel neen! Voor heeren, maar señorita, als u er lust in mocht hebben om iets daarvan aan te nemen, dan stel ik dit gaarne te uwer beschikking.

—De sporen, dat gaas of de mecheros?

—Alles, señorita, alles wat gij maar wilt,—verzekerde hij met een tamelijk plompe buiging.

Toen barstte het jonge meisje in zulk een schaterend gelach uit, dat de oude zeerob daardoor letterlijk overbluft werd. Juist nu kwam een der scheepsjongens naar den kapitein, groette dezen, en fluisterde hem iets in het oor.

—Señor Gouverneur,—zei daarop de kapitein,—er is iemand die verzoekt u te mogen spreken.

—Och! Wat nu weer!—antwoordde don Fernando ontevreden.—Dan moet hij maar wachten. Ik veroorloof mij waarlijk zoo zelden een uurtje voor mij te nemen, dat ik geen lust heb mij nu al weer dadelijk met zaken te gaan bemoeien.

—Pardon, señor Gouverneur, maar die man zegt dat eene zeer gewichtige zaak hem naar hier drijft, en dat gij hem op staanden voet zult toelaten, zoodra gij zijn naam hebt gehoord.

—Ei, ei! Die sinjeur schijnt zich heel wat in te beelden! Wat voor een soort van man is hij?

—Naar zijn uiterlijk schijnt hij een zeeman,—gaf de scheepsjongen zeer onderdanig te kennen.

—En hoe is die zoo veelbeteekenende naam, heeft hij je dien genoemd?

—Ja, dat heeft hij, señor Gouverneur.

—Nu, hoe noemt hij zich?

—Aguirre.

—Wat!—viel de Gouverneur uit, van zijn stoel opspringende, alsof hij een schok had ontvangen, terwijl hij doodsbleek werd.—Aguirre, zegt ge immers?

—Aguirre, juist, señor Gouverneur.

—Dat is vreemd! Waarde kapitein, hebt ge voor mij, hier of daar het doet er niet toe waar, een plekje beschikbaar, waar ik met dien man eenige oogenblikken, zonder gestoord te worden, kan spreken?

—Mijne kajuit is te uwer beschikking, señor Gouverneur.

—Opperbest! Wees zoo goed mij daarheen den weg te wijzen, en dien man dáár ook te doen komen. Lieve Juana, in mijne afwezigheid, en die zal slechts van korten duur zijn, zullen de beide heeren je al dat moois wel laten zien.

—Ga gerust, mijnheer,—antwoordde donna Juana,—ik hoop niet dat dit gesprek tengevolge zal hebben, dat gij lang van ons wegblijft.

De Gouverneur volgde den kapitein van la Trinidad naar diens kajuit, waar deze hem achterliet, doch niet dan na met de breedsprakige hoffelijkheid van de Spaansche beleefdheid, hem verzocht te hebben zich hier als tehuis te gevoelen en diensvolgens te handelen. Een oogenblik daarna klonk er op de kajuitstrap een zware stap, en voorafgegaan door den scheepsjongen trad schipper Aguirre binnen. Don Fernando gelastte door een wenk den jongen weg te gaan, wendde zich toen naar den spion, die zeer onderdanig bij de deur was blijven staan en vroeg:—Zoo, zoo, schipper Aguirre, gij hier! Het is een wonder je in deze streken te zien. Welke goede wind brengt je hierheen?

—Het is geen goede wind, gestrenge heer,—klonk het dubbelzinnige antwoord.—Ik houd het zelfs voor een zeer slechten.

—En wij hebben hier reeds langer dan een maand het prachtigste weder.

—De ergste stormen komen niet altijd uit de lucht, edele heer.

—Neen! Ge bedoelt zeker dat de menschen daarvan dikwerf de oorzaak zijn, niet waar?

De spion boog zwijgend.

—Waar komt ge vandaan?

—Regelrecht uit Vera-Cruz, op een brigantijn die daarvoor uitsluitend door Zijne Excellentie den Onder-Koning in hoogst eigen persoon werd uitgerust.

—Door den hertog de Penaflor!

—Ja, gestrenge heer.

—Hum! Dan schijnt die zaak zeer ernstig!

—Meer dan dat, edele heer. Het is eene zaak van het hoogste gewicht!

—Zoo! Nu ik verwacht nadere verklaring.

—Hier is een brief voor u, gestrenge heer, van den Onder-Koning die u van alles op de hoogte zal brengen, beter dan ik dit zou kunnen doen.—Bij die woorden trok hij uit de voering van den bol van zijn hoed een brief die daar verborgen was geweest.

Don Fernando greep er haastig naar, en brak dien met bevende hand open; lang was die brief niet, doch de inhoud van de weinige regels was zóó gewichtig dat de Gouverneur verbleekte ondanks zijn erkende en beproefde dapperheid.

—En,—vroeg hij een oogenblik later, toen hij weer opkeek,—zijn die berichten waar en echt?

—Geheel en al naar waarheid, en stipt overgebracht, edele heer. Ik zelf bracht ze aan Zijne Excellentie den Onder-Koning.

—En hoe zijt ge daarmee bekend geworden?

—Door niemand anders dan mijzelven. Ik heb oogen en ooren gebruikt.

—Dus wordt door de vrijbuiters eene expeditie uitgerust?

—Eene ontzaglijke expeditie.

—Maar misschien is die niet tegen ons gericht?

De spion lachte minachtend.

—Om hier te arriveeren heb ik dwars door eene vloot moeten stevenen, door eene vloot van meer dan twaalf schepen, die met korte slagen laveerde om te Aruba voor anker te komen.

—En wie voert het bevel over die vloot?

—Montbars de Verdelger zelf.

Don Fernando huiverde bij dien zoozeer geduchten naam.

—Weet ge ook of Montbars zich nu reeds onder al de schepen van die duivelsche kerels bevindt?

—Nog niet, gestrenge heer, hij is van zijn koers afgeweken om zich eerst meester te maken van het fregat la Perla en van vier brigantijnen, schepen die door den Onder-Koning waren uitgerust om de stichtingen der vrijbuiters op Tortue te vernielen.

—En?—viel de Gouverneur in met angstige gejaagdheid.

—Montbars heeft door entering het fregat genomen op de rivier Efferra, is daarna binnengevallen ter ree van Puerto del Principe, heeft de brigantijnen overvallen en doen zinken en de equipage der rampzalige schepen onverbiddelijk omgebracht, en zal nu binnen een paar etmalen te Aruba arriveeren, waar zijn vloot hem verwacht, om dan tot handelingen over te gaan.

—Dan zij God ons genadig!—kreet don Fernando en liet op een zetel zich neerzinken,—want, tenzij er een wonder geschiede, zijn wij verloren!

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings